Rechtbank Noord-Holland, 22-12-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11622, insolventienummer: C/15/22/3 S
Rechtbank Noord-Holland, 22-12-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11622, insolventienummer: C/15/22/3 S
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 22 december 2022
- Datum publicatie
- 11 januari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2022:11622
- Zaaknummer
- insolventienummer: C/15/22/3 S
Inhoudsindicatie
Intrekking voorlopig verleende surseance van betaling ex artikel 247 Fw
Uitspraak
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Alkmaar
insolventienummer: C/15/22/3 S
Beschikking van 2 december 2022
In de voorlopig verleende surseance van betaling van:
Bloembollenbedrijf [verzoekster] B.V.,
gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente 1],
kantoorhoudende te (1784 PH) [gemeente 1] aan het adres [adres 1],
verzoekster,
advocaat mr. R.J. Bakker,
bewindvoerder mr. B.J. Mekkelholt te [gemeente 1].
1 De procedure
Op 19 augustus 2022 is de surseance van betaling voorlopig verleend. Op 15 november 2022 is het verzoek tot definitieve verlening van de surseance van betaling behandeld en aangehouden tot 29 november 2022. Op de zitting van 29 november 2022 heeft mr. Bakker namens verzoekster een verzoekschrift ex artikel 247 Faillissementswet (Fw) ingediend. De rechtbank heeft ter zitting geoordeeld dat het verzoek om intrekking eerst behandeling behoeft, alvorens kan worden toegekomen aan het verzoek tot definitieve verlening van de surseance. Daarop heeft de rechtbank de behandeling van laatstgenoemd verzoek voor onbepaalde tijd aangehouden. De behandeling van het verzoekschrift ex artikel 247 Fw heeft vervolgens onmiddellijk, dat wil zeggen ter zitting van 29 november 2022, plaatsgevonden.
Bij de behandeling waren aanwezig en zijn gehoord:
- namens verzoekster, [betrokkene 1], bestuurder, bijgestaan door mr. R.J. Bakker;
- namens [bedrijf 1] Holding B.V., [betrokkene 1], bijgestaan door mr. H.B. de Regt;
- namens [bedrijf 2] Holding B.V., [betrokkene 2], bijgestaan door mr. M.C. Schepel;
- namens Rabobank, mr. M. IJlst;
- mr. B.J. Mekkelholt, bewindvoerder.
2 Feiten en voorafgaande gebeurtenissen
Aan het indienen van het onderhavige verzoekschrift is een aantal feiten en gebeurtenissen vooraf gegaan, die voor een goed begrip van de beoordeling van het verzoekschrift van belang zijn en derhalve hieronder samengevat worden weergegeven.
Verzoekster drijft een onderneming die zich bezighoudt met het kweken van bloembollen, bloemen, planten, zaden en andere gewassen. Vanaf de oprichtingsdatum in 1989 tot 12 juli 2017 waren twee broers, [betrokkene 2] (‘[betrokkene 2]’) en [betrokkene 1] (‘[betrokkene 1]’) bestuurder en (indirect) aandeelhouder van verzoekster. Bij beschikking van 12 juli 2017 heeft de Ondernemingskamer [betrokkene 2] ontslagen als bestuurder. Vervolgens zijn en/of worden er diverse procedures gevoerd om tot afwikkeling van de samenwerking tussen de broers te komen. De Ondernemingskamer heeft bij tussenarrest van 5 april 2022 verzoekster veroordeeld om aan [bedrijf 2] Holding B.V. (‘de Holding van [betrokkene 2]’) te betalen het bedrag van € 1.911.068,-. Dit betreft een rekening courant vordering van de Holding van [betrokkene 2] op verzoekster. Tot zekerheid van verhaal heeft de Holding van [betrokkene 2] conservatoir (derden)beslag gelegd op onder meer een drietal percelen grond (‘de percelen’) aan de [adres 2] te [plaats]. Op 1 augustus 2022 heeft de Holding van [betrokkene 2] een verzoekschrift ingediend om verzoekster failliet te verklaren. De behandeling van dit laatste verzoek is geschorst in verband met de voorlopige surseanceverlening op 19 augustus 2022.
Blijkens de opgave van de bewindvoerder bij brief van 14 november 2022, heeft verzoekster drie schuldeisers:
- De Holding van [betrokkene 2]: € 2.002.631,61;
- [bedrijf 1] Holding B.V. (‘de Holding van [betrokkene 1]’): € 1.480.397,- (niet opeisbaar);
- Rabobank: € 2.362.500,-.
De Rabobank is betrokken bij (her)financiering van verzoekster en het vinden van een oplossing voor de problemen van verzoekster. Op de percelen heeft de Rabobank vanaf 2008 een recht van eerste hypotheek ten behoeve van haar vorderingen op (onder meer) verzoekster. Bij exploot van 1 november 2022 heeft de Rabobank openbare verkoop van de percelen aangezegd wegens verzuim van verzoekster. Op 28 november 2022 heeft de Rabobank een verzoekschrift ex artikel 3:268 lid 2 Burgerlijk Wetboek bij deze rechtbank ingediend om toestemming voor onderhandse verkoop van de percelen voor een bedrag van € 2.490.000,-. De Rabobank heeft daarbij overgelegd een recent taxatierapport waaruit blijkt dat de executiewaarde van de percelen op € 2.325.000,- wordt geschat.
Tot heden is het bedrijf van verzoekster operationeel. Desgevraagd heeft de bewindvoerder ter zitting aangegeven dat alle lopende kosten in verband met de bedrijfsvoering (kunnen) worden voldaan, ook in de nabije toekomst.
Tussen partijen is uitvoerig overleg gevoerd om tot een minnelijke regeling te komen, maar zij zijn daar niet in geslaagd.
3 Standpunten van verzoekster en belanghebbenden
Verzoekster stelt dat zij op korte termijn in staat is om haar betalingen te hervatten. Door een onderhandse bieder is een onvoorwaardelijk bod uitgebracht op de percelen van
€ 2.490.000,-. Dit bedrag komt in eerste instantie toe aan de Rabobank. De Rabobank heeft zich bereid verklaard om van dit bedrag een zodanig gedeelte ter beschikking te stellen dat daarmee de vordering van de Holding van [betrokkene 2] geheel kan worden voldaan.
De Holding van [betrokkene 1] geeft aan dat geen sprake is van een faillissementstoestand en dat het verzoek intrekking surseance dient te worden gehonoreerd.
De Holding van [betrokkene 2] stelt dat betaling van haar vordering op verzoekster allerminst zeker is. Zo is er nog geen toestemming verleend door de rechtbank voor onderhandse verkoop. De Rabobank heeft verder geen (onvoorwaardelijke) toezegging gedaan dat de Holding van [betrokkene 2] uit de verkoopopbrengst zal worden voldaan. Daarnaast wordt er op gewezen dat dat verkoop van de percelen niet kan worden gerealiseerd vanwege de afkoelingsperiode die is gelast. Verzoekster verkeert aldus (nog steeds) in een toestand van insolventie. Deze situatie moet (uiteindelijk) leiden tot het faillissement van verzoekster, aldus de Holding van [betrokkene 2]. Dat laatste kan aan de orde komen indien het verzoek om intrekking van de surseance wordt afgewezen, vervolgens de definitieve surseance niet wordt verleend en de rechtbank toekomt aan het verzoek van de Holding van [betrokkene 2] om aansluitend het faillissement van verzoekster uit te spreken.
De Rabobank heeft ter zitting bij monde van mr. IJlst bevestigd dat zij, met in achtneming van de gebruikelijke voorwaarden zoals dat het faillissement van verzoekster niet wordt uitgesproken en het bedrijf van verzoekster levensvatbaar blijft, zich bereid heeft verklaard om na de onderhandse executie van de percelen, middelen ter beschikking te stellen waarmee de vordering van de Holding van [betrokkene 2] kan worden voldaan.
De bewindvoerder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Door de bewindvoerder is verder nog naar voren gebracht dat in verband met een onlangs gewoede brand er schade is binnen het bedrijf van verzoekster en bij derden. Mogelijk dat hier claims richting verzoekster uit voort komen. Verzoekster is verzekerd voor deze schade en de verzekeraar heeft de schademelding in onderzoek. Tot definitieve dekking van de schade heeft de verzekeraar nog niet besloten