Rechtbank Noord-Holland, 14-12-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11983, C/15/325691 / HA ZA 22-142
Rechtbank Noord-Holland, 14-12-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11983, C/15/325691 / HA ZA 22-142
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 14 december 2022
- Datum publicatie
- 30 januari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2022:11983
- Zaaknummer
- C/15/325691 / HA ZA 22-142
Inhoudsindicatie
Recht om te weten van wie men afstamt (artikel 8 EVRM). Afgifte DNA-materiaal ziekenhuis. Belangenafweging met het recht op bescherming van privéleven. Onvoldoende rechtvaardiging m.b.t. persoonlijke identiteit en ontwikkeling. Vordering afgewezen.
Uitspraak
vonnis
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/325691 / HA ZA 22-142
Vonnis van 14 december 2022
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem,
hierna te noemen: ‘[eiser]’
tegen
de stichting
STICHTING SPAARNE GASTHUIS,
gevestigd te Hoofddorp,
gedaagde,
niet verschenen,
hierna te noemen: ‘Spaarne Gasthuis’
en:
[tussenkomende partij]
wonende te [woonplaats],
tussenkomende partij,
advocaat: mr. Y. Özdemir te Den Haag
hierna te noemen: ‘[tussenkomende partij]’
1 De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] aanspraak kan maken op afgifte van DNA-materiaal om vast te kunnen stellen of de vader van [tussenkomende partij] ook zijn biologische vader is. Het Spaarne Gasthuis is in deze procedure niet verschenen. [tussenkomende partij] is tussengekomen in de procedure. Tussen [eiser] en [tussenkomende partij] zijn al meerdere procedures aanhangig geweest. Daarbij staat steeds de vraag centraal of het recht van [eiser] om te weten van wie hij biologisch afstamt zwaarder weegt dan het recht van [tussenkomende partij] op bescherming van zijn privéleven. [eiser] beroept zich ook op het wettelijke inzagerecht in het medisch dossier en regelgeving over de bescherming van persoonsgegevens.
De rechtbank is van oordeel dat uit de het wettelijke inzagerecht in het medisch dossier en de regelgeving over de bescherming van persoonsgegevens geen verplichting voor het Spaarne Gasthuis voortvloeit om DNA-materiaal af te geven aan [eiser]. De rechtbank is daarnaast, op basis van een belangenafweging tussen de rechten van [eiser] en [tussenkomende partij], van oordeel dat het recht van [tussenkomende partij] op bescherming van zijn privéleven zwaarder weegt. Daarbij is doorslaggevend dat [eiser] ook in deze procedure onvoldoende rechtvaardiging heeft gegeven voor zijn verzoek in relatie tot zijn persoonlijke identiteit en ontwikkeling. Op zitting heeft [eiser] verklaard dat zijn belang bij het DNA-onderzoek voornamelijk gelegen is in het feit dat hij aanspraak wil kunnen maken op de nalatenschap van de vader van [tussenkomende partij]. Hierover is eerder al door het hof Amsterdam geoordeeld dat dit voor zijn verzoek een ontoereikende grondslag vormt. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af.
[tussenkomende partij] wordt in zijn vordering na tussenkomst, die erop gericht is het Spaarne Gasthuis te verbieden DNA-materiaal van zijn vader af te staan, niet-ontvankelijk verklaard omdat het processtuk waarin deze vordering was opgenomen niet tijdig kenbaar is gemaakt aan het Spaarne Gasthuis.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding inclusief producties 1 tot en met 12 van [eiser];
- -
-
het tegen Spaarne Gasthuis verleende verstek;
- -
-
de incidentele conclusie tot tussenkomst met productie 1 van [tussenkomende partij];
- -
-
de conclusie van antwoord in het incident van [eiser];
- -
-
het vonnis in het incident van 13 april 2022;
- -
-
de conclusie van eis in het incident van [tussenkomende partij];
- -
-
de conclusie van antwoord in tussenkomst van [eiser];
- -
-
het tussenvonnis van 21 september 2022;
- -
-
de mondelinge behandeling van 4 november 2022, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
[eiser] is op [geboortedatum] geboren in [geboorteplaats], als kind van [A.]
(hierna: de moeder) en [B.] (hierna: de juridische vader). De geboorteakte van verzoeker vermeldt dat de moeder en de juridische vader sinds [datum] van echt gescheiden zijn.
[tussenkomende partij] is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], als kind van [C.] (hierna: [tussenkomende partij] senior) en [D.].
Op [datum] is [tussenkomende partij] senior in [woonplaats] overleden.
Op 15 mei 2018 heeft [eiser] een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Noord-Holland waarin hij een verzoek heeft gedaan tot gerechtelijke vatstelling van het ouderschap van [tussenkomende partij] senior als zijn biologische vader en het opleggen van een verplichting aan [tussenkomende partij] en zijn zus tot medewerking aan een DNA-onderzoek.
Op 10 oktober 2018 heeft de rechtbank een beschikking afgegeven waarin zij [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoeken. In de beschikking is onder meer opgenomen:
“5.5 Artikel 207 van Boek 1 BW regelt onder welke voorwaarden het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, vastgesteld kan worden. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden indien het kind twee ouders heeft.
Uit het door verzoeker overgelegde afschrift van de geboorteakte, alsmede uit het
BRP-uittreksel van verzoeker blijkt dat de man reeds sinds zijn geboorte twee juridische ouders heeft, namelijk [A.] en [B.], zodat gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man niet mogelijk is. Gelet hierop is verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [C.]. Ook het verzoek om te bepalen dat [tussenkomende partij] en [E.] dienen mee te werken aan een DNA-onderzoek dient daarom bij gebrek aan belang te worden afgewezen.
Ter zitting heeft mr. Wernik namens verzoeker het verzoek gewijzigd in die zin dat
hij de rechtbank verzoekt om als algemeen belang in het kader van het erfrecht het biologisch vaderschap vast te stellen en de rechtsgrond ambtshalve aan te vullen.
Voor zover het verzoek ter zitting gewijzigd had mogen worden, vindt dit verzoek
geen grondslag in de wet, zodat de man ook niet ontvankelijk is in dit verzoek.”
[eiser] is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan bij het hof Amsterdam. Op 19 november 2019 heeft het hof een beschikking afgegeven, waarin de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd. In de beschikking van het hof is onder meer opgenomen:
“5.2 Verzoeker heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij wil weten wie zijn
biologische vader is en dat dit zijn eerste belang bij het verzoek is. (...) Verzoeker heeft ter zitting aangegeven niet te hebben getwijfeld aan het feit dat [C.] zijn biologische vader is. Hij heeft tijdens het leven van [C.] geen DNA-bewijs aan de orde willen stellen, omdat hij
dat respectloos zou vinden. Daarnaast heeft verzoeker betoogd recht en belang te hebben dat hij als kind een erfrechtelijke positie heeft in de nalatenschap van [C.]. Daartoe heeft hij het
navolgende aangevoerd. Onderhavig verzoek is gebaseerd op artikel 4:10, derde lid van het
Burgerlijk Wetboek (BW), in die zin dat de verzoeker als erfgenaam aanspraak maakt op de
nalatenschap, aangezien [C.] niet alleen zijn biologische vader is maar er ook vanaf de
geboorte ‘family life’ bestond in de zin van de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Van zijn
Turkse advocaat heeft hij vernomen dat het vaststellen van biologisch vaderschap een eerste
stap zou kunnen zijn. (...)
Het hof overweegt als volgt. Aan grondrechten als het recht op respect voor het privéleven ligt een algemeen persoonlijkheidsrecht ten grondslag, dat mede omvat het recht te weten van welke ouders men afstamt. Dit recht is echter niet absoluut. Het moet wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het gegeven geval zwaarder wegen. Indien genoemde rechten en vrijheden in het gedrang komen, moet er per geval een belangenafweging plaatsvinden (zie ook HR 15 april 1994,NJ 1994/608). Uit het recht op respect voor privéleven, gebaseerd op artikel 8 EVRM, wordt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) afgeleid dat eenieder een recht heeft feiten over zijn persoonlijke identiteit vast te stellen (Gaskin t. VK 7 juli 1989, NJ 1991, 659). Volgens het EHRM is informatie over de biologische ouders een wezenlijk en vormend element van iemands identiteit (Mikulic t. Kroatië, 7 februari 2002. ECLI:NL:XX:2002:AP0839). In genoemde zaken hadden verzoekers geen enkele kennis over hun mogelijke afstamming. Het recht op kennis van de biologische afstamming is echter niet absoluut. Rechten en belangen van anderen kunnen ook een rol spelen, waardoor een belangenafweging dient plaats te vinden. Al aangenomen dat verzoeker voldoende heeft gesteld om zijn belang bij het verzoek tot vaststelling van het biologisch ouderschap van [C.] te onderbouwen. dan nog is zijn verzoek niet toewijsbaar. Daarvoor is het volgende van belang.
In de onderhavige zaak staat tegenover het recht van verzoeker, het recht van
verweerders tot bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Voor de door verzoeker
gewenste zekerheid van zijn biologische afstamming is DNA-afname van verweerders, en
onderzoek van dat DNA-materiaal nodig. Dit maakt inbreuk op hun lichamelijke integriteit
en ook op hun privéleven. Door een mogelijke vaststelling van biologische afstamming
tussen verzoeker en [C.] komt hun familiegeschiedenis er anders uit te zien. Hun vader
is overleden en kan geen uitleg geven. Verweerders hebben dan ook bezwaar gemaakt en
willen niet meewerken aan DNA-onderzoek.
Het belang van verzoeker om te weten wie zijn biologische vader is heeft hij voor het
eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren gebracht. Hij wil graag
zekerheid hebben omtrent het biologische vaderschap van [C.]. Ook heeft hij verteld
dat hij al sinds zijn jeugd is voorgelicht over het feit dat [C.] zijn biologische vader zou
zijn en dat hij vanaf zijn geboorte tot aan het overlijden contact met hem heeft gehad. Zijn
moeder zou dit volgens hem kunnen bevestigen. Hoewel verweerders dit alles betwisten, is ter zitting in hoger beroep wel door [tussenkomende partij] verklaard dat verzoeker en zijn vader elkaar zagen. Hij noemt verzoeker een kennis van zijn vader. Uit de reactie van verweerders in het verweerschrift en ter zitting in hoger beroep kan bovendien worden afgeleid dat verweerders meer bekend is over de relatie tussen verzoeker en [C.] dan hun formele standpunt doet vermoeden, en dat dat standpunt mede door motieven van emotionele aard lijkt te zijn ingegeven. Het hof leidt uit dit alles af dat voor verzoeker zijn ontstaansgeschiedenis geen onduidelijkheid heeft opgeleverd tot aan het afwikkelen van de nalatenschap. Vanaf zijn jeugd, zo blijkt uit zijn stellingen, is er openheid van zaken gegeven en heeft hij contact gehad met [C.]. Daarbij komt dat verzoeker een juridische vader heeft en dat niet is gesteld of gebleken dat verzoeker ooit diens juridische vaderschap heeft willen ontkennen. Verzoeker heeft zijn inleidend verzoek bijna anderhalf jaar na het overlijden van [C.] ingediend. Naar het oordeel van het hof heeft verzoeker onvoldoende rechtvaardiging gegeven voor zijn verzoek om medewerking aan het verkrijgen van DNA-bewijs in relatie tot zijn persoonlijke identiteit en ontwikkeling. Het door verzoeker gestelde belang, afgewogen tegen de belangen van verweerders acht het hof onvoldoende om te komen tot toewijzing van het verzoek tot gedwongen medewerking van verweerders, onder last van een dwangsom, aan een DNA afname en -onderzoek.
De tweede grondslag kan evenmin slagen. Voor de stelling dat ook louter biologische
verwantschap in combinatie met ‘family life’ een erfrechtelijke aanspraak zou kunnen
opleveren met betrekking tot de nalatenschap van [C.], bestaat in het Nederlandse
recht geen aanknopingspunt. Het in artikel 4:10, lid 3 BW genoemde begrip
‘familierechtelijke betrekking’ is in dit opzicht helder. De rechtbank heeft verzoeker terecht
niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van het biologisch vaderschap van
[C.]. De vraag of een dergelijke uitkomst onverenigbaar is met artikel 8, al dan niet in verbinding met artikel 14 EVRM laat het hof verder in het midden. Het vaststellen van de gevolgen van een eventuele onverenigbaarheid als hier bedoeld, gaat de rechtsvormende taak van de rechter immers te buiten (vgl. HR 24 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1642). In dit
verband is van belang hetgeen is overwogen in KR 17 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:
LJN ZC2248) met betrekking tot de juist in het erfrecht noodzakelijke rechtszekerheid. Een strakkere regel die zowel aan genoemde verdragsbepalingen voldoet als de rechtszekerheid dient, kan slechts door de wetgever worden gegeven. Voor de door verzoeker verlangde vaststelling van biologische vaderschap vormt de door hem gestelde mogelijke erfrechtelijke aanspraak met betrekking tot de nalatenschap van [C.] derhalve een ontoereikende grondslag.”
Op 25 augustus 2020 heeft mr. Wernik, namens [eiser], een brief geschreven aan het Spaarne Gasthuis waarin hij verzoekt om afgifte van een bloedmonster van [tussenkomende partij] senior aan Verilabs, met als doel definitief vast te stellen of hij de biologische vader van [eiser] is.
Op 27 oktober 2020 heeft een medewerker van het Spaarne Gasthuis mr. Wernik geïnformeerd dat het ziekenhuis niet meer beschikte over een bloedmonster van [tussenkomende partij] senior.
Op 17 november 2020 heeft dezelfde medewerker van het Spaarne Gasthuis mr. Wernik per e-mail geïnformeerd dat er nog wel enkele parafineblokjes met weefselmateriaal (hierna: de parafineblokjes) beschikbaar waren die geschikt zijn als materiaal voor een verwantschapstest. Daarbij heeft de medeweker aangegeven dat het ziekenhuis zal meewerken aan afgifte van de parafineblokjes en dat het laboratorium, dat de test zou uitvoeren, het DNA-materiaal kan opvragen bij het ziekenhuis.
Op 9 december 2020 heeft mr. Wernik namens [eiser] een brief gestuurd aan mr. Özdemir waarin hij vraagt om toestemming van [tussenkomende partij] en zijn zus om een DNA-onderzoek uit te laten voeren op de parafineblokjes.
Op 17 december 2020 heeft mr. Özdemir, namens [tussenkomende partij] en zijn zus, medegedeeld dat zijn cliënten geen toestemming verlenen voor het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek op de parafineblokjes.
Op 18 maart 2021 heeft [eiser] opnieuw een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Noord-Holland met daarin het verzoek om de gerechtelijke vaststelling van zijn ouderschap. Ook heeft [eiser] de rechtbank verzocht om toestemming te verlenen aan het Spaarne Gasthuis tot het ter beschikking stellen van de parafineblokjes aan Verilabs.
Op 15 juli 2021 heeft de rechtbank een beschikking afgegeven waarin [eiser] niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoeken. In de beschikking is onder meer opgenomen:
“DNA-onderzoek
Ter zitting is namens verzoeker het verzoek aan het Spaarne Gasthuis toestemming
te verlenen tot het ter beschikking stellen van enkele parafineblokjes met weefselmateriaal van [C.] aan Verilabs te Gouda in verband met het doen van een DNA-onderzoek, ingetrokken, zodat hierop niet meer behoeft te worden beslist.
vaststelling vaderschap
(...)
Ter zitting heeft mr. Wernik namens verzoeker verduidelijkt dat het hem gaat om
vaststelling van het biologische vaderschap van de man. Desgevraagd baseert hij dit verzoek op artikel 8 EVRM en artikel 6:162 BW. Verzoeker heeft op basis van artikel 8 EVRM het recht om te weten van wie hij afstemt en dit recht dient te worden afgewogen tegenover het belang van verweerders geen wangslijm af te staan omdat dit inbreuk zou maken op hun persoonlijke integriteit. Nu het afstaan van vangslijm niet meer nodig is omdat het Spaarne Gasthuis beschikt over lichaamsmateriaal van de man, staat er volgens verzoeker niets in de weg aan het laten plaatsvinden van een DNA onderzoek ter vaststelling van het biologisch vaderschap. Het is onrechtmatig van verweerders tegenover verzoeker hun toestemming te weigeren, voor zover
die toestemming al nodig is.
Verzoeker verzoekt gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man. Artikel 207 van Boek 1 BW regelt onder welke voorwaarden het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, vastgesteld kan worden. De wet maakt hierbij geen onderscheid tussen juridisch ouderschap en biologisch ouderschap. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden indien het kind twee ouders heeft.
Uit het in de eerdere procedure door verzoeker overgelegde afschrift van de
geboorteakte, alsmede uit het BRP-uittreksel van verzoeker blijkt dat hij reeds sinds zijn geboorte twee ouders heeft, namelijk [A.] en [B.], zodat gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man niet mogelijk is. Gelet hierop is verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man. De rechtbank verwijst in dit verband naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank, gevolgd door de beslissing van het gerechtshof Amsterdam en constateert dat sindsdien ook niet va nieuwe feiten en/of omstandigheden is gebleken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor de door verzoeker gewenste medewerking van verweerders aan een DNA onderzoek, een verzoekschriftprocedure niet de juiste rechtsingang is.”
Op 9 september 2021 heeft mr. Wernik, namens [eiser], een brief gestuurd aan het Spaarne Gasthuis waarin hij aankondigt dat Verilabs contact zal opnemen met het ziekenhuis voor de afgifte van de parafineblokjes.
Op 28 september 2021 heeft een medewerker van het Spaarne Gasthuis per e-mail bericht dat het Spaarne Gasthuis eerder inderdaad had aangegeven bereid te zijn om mee te werken aan het leveren van de parafineblokjes, maar dat nadien [tussenkomende partij] contact met het ziekenhuis heeft opgenomen en zich sterk verzette tegen de afgifte. Ook heeft de medewerker aangegeven dat het voor het ziekenhuis lastig is om de belangen van [eiser] en [tussenkomende partij] tegen elkaar af te wegen en tot een beslissing te komen tot het al dan niet afstaan van DNA-materiaal. Het ziekenhuis heeft medegedeeld om die reden niet over te gaan tot het ter beschikking stellen van de parafineblokjes voor DNA-onderzoek door [eiser].