Home

Rechtbank Noord-Holland, 22-06-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:5079, C/15/315299 / HA ZA 21-206

Rechtbank Noord-Holland, 22-06-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:5079, C/15/315299 / HA ZA 21-206

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22 juni 2022
Datum publicatie
23 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2022:5079
Zaaknummer
C/15/315299 / HA ZA 21-206

Inhoudsindicatie

persoonlijke aansprakelijkheid curator; "Maclou" norm; weliswaar in strijd met een regel gehandeld, maar in de gegeven omstandigheden geen persoonlijke aansprakelijkheid.

Uitspraak

vonnis

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats [plaats 1]

zaaknummer / rolnummer: C/15/315299 / HA ZA 21-206

Vonnis van 22 juni 2022

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRO DEV B.V.,

gevestigd te Haarlem,

2. [eiser],

wonende te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. M.S.F. Loor te Zaandam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.E. Warendorf te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

Eisers zullen – voor zover van belang – afzonderlijk Pro Dev en [eiser] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 9 maart 2022;

-

pleitnota van mr. Loor;

-

pleitaantekeningen van mr. Warendorf;

-

de aantekeningen van de griffier van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht tijdens de mondelinge behandeling van 16 mei 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De zaak in het kort

2.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die [eiser] c.s. stelt te hebben geleden door het handelen van [gedaagde] die curator was in het faillissement van H’lem Afbouw B.V, waarvan zij (indirect) bestuurder waren. De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagde] al het hem verweten handelen heeft verricht in zijn hoedanigheid van curator. Verder is de conclusie dat [gedaagde] door het niet afgeven van een deel van de administratie weliswaar heeft gehandeld in strijd met een wettelijke regel maar dat dit in de gegeven omstandigheden er niet toe kan leiden dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de door [eiser] c.s. gestelde schade. Het verder aan hem verweten handelen toetst de rechtbank aan de “Maclou” norm en die toetsing leidt evenmin tot persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] . De vordering van [eiser] c.s. wordt daarom afgewezen.

Feiten

2.2.

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 september 2016 is bouwbedrijf H’lem Afbouw B.V. in staat van faillissement verklaard (hierna: het faillissement) met aanstelling van [gedaagde] als curator (hierna: [gedaagde] q.q. / de curator).

2.3.

Pro Dev was van 1 april 2011 tot 22 juli 2016 enig aandeelhouder en bestuurder van H’lem Afbouw B.V. Sinds 22 juli 2016 is H’lem Bouw B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van H’lem Afbouw B.V. [eiser] is enig aandeelhouder en bestuurder van zowel Pro Dev als H’lem Afbouw B.V. en in die hoedanigheid indirect bestuurder en enig aandeelhouder van H’lem Afbouw B.V.

2.4.

[gedaagde] q.q. heeft de advocaat van enkele concurrente schuldeisers op 10 april 2017 per e-mail het volgende bericht gestuurd:

Ik kan je meedelen dat een accountant de administratie heeft beoordeeld. Aan de hand van zijn onderzoek kan de conclusie worden getrokken dat de bestuurder na het eerste kwartaal de stekker uit de onderneming had moeten trekken. Toen was immers voor hem duidelijk dat de onderneming niet meer levensvatbaar was. In een gesprek met de bestuurder heb ik dit aangegeven maar vooralsnog wijst hij elke aansprakelijkheid af. Ik zal op korte termijn een dagvaarding voorbereiden.

2.5.

[gedaagde] q.q. en [eiser] c.s. zijn in juli 2017 een vaststellingsovereenkomst overeengekomen (hierna: de vaststellingsovereenkomst). [gedaagde] q.q. heeft zich daarbij verplicht de volgende tekst in het faillissementsverslag op te nemen:

In de afgelopen verslagperiode heeft de curator overleg gevoerd met de bestuurder ter zake de stelling van de curator dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet en dat de bestuurder als gevolg hiervan aansprakelijk is. De bestuurder heeft uitgebreid tekst en uitleg gegeven en zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid, Omdat de bestuurder van dit geschil af wil zijn, is door de bestuurder € 120.000,00 aan de boedel betaald tegen finale kwijting over en weer.

2.6.

Artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst luidt:

Partijen verplichten zich tot geheimhouding van alle gegevens, achtergronden en informatie ten aanzien van de minnelijke schikking tenzij deze gegevens, achtergronden en informatie van algemene bekendheid zijn dan wel openbaarmaking wettelijk verplicht is.

2.7.

Het openbare faillissementsverslag van de curator van 15 november 2017 vermeldt het volgende:

7.5

Onbehoorlijk bestuur

In onderzoek

1-5-2017

De curator meent dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet. Als gevolg hiervan is failliet doorgegaan met het aangaan van verplichtingen terwijl de bestuurder wist of behoorde te weten dat failliet deze verplichtingen niet meer kon nakomen. Hierdoor hebben schuldeisers schade geleden waarvoor de bestuurder aansprakelijk is, zo meent de curator. De curator is hierover in overleg getreden met de bestuurder. Deze wijst echter elke aansprakelijkheid af. De curator beraadt zich op te ondernemen stappen.

31 juli 2017

In de afgelopen verslagperiode heeft de curator overleg gevoerd met de bestuurder ter zake de stelling van de curator dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet en dat de bestuurder als gevolg hiervan aansprakelijk is. De bestuurder heeft uitgebreid tekst en uitleg gegeven en zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid. Omdat de bestuurder van dit geschil af wil zijn, is door de bestuurder € 120.000,-- aan de boedel betaald tegen finale kwijting over en weer.

2.8.

[gedaagde] schrijft op 4 december 2017 per e-mail aan [eiser] :

(...) Naar verwachting zal het faillissement in januari/februari 2018 zijn afgewikkeld.

Ik heb nog een 12tal mappen. Als bestuurder van de vennootschap verzoek ik u deze mappen op korte termijn op te halen en te bewaren.

2.9.

Het faillissement is op 21 februari 2018 door middel van een vereenvoudigde afwikkeling ex artikel 137a Faillissementswet (Fw) opgeheven.

2.10.

Bij kort geding vonnis van deze rechtbank van 13 september 2018 (hierna: het kort geding vonnis) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de curator niet gehouden is tot afgifte aan [eiser] (als schuldenaar) van alle boeken en bescheiden als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw. Wel dient hij een kopie van die stukken aan [eiser] af te geven, teneinde deze in staat te stellen tot verweer, mocht het tot een procedure komen. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de concurrente schuldeisers tot afgifte van bepaalde bescheiden grotendeels toegewezen. De beslissing in dit vonnis luidt:

5.3.

gebiedt [gedaagde] q.q. op eerste verzoek van Bolle en Zoon B.V. c.s. doch niet eerder dan 30 dagen na betekening van dit vonnis, aan Bolle en Zoon B.V. c.s., (...) kopieën van de (financiële) administratie van H’lem Afbouw voor zover die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van de curator is beoordeeld af te geven,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

2.11.

Bij kort geding vonnis van deze rechtbank van 19 oktober 2018 (hierna: het executie vonnis) heeft de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] en H’lem Bouw B.V. tot het schorsen van de tenuitvoerlegging van de beslissing onder 5.3. van het kort geding vonnis afgewezen.

2.12.

Op 25 oktober 2018 heeft de curator - na sommatie daartoe - kopieën van de (financiële) administratie van H’lem Afbouw B.V., voor zover die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van de curator is beoordeeld, afgegeven aan de concurrente schuldeisers.

2.13.

Bij arrest van Hof Amsterdam van 10 december 2019 (hierna: het arrest) is het kort geding vonnis vernietigd voor zover dit is gewezen tussen [eiser] /H’lem Bouw B.V. en de curator. Het hof heeft de curator veroordeeld tot afgifte aan H’lem Bouw B.V. (bestuurder van H’lem Afbouw B.V.) van alle boeken en bescheiden van H’lem Afbouw B.V. als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw, voor zover nog niet aan [eiser] of H’lem Bouw B.V. overhandigd. Het hof heeft de curator verboden om tot afgifte van stukken die behoren tot de boeken en bescheiden van H’lem Afbouw B.V. als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw aan derden over te gaan.

2.14.

Bij vonnis van 17 juni 2020 van deze rechtbank is [eiser] c.s. gelet op zijn positie als bestuurder op grond van art. 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) veroordeeld tot betaling van in totaal circa € 90.000,00 aan de concurrente schuldeisers wegens aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van H’lem Bouw.

2.15.

In een brief van 24 juli 2020 van de advocaat van [eiser] c.s. aan [gedaagde] staat onder meer:

Allereerst heeft cliënte door uw handelen kosten moeten maken in de verschillende procedures (...). Ook stelt cliënte u aansprakelijk voor de overige kosten gemaakt in de verschillende procedures tegen zowel u als de verschillende crediteuren van H’lem Afbouw B.V. (u welbekend. De totale kosten hiervan bedragen €30.735,24).

Verder direct gevolg van uw handelen is dat de met cliënte gesloten vaststellingsovereenkomst van 27 juli 2017 (en meer in het bijzonder het in artikel 5 opgenomen geheimhoudingsbeding) niet bent nagekomen en ook niet meer kan worden nagekomen. Cliënte ontbindt dan ook de vaststellingsovereenkomst en vordert betaling van het door haar betaald bedrag van € 120.000,00. Nu de boedel deze niet meer kan voldoen, geldt dat ook dit schade is die cliënte heeft geleden door uw handelen en waarvoor u persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] c.s. vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

  1. € 150.735,24, te vermeerderen met de contractuele vertragingsrente over dat bedrag vanaf 10 december 2019 tot aan de dag van algehele betaling;

  2. € 2.282,35 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 december 2019 tot aan de dag van algehele betaling;

de kosten van de procedure, het salaris van de advocaat, het griffierecht en de deurwaarderskosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de datum van opeisbaarheid, alsmede in de eventuele afwikkelingskosten welke door de deurwaarder aan [eiser] c.s. worden berekend, indien deze met de executie van het vonnis wordt belast.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] c.s. ten grondslag dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is, omdat hij onrechtmatig heeft gehandeld door bij het einde van het faillissement niet alle administratie aan de bestuurder van de failliet af te geven waardoor deze uiteindelijk bij concurrente schuldeisers terecht is gekomen. Verder heeft [gedaagde] doelbewust medewerking verleend aan het starten van een procedure door concurrente schuldeisers tegen [eiser] c.s. waarbij hij heeft gehandeld in strijd met de vaststellingsovereenkomst en geen rekening heeft gehouden met de belangen van [eiser] c.s. Primair stelt [eiser] c.s. dat [gedaagde] ook zonder dat hem een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, aansprakelijk is voor de door [eiser] c.s. geleden schade, omdat [gedaagde] met betrekking tot het voorgaande niet in hoedanigheid van curator handelde. Subsidiair voert [eiser] c.s. aan dat voor zover [gedaagde] wel q.q. handelde, hem een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt en dat is voldaan aan de voorwaarden die in de jurisprudentie worden gesteld aan aansprakelijkstelling van een curator persoonlijk (pro se).

3.3.

Door het handelen van [gedaagde] heeft [eiser] c.s. schade geleden. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de vaststellingsovereenkomst heeft [eiser] c.s. deze ontbonden en heeft hij recht op terugbetaling van het door hem betaalde schikkingsbedrag van € 120.000,-. Dat is niet mogelijk omdat de boedel leeg is. Verder heeft [eiser] c.s. door toedoen van [gedaagde] kosten moeten maken om zijn juridische positie veilig te stellen en heeft de boedel de proceskosten die de boedel aan [eiser] c.s. had moeten betalen, niet voldaan. Ook deze kosten zijn het gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en komen daarom voor zijn rekening.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing