Rechtbank Noord-Holland, 29-06-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:5623, C/15/312270 / HA ZA 21-39
Rechtbank Noord-Holland, 29-06-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:5623, C/15/312270 / HA ZA 21-39
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 29 juni 2022
- Datum publicatie
- 25 juli 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5623
- Zaaknummer
- C/15/312270 / HA ZA 21-39
Inhoudsindicatie
onbehoorlijk bestuur, onrechtmatige daad, oprichten concurrerende onderneming, boetebeding, schade, opvorderen rekeningcouranschuld bij één van de twee aandeelhouders door de vennootschap, redelijkheid en billijkheid
Uitspraak
vonnis
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/312270 / HA ZA 21-39
Vonnis van 29 juni 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTERSALESCOMPANY B.V.,
gevestigd te Purmerend,
eiseres,
advocaat mr. J. van Mens te Amsterdam,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. H.B. de Regt LLM. te Alkmaar.
Partijen zullen hierna ISC, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagden]
De zaak in het kort
[gedaagde 2] heeft de managementovereenkomst die zij had gesloten met ISC opgezegd per 19 juni 2020. [gedaagde 1] , haar enig bestuurder en aandeelhouder, is een eigen bedrijf gestart in dezelfde branche als ISC werkzaam was. ISC vordert in deze procedure schadevergoeding van [gedaagden] op grond van onbehoorlijk bestuur/onrechtmatige daad, betaling van een boete vanwege het schenden van het in de managementovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding en voldoening van de rekening-courantschuld van [gedaagde 2] De rechtbank wijst de vorderingen af, waarbij de vaststelling dat de onderneming van ISC inmiddels met toestemming van de betrokkenen was geëindigd een grote rol speelt.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het vonnis in het incident van 11 augustus 2021;
- -
-
het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 25 augustus 2021 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;
- -
-
de antwoordakte tevens houdende akte wijziging van eis van de zijde van ISC;
- -
-
de akte overlegging producties van de zijde van ISC;
- -
-
de akte in het geding brengen nadere producties van de zijde van [gedaagden] ;
- -
-
de antwoordakte en akte in het geding brengen nadere producties tevens houdende verzet tegen de wijziging van eis subsidiair verwijzing voor het nemen van een conclusie voor een nadere reactie op eiswijzigingen met producties van de zijde van [gedaagden] ;
- -
-
de op 18 maart 2022 gehouden mondelinge behandeling waar partijen bijgestaan door hun advocaten zijn verschenen. De griffer heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Van Mens en De Regt hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn van de processtukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde 1] heeft samen met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) op 1 juni 2007 ISC opgericht.
ISC drijft een onderneming in de wervings- en selectiebranche van salespersoneel.
De beheervennootschappen van [gedaagde 1] en [naam 1] , respectievelijk [gedaagde 2] en [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) zijn de statutair bestuurders van ISC. [naam 1] en [gedaagde 1] houden ieder via hun beheervennootschappen 50% van de aandelen in het kapitaal van ISC.
ISC heeft met zowel [gedaagde 2] als [bedrijfsnaam 1] een gelijkluidende managementovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst, gedateerd op 30 mei 2017, is onder meer het navolgende opgenomen:
“6.1. Zowel gedurende de looptijd als na de beëindiging van de onderhavige overeenkomst zullen de holding, alsmede de functionaris strikte geheimhouding in acht nemen ten aanzien van alle bijzonderheden, feiten en/of omstandigheden en gegevens betreffende de B.V. en/of daarmee op enigerlei wijze, direct of indirect, gelieerde ondernemingen. (..)
Bij overtreding van het in lid 1 van onderhavig artikel bepaalde zullen de holding en/of de functionaris een door de B.V. onmiddellijk opeisbare en niet voor matiging vatbare boete verbeuren van € 5.000,-- per overtreding, vermeerderd met € 500,-- voor iedere dag waarop de overtreding eventueel voortduurt, onverminderd de overige rechten van de B.V. krachtens de Wet of de onderhavige overeenkomst, zoals onder meer een verbod te vorderen, een volledige schadevergoeding te eisen, alsmede tot beëindiging van de onderhavige overeenkomst over te gaan.
Artikel 7
De onderhavige overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd.
Ieder der partijen is bevoegd de onderhavige overeenkomst door opzegging te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, indien de holding geen aandelen meer, direct of indirect, in eigendom heeft in het kapitaal van de B.V..
In afwijking van het bepaalde in de eerste twee leden van onderhavig artikel kan de B.V. de onderhavige overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen, indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden zal (zullen) voordoen:
a. de holding wordt in staat van faillissement verklaard;
b. aan de holding wordt (voorlopige) surséance van betaling verleend;
c. de holding wordt ontbonden;
d. de functionaris wordt in staat van faillissement verklaard;
e. aan de functionaris wordt (voorlopige) surséance van betaling verleend;
f. de functionaris wordt onder curatele gesteld;
g. bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is de functionaris wegens misdrijven strafrechtelijk veroordeeld;
h. de functionaris wordt onder bewind gesteld;
i. de functionaris is overleden;
j. in rechte wordt vastgesteld dat de holding als bestuurder van de B .V. mismanagement heeft gepleegd;
k. in rechte wordt vastgesteld dat de functionaris mismanagement heeft gepleegd en wel door als bestuurder van de holding te handelen, respectievelijk na te laten, in strijd met de verplichting om voor een goed bestuur van de B.V. zorg te dragen.
In afwijking van het bepaalde in de eerste twee leden van onderhavig artikel kan de holding de onderhavige overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen, indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden zal (zullen) voordoen:
a. de B.V. is in staat van faillissement verklaard;
b. aan de B.V. wordt (voorlopige) surséance van betaling verleend;
c. de B.V. wordt ontbonden;
d. de B.V. handelt zodanig in strijd met de Wet en/of de inhoud van de onderhavige
overeenkomst, dat van de holding in redelijkheid niet verlangd kan worden de
naleving van de onderhavige overeenkomst voort te zetten.
Ingeval beëindiging op grond van de inhoud van onderhavig artikel plaatsvindt, zal per datum van beëindiging alsdan de eventueel bestaande vordering van de functionaris en/of de holding op de B.V., uit welke hoofde ook, direct door de B.V. aan de functionaris en/of de holding worden voldaan. Eveneens zal een vordering van de B.V. op de functionaris en/of de holding, uit welke hoofde ook, direct door de functionaris en/of de holding worden voldaan.”
Op 2 januari 2020 heeft [gedaagde 1] aan [naam 1] te kennen gegeven - kort gezegd - de samenwerking met [naam 1] in ISC te willen beëindigen.
Onder leiding van een mediator hebben partijen in de periode van januari tot en met maart 2020 gesproken over - kort gezegd - de toekomst van ISC. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
Op 19 maart 2020 heeft [gedaagde 1] de overeenkomst tussen hem en ISC opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, zodat deze per 19 juni 2020 is geëindigd. In verband hiermee heeft onder meer de navolgende e-mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden.
Per e-mail van 19 maart 2020 bericht [gedaagde 1] aan [naam 1] als volgt:
“(..)
jammer om te concluderen dat we er niet uit gaan komen.
In het kader van de Coronacrises hebben we nu een aantal dingen te regelen. We hebben momenteel geen enkele opdrachtgever die nog actief een vacature heeft uitstaan bij ons. (..)
Zoals eerder al samen besproken heb ik de huur opgezegd. (..)
Daarnaast dienen we de volgende zaken op te zeggen:
- -
-
Tritel (..)
- -
-
Carerix (..)
- -
-
Nationale Vacaturebank (..)
- -
-
Monsterboard (..)
- -
-
Afix (..).”
Per e-mail van 23 maart 2020 reageert [naam 1] aan [gedaagde 1] als volgt:
“Prima om onderstaande zaken op te zeggen met ingang van heden. (..) Laat me even weten wie wat oppakt en laten we waar het kan kosten besparen.”
Op 29 april 2020 heeft [gedaagde 1] in het handelsregister een eenmanszaak ingeschreven onder de naam “ [bedrijfsnaam 2] ”. Onder het kopje activiteiten van de eenmanszaak is in het handelsregister het navolgende opgenomen:
“(..) Arbeidsbemiddeling Werving- en selectie / executive search van Sales- & Marketingprofessionals en executive posities.”
In een e-mail van 5 juni 2020 schrijft de mediator aan [gedaagde 1] en [naam 1] onder meer:
“Conclusie is, dat jullie beiden de B.V. Intersales Company B.V. wensen te liquideren. Naar mijn mening is het raadzaam om het stappenplan hieromtrent verder met elkaar overeen te komen.”
In antwoord hierop schrijft [naam 1] in een e-mail van 8 juni 2020 aan [gedaagde 1] en de mediator onder meer:
“Ik ga inderdaad akkoord met opheffen en dan wel zo snel mogelijk.”
De internetsite van [bedrijfsnaam 2] is op 18 juni 2020 online gegaan. Op de site staan bij aanvang diverse relaties vermeld.
Bij brief van 16 september 2020 heeft (de raadsman van) ISC onder meer het navolgende aan [gedaagden] bericht:
“4. Rekening-courant schuld
Tot slot volgt uit bijlage 3 bij deze brief dat ISC een rekening-courant vordering op [gedaagde 1] heeft ten bedrage van € 103.407,48. Doordat u de managementovereenkomst heeft opgezegd en u uw werkzaamheden reeds enkele maanden heeft neergelegd, dient [gedaagde 1] conform artikel 7.5 (laatste zin) van de managementovereenkomst, de vordering van ISC op [gedaagde 1] per direct te betalen. Voor het geval artikel 7.5 van de management niet van toepassing zou zijn op onderhavige situatie (..) dan eist ISC de rekening-courant vordering van haar op [gedaagde 1] van € 103.407.48 hierbij per direct op.”
Na daartoe van de Voorzieningenrechter op 27 november 2020 verkregen verlof, heeft ISC ten laste van [gedaagde 1] conservatoir beslag gelegd op zijn woonhuis.