Home

Rechtbank Noord-Holland, 19-07-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6525, C/15/326130 / HA RK 22-51

Rechtbank Noord-Holland, 19-07-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6525, C/15/326130 / HA RK 22-51

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19 juli 2022
Datum publicatie
27 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2022:6525
Zaaknummer
C/15/326130 / HA RK 22-51

Inhoudsindicatie

Verzoek veroordeling tot verwijdering BKR-registratie uit het CKI toegewezen. Geen sprake meer van een kredietrisico waartegen kredietverstrekkers moeten worden beschermd en verweerder hoeft niet te worden beschermd tegen overkreditering.

Uitspraak

beschikking

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/326130 / HA RK 22-51

Beschikking van 19 juli 2022

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. L.J.J. van Asseldonk te Tilburg,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en ING worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met de producties 1 t/m 24, ontvangen op 9 maart 2022;

-

het verweerschrift met de producties 1 t/m 24;

-

de herziene versie (vermeerdering van eis) van het verzoekschrift met productie 25;

-

de mondelinge behandeling op 21 juni 2022, de daarvan door de griffier bijgehouden aantekeningen en de door mr. Van Asseldonk overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] heeft gedurende veertien jaar als zelfstandig ondernemer een klusbedrijf gehad. ING heeft hem ten behoeve van zijn bedrijf een werkkapitaalkrediet verstrekt in de vorm van een zakelijke rekening-courant.

2.2.

In 2015 heeft [verzoeker] zijn klusbedrijf gestaakt. Overeenkomstig de Algemene Bepalingen van Kredietverlening heeft ING de vordering op [verzoeker] vervolgens volledig opgeëist.

2.3.

ING heeft vervolgens Vesting Finance ingeschakeld voor het incasseren van haar vordering op [verzoeker].

2.4.

In verband met de opeising van de vordering en de achterstand in de terugbetaling van de vordering heeft ING de kredietovereenkomst met [verzoeker] op 16 juli 2015 in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het BKR laten registreren met de code A (achterstand) en code 2 (opeising).

2.5.

Na het stoppen met zijn klusbedrijf heeft [verzoeker] gedurende enkele maanden een uitkering ontvangen totdat hij een nieuwe baan had in loondienst. Zijn huidige salaris is € 2.500,- bruto per maand.

2.6.

Toen hij weer werk had, heeft [verzoeker] afspraken gemaakt met Vesting Finance over de terugbetaling van de vordering van ING. In het begin loste [verzoeker] € 25,- per maand af. Vanaf september 2016 heeft hij de maandelijkse terugbetalingen verhoogd naar € 350,- per maand. [verzoeker] heeft dit bedrag tot en met december 2019 maandelijks voldaan. Daarnaast heeft hij in oktober en december 2019 extra betalingen verricht van € 3.500,- respectievelijk € 2.878,93. Met die laatste betaling was de vordering van € 20.437,93 volledig voldaan.

2.7.

In het CKI is bij de BKR-registratie van [verzoeker] als werkelijke einddatum 31 december 2019 opgenomen. De registratie van [verzoeker] blijft volgens het Algemeen Reglement CKI zichtbaar tot 31 december 2024.

2.8.

Op 22 september 2020 heeft AR Solutions namens [verzoeker] een verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie ingediend bij ING. Op 2 oktober 2020 is het verzoek door [verzoeker] aangevuld met een brief van de advocaat van zijn ex-partner waar in staat dat [verzoeker] een termijn van twee weken krijgt om financiering te regelen om de voormalige gezamenlijke woning, waarin [verzoeker] nog woonde, over te nemen en zijn ex-partner te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Op 21 oktober 2020 heeft Vesting Finance het verzoek tot verwijdering van de registratie namens ING afgewezen.

2.9.

AR Solutions heeft op 27 oktober 2020 namens [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing en heeft verzocht om – wanneer ING zich op het standpunt blijft stellen dat de algemene belangen zwaarder wegen dan de belangen van [verzoeker] – dit standpunt met redenen te omkleden. Vesting Finance heeft het verzoek namens ING op 17 november 2020 opnieuw afgewezen.

2.10.

De voormalige gezamenlijke woning van [verzoeker] en zijn ex-partner is op 26 november 2020 verkocht. Bij gebrek aan eigen woonruimte is [verzoeker] vervolgens bij zijn zus gaan wonen. Daar woont hij nu nog steeds.

2.11.

Op 17 december 2021 heeft AR Solutions namens [verzoeker] opnieuw een verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie gedaan aan Vesting Finance. Op 26 januari 2022 heeft Vesting Finance het verzoek namens ING opnieuw afgewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, ING te veroordelen:

I. tot het (doen) verwijderen van de coderingen A en 2 bij de registratie van de kredietovereenkomst met contractnummer 9319240 in het Centraal Krediet Informatiesysteem van het BKR binnen 48 uur na dagtekening van deze beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat ING in gebreke blijft aan deze beschikking te voldoen met een maximum van € 250.000,-;

II. tot het betalen van een schadevergoeding ex artikel 82 AVG voor de door [verzoeker] geleden materiële en immateriële schade voor een bedrag van € 7.290,-;

III. in de kosten van dit geding en de nakosten, onder de bepaling dat ING over de proceskosten en de nakosten wettelijke rente verschuldigd wordt indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van de in dezen te wijzen beschikking door ING zijn voldaan.

3.2.

[verzoeker] stelt – kort samengevat – dat ING ten onrechte verwijdering van de BKR-registratie uit het CKI heeft geweigerd. De opeising van de vordering was het gevolg van het staken van zijn onderneming als gevolg van tegenvallende resultaten. Van wanbetaling is geen sprake geweest. In de afgelopen zes jaar heeft [verzoeker] laten zien dat hij beschikt over een zeer goede betaalmoraal. Hij heeft elke maand het afgesproken bedrag voldaan en heeft aan het eind zelfs twee keer een extra betaling gedaan. In minder dan vier jaar tijd heeft hij zo de volledige vordering van € 20.437,93 voldaan. Zowel de betaalgeschiedenis als de huidige financiële situatie van [verzoeker] vormen geen verhoogd risico voor de financiële markt. Als gevolg van de BKR-registratie kon [verzoeker] geen hypothecaire geldlening krijgen om zijn ex-partner uit te kopen en heeft hij zijn woning in 2020 moeten verkopen. Ook nu belemmert de registratie het verkrijgen van een hypothecair krediet voor een nieuwe woning. De kosten voor een huurwoning in de vrije sector liggen te hoog en voor een sociale huurwoning komt [verzoeker] in verband met de lange wachtlijsten nog altijd niet in aanmerking. Hij woont daarom noodgedwongen nog steeds bij zijn zus. Het belang van [verzoeker] bij verwijdering van de registratie zodat hij een woning kan kopen weegt daarom zwaarder dan de belangen bij instandhouding van de registratie, aldus [verzoeker].

3.3.

ING voert verweer. Zij heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat het belang van [verzoeker] niet prevaleert boven het algemeen belang van een goed werkend en correct CKI waarin kredietverstrekkers de juiste informatie over [verzoeker] vinden op het moment dat hij zich meldt voor een financieringsaanvraag.

4 De beoordeling

5 De beslissing