Home

Rechtbank Noord-Holland, 26-01-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:943, 9302729 CV EXPL 21-4351

Rechtbank Noord-Holland, 26-01-2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:943, 9302729 CV EXPL 21-4351

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26 januari 2022
Datum publicatie
24 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2022:943
Zaaknummer
9302729 CV EXPL 21-4351

Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld en toekenning immateriële schadevergoeding

Uitspraak

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9302729 \ CV EXPL 21-4351

Uitspraakdatum: 26 januari 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M. Kluft

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.I. Vervest

De zaak in het kort

In deze zaak vordert [eiser] dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Ook vordert hij - wegens dat onrechtmatig handelen - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,-. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 750,- (exclusief btw).

De kantonrechter acht zich bevoegd om van de zaak kennis te nemen. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen. De schadevergoeding is slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 400,- (wegens geleden immateriële schade). De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 72,60 inclusief btw. Iedere partij dient de eigen proceskosten te dragen.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 15 juni 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 Feiten

2.1.

Eind maart 2018 heeft [gedaagde] , destijds lijsttrekker van [politieke partij] [woonplaats] , een brief/e-mail gezonden aan de lijsttrekkers van de aan de coalitieonderhandelingen deelnemende fracties van de gemeenteraad in [woonplaats] (hierna te noemen: de brief van eind maart 2018). Hierin is vermeld:

‘Collega’s,

Wij willen jullie allemaal meer en beter informeren over de situatie van onze oud voorzitter [eiser] . (...) Al geruime tijd (...) heeft [eiser] aangeven dat zijn gezondheid problemen geeft. Hij weet op momenten niet meer waar hij is, wat hij doet en wat hij zegt. Dit heeft te maken met epilepsie en dat vinden wij heel erg voor [eiser] . Hierdoor doet hij uitlatingen waarvan hij later moeite heeft met hetgeen er gebeurd is en het lastige dat hij het ook niet helemaal meer weet. Afgelopen Donderdag heeft hij in alle rust met een delegatie van bestuur en fractie aangegeven te stoppen met politiek. (...) De verwarring wordt versterkt als hij in een stress situatie gevoel krijgt dat hij aangevallen wordt of niet begrepen wordt. (...). Dan doet hij uitspraken of post teksten op sociale media wat politiek incorrect is. (...)

Namens bestuur en fractie van [politieke partij] [woonplaats]

[gedaagde] ’

2.2.

Op 4 juni 2018 heeft [XX] , fractielid van [politieke partij] [woonplaats] , een brief aan diezelfde lijsttrekkers gestuurd. Hierin is vermeld:

‘In een eerder verzonden mail aan u als lijsttrekker (kantonrechter: waarmee is bedoeld de bovengenoemde brief van eind maart 2018) hebben wij, bestuur en fractie van [politieke partij] [woonplaats] , getracht een verklaring geven voor de onrust rondom onze partijoprichter [eiser] .

Hierin zijn achteraf onterecht details en niet op waarheid gebaseerde feiten over zijn gezondheidstoestand vermeld.

Hierdoor is hij persoonlijk beschadigd waarvoor wij onze excuses aan [eiser] en aan alle fracties willen aanbieden.

Het bestuur en fractie heeft in een goed gesprek met [eiser] duidelijkheid gegeven over de situatie omtrent de mail.

Dit vervolgens constructief naar elkaar uitgesproken en heeft [eiser] besloten alleen nog in een adviserende rol en natuurlijk als belangrijkste ledenwerver te gaan optreden.

(...)

Namens fractie en bestuur [politieke partij] [woonplaats]

[XX] ’

2.3.

Op 29 december 2018 heeft [gedaagde] een e-mail naar het bestuur en een aantal (steun) fractieleden van [politieke partij] [woonplaats] gezonden waarin is vermeld:

́Hoi,

(...)

Gewoon even ter info en het verzoek die man (kantonrechter: waarmee is bedoeld [eiser] ) op te laten nemen in een kliniek voor ernstig verstandelijk beperkten.

(...)

Groet [gedaagde] ’

2.4.

Op 30 september 2019 heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard om voor de kantonrechter te verschijnen. Bij die dagvaarding heeft hij gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het in maart 2018 zonder toestemming van [eiser] in de openbaarheid brengen van medische en vertrouwelijke gegevens over [eiser] en het op 29 december 2018 via e-mail verspreiden van uiterst grievende en onjuiste uitlatingen over [eiser] . Ook heeft [eiser] bij die dagvaarding gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 750,- en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 750,- exclusief btw. Daarnaast heeft [eiser] bij die dagvaarding gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde] verbiedt zich nog onnodig grievend uit te laten over [eiser] , op straffe en een dwangsom van € 200,- voor elke uitlating.

2.5.

Bij vonnis van 30 oktober 2019 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van die zaak kennis te nemen omdat de vordering van onbepaalde waarde is. De kantonrechter heeft bij dat vonnis de zaak verwezen naar de sectie Handel en Insolventie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. De procedure is na verwijzing echter niet voortgezet.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door:

a. het in maart 2018 zonder toestemming van [eiser] in de openbaarheid brengen van medische en vertrouwelijke gegevens over [eiser] ;

b. het op 29 december 2018 via e-mail verspreiden van uiterst grievende en onjuiste uitlatingen over [eiser] ;

II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,- dan wel een door de kantonrechter vast te stellen lager bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

III. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 750,- exclusief btw.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] bij bovengenoemde brief van eind maart 2018 zonder zijn toestemming (en zonder toestemming van het bestuur van [politieke partij] [woonplaats] ) uiterst vertrouwelijke, privacy-gevoelige en medische gegevens in de openbaarheid heeft gebracht. In die brief wordt een beeld geschetst van een verwarde man die niet meer weet wat hij doet en zegt. Dit is uitermate kwetsend en grievend. Ook bij bovengenoemde e-mail van 29 december 2018 heeft [gedaagde] zonder toestemming van [eiser] grievende en aantoonbaar onjuiste informatie over zijn gezondheidssituatie naar buiten gebracht. Hierdoor heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld, onder andere wegens strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

3.3.

Door dit onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft [eiser] schade geleden. De goede naam van [eiser] is door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] zodanig aangetast, dat [eiser] genoodzaakt is geweest af te treden als partijleider. Ook in zijn werkzaamheden buiten de partij, zoals in zijn kapsalon, heeft [eiser] als gevolg van de uitlatingen van [gedaagde] veel hinder en last ondervonden. Sommige cliënten van [eiser] wilden zelfs niet meer door hem worden geknipt. Ook in zijn privé-leven worden de uitlatingen over zijn gezondheid regelmatig tegen hem gebruikt.

3.4.

Hierom dient [gedaagde] een schadevergoeding van € 1.500,- aan [eiser] te betalen.

3.5.

Ook dient [gedaagde] de in verband met deze kwestie gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 750,- exclusief btw te vergoeden.

4. Het verweer

4.1.

Primair voert [gedaagde] aan dat de kantonrechter niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, omdat de gevorderde verklaring voor recht een vordering van onbepaalde waarde is. In dit verband wijst [gedaagde] erop dat de kantonrechter zich in de eerder door [eiser] aangespannen procedure ook onbevoegd heeft verklaard.

4.2.

Voor zover de kantonrechter zich wel bevoegd acht, moet de vordering volgens [gedaagde] worden afgewezen, omdat [gedaagde] niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Hij voert hiertoe – samengevat – het volgende aan.

4.3.

De brief van eind maart 2018 is door [gedaagde] samen met mede fractielid [XX] en de heer [ZZ] (gemandateerd campagneleider van [politieke partij] [woonplaats] ) opgesteld. De brief was bedoeld om de andere onderhandelaars te informeren over het door [eiser] aangekondigde uittreden uit de politiek en om de verhalen die in het dorp de ronde deden (over een ‘stammenstrijd’ in de partij) te ontkrachten. De brief is niet openbaar gemaakt, maar is gestuurd aan de coalitie-onderhandelaars van de lokale politieke partijen.

4.4.

Wat in de brief is beschreven, is door [eiser] zelf eerder al in de kapsalon waar hij werkt besproken en ook in de fractiekamer in aanwezigheid van de (steun)fractie van [politieke partij] [woonplaats] en bij het lokale gemeentebestuur. [eiser] vertelde aan ieder die dat maar wilde horen dat hij soms niet meer wist wat hij deed doordat hij epilepsie had. Hij heeft dus zelf de gegevens in de openbaarheid gebracht.

4.5.

Overigens gingen het bestuur en de fractie van [politieke partij] [woonplaats] ervan uit dat de zaak was afgedaan door de verzending (op verzoek van [eiser] ) van de brief van 4 juni 2018.

4.6.

De e-mail van 29 december 2018 is slechts verzonden binnen de partij. Dit kan evenmin worden gekwalificeerd als een openbaarmaking. De inhoud van dat bericht is weliswaar niet fraai, maar is ingegeven door de emotie die [gedaagde] ondervond doordat [eiser] aan alle leden een bericht had gestuurd dat zij hun lidmaatschap moesten opzeggen.

4.7.

[gedaagde] betwist dat [eiser] door de verzending van de berichten van eind maart 2018 en 29 december 2018 schade heeft geleden. [eiser] is niet als gevolg van die berichtgeving teruggetreden, maar heeft dit al eerder vrijwillig gedaan. Evenmin is [eiser] op zakelijk gebied geschaad. Weliswaar knipt [eiser] nog regelmatig in de kapsalon van zijn zoon, maar hij is zelf geen eigenaar van die salon en heeft de pensioengerechtigde leeftijd al bereikt.

4.8.

Ook de hoogte van de schade is niet onderbouwd. Bovendien is het opmerkelijk dat [eiser] na de eerder ingestelde procedure de zaak een tijd heeft laten liggen, waarna zijn vermeende schade opeens is verdubbeld.

4.9.

Overigens heeft [eiser] niet duidelijk gemaakt waarom sprake zou zijn van strijd met de AVG.

5 De beoordeling

6 De beslissing