Rechtbank Noord-Holland, 06-07-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7866, 21/6615
Rechtbank Noord-Holland, 06-07-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7866, 21/6615
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 6 juli 2023
- Datum publicatie
- 21 augustus 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2023:7866
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:2891, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 21/6615
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om schadevergoeding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/6615
mr. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de staatssecretaris van Financiën, verweerder
gemachtigden: mr. J.M. Spit, mr. J.P. Bloos en mr. drs. J.L. Lam.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, ingekomen op 3 december 2021, tegen de door hem gestelde weigering van verweerder om te besluiten op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding in een brief van verweerder van 28 september 2021. Daarnaast oordeelt de rechtbank over een verzoek om schadevergoeding dat eiser aan de rechtbank heeft gericht.
Tijdens het beroep heeft verweerder met het besluit van 7 januari 2022 het bezwaar van eiser gericht tegen de afwijzing van zijn schadevergoedingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard.
De minister van Financiën (hierna ook aangeduid als: verweerder) heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Bij brieven van 26 januari 2022 en 18 februari 2022 heeft eiser gereageerd op het besluit op bezwaar.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2022 op zitting behandeld samen met het beroep met zaaknummer HAA 21/6573 dat betrekking heeft op verzoeken van eiser op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de eerste twee vermelde gemachtigden van verweerder. Ter zitting heeft eiser aangegeven van de rechtbank een uitspraak te wensen over vergoeding van de gesteld door hem geleden schade door de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in het kader van de andere zaak in de gelegenheid te stellen binnen twee weken na de zitting een ongelakte versie van de registratie van eiser in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst aan de rechtbank te verstrekken, al dan niet met een mededeling als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij brief van 2 september 2022 heeft verweerder – in beide zaken – aan de rechtbank een ongelakte versie van de registratie van eiser in de FSV verstrekt en daarbij op grond van artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen.
Bij brief van 24 oktober 2022 heeft eiser op de mededeling van verweerder gereageerd.
Bij beslissing van 15 november 2022 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de ongelakte versie van de registratie van eiser in de FSV gerechtvaardigd is.
Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op grond van het ongelakte document uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2023 op een nadere zitting behandeld samen met het beroep met zaaknummer HAA 21/6573. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de laatste twee vermelde gemachtigden van verweerder.