Rechtbank Noord-Holland, 28-02-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2083, C/15/336486 / HA ZA 23-81
Rechtbank Noord-Holland, 28-02-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2083, C/15/336486 / HA ZA 23-81
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 28 februari 2024
- Datum publicatie
- 7 maart 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2024:2083
- Zaaknummer
- C/15/336486 / HA ZA 23-81
Inhoudsindicatie
Deze zaak gaat over de aansprakelijkheid van de (directe en indirecte) bestuurder van O2 Health B.V. (hierna: O2). Vanwege de uitbraak van de coronacrisis is de Staat in contact gekomen met O2. Zij hebben een overeenkomst gesloten voor de levering van mondmaskers. Vervolgens is tussen de Staat en O2 de discussie ontstaan of de geleverde mondmaskers conform waren. Bij vonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat de mondmaskers non-conform waren en dat de Staat de overeenkomst (gedeeltelijk) mocht ontbinden. Als gevolg daarvan moet O2 een bedrag van ruim 43 miljoen euro aan de Staat terugbetalen. Tot op heden heeft de Staat geen betaling van O2 ontvangen. De Staat meent dat de bestuurder van O2 te lichtvaardig heeft gecontracteerd en zijn verhaalsmogelijkheden heeft gefrustreerd. De Staat houdt de bestuurder daarom aansprakelijk voor zijn schade. De rechtbank wijst de vorderingen van de Staat echter af omdat de Staat onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bestuurder van O2 een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken.
Uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/336486 / HA ZA 23-81
Vonnis van 28 februari 2024
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
gevestigd te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. P.P.M. van Kippersluis te Den Haag,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1] ,
gevestigd te Heerhugowaard,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. D.D. Zorab-Castelijns te Amsterdam.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de aansprakelijkheid van de (directe en indirecte) bestuurder van O2 Health B.V. (hierna: O2). Vanwege de uitbraak van de coronacrisis is de Staat in contact gekomen met O2. Zij hebben een overeenkomst gesloten voor de levering van mondmaskers. Vervolgens is tussen de Staat en O2 de discussie ontstaan of de geleverde mondmaskers conform waren. Bij vonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat de mondmaskers non-conform waren en dat de Staat de overeenkomst (gedeeltelijk) mocht ontbinden. Als gevolg daarvan moet O2 een bedrag van ruim 43 miljoen euro aan de Staat terugbetalen. Tot op heden heeft de Staat geen betaling van O2 ontvangen. De Staat meent dat de bestuurder van O2 te lichtvaardig heeft gecontracteerd en zijn verhaalsmogelijkheden heeft gefrustreerd. De Staat houdt de bestuurder daarom aansprakelijk voor zijn schade. De rechtbank wijst de vorderingen van de Staat echter af omdat de Staat onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bestuurder van O2 een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 januari 2023;
- de akte houdende overlegging producties met bijlagen 1 tot en met 9 van de zijde van de Staat;
- de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 46;
- het tussenvonnis van 17 mei 2023, waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen;
- de akte houdende overlegging producties met bijlagen 10 tot en met 14 van de zijde van de Staat;
- de akte houdende overlegging producties met bijlagen 47 tot en met 51 van de zijde van [gedaagden] ;
- de akte houdende overlegging producties met bijlagen 52 en 53 van de zijde van [gedaagden]
Op 23 januari 2024 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Op de zitting zijn verschenen namens de Staat, mevrouw [juriste] , juriste bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, vergezeld door zijn advocaten mrs. Van Kippersluis en F. van der Lecq. Verder zijn verschenen [gedaagde sub 2] in persoon en als bestuurder van [gedaagde sub 1] en de advocaten van [gedaagden] (mrs. Zorab-Castelijns en M.M. Tak).
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Deze spreekaantekeningen zijn ter zitting aan de rechtbank overgelegd en daarmee onderdeel geworden van de processtukken.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat op 28 februari 2024 vonnis zal volgen.
2 De feiten
[gedaagde sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 1] , die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van O2.
O2 levert producten voor luchtbehandeling en luchtverkoeling en daarnaast ook onder meer mondmaskers.
De Staat had vanwege de uitbraak van de coronacrisis begin 2020 dringend behoefte aan grote aantallen mondmaskers voor zorgmedewerkers. In maart 2020 is de Staat daarover in contact gekomen met O2.
Eerste tranche
In maart 2020 zijn O2 en de Staat overeengekomen dat O2 in totaal achttien miljoen mondmaskers zal leveren (hierna: de eerste tranche). De kosten daarvan bedroegen in totaal € 56.375.000,00. In overeenstemming met de gemaakte afspraken heeft de Staat in maart 2020 een aanbetaling gedaan aan O2 van 80% van het totaalbedrag van € 56.375.000,00 van de order, te weten ruim 45 miljoen euro.
Van deze aanbetaling heeft O2 mondmaskers besteld bij onder andere haar toeleverancier in China, Mox Group Limited (hierna: Mox Group).
Eind maart 2020 heeft O2 een eerste serie mondmaskers (van verschillende merken) aan de Staat geleverd. De Staat heeft deze eerste levering goedgekeurd. In april 2020 hebben vervolgleveringen van mondmaskers plaatsgevonden, die de Staat heeft afgekeurd. Daarbij is door de Staat aan O2 meegedeeld dat het ging om diverse ongelijksoortige partijen mondmaskers van soms onbekende herkomst en dat deze mondmaskers niet voldeden aan de vereiste filterkwaliteit. Daarnaast bleken mondmaskers, die eind april 2020 werden geleverd, volgens de Staat na het testen daarvan niet te voldoen aan de zogenoemde kwaliteitseis FFP2 (klasse twee filterefficiëntie van de Filtering Face Piece), en overigens ook niet aan de kwaliteitseis FFP1.
De Staat heeft O2 bij brief van 22 mei 2020 in gebreke gesteld. Daarbij heeft de Staat gesteld dat de eerdere leveringen van mondmaskers zowel in aantal als in kwaliteit achterbleven bij wat was overeengekomen. De Staat heeft meegedeeld 574.300 mondmaskers ter waarde van € 2.010.050,00 te behouden en zij heeft O2 gesommeerd om uiterlijk 5 juni 2020 het resterende aantal van 17.425.700 mondmaskers te leveren.
Tweede tranche
O2 heeft de Staat in een brief van 3 juni 2020 laten weten dat zij 17.500.000 mondmaskers had besteld bij haar leverancier in China en dat zij deze mondmaskers op korte termijn kon leveren (hierna: de tweede tranche). Daarbij heeft O2 aangegeven dat het ging om mondmaskers die vooraf door TNO zouden zijn gecontroleerd en door Universal Certification als notified body zouden zijn voorzien van een CE-certificering. O2 heeft voor de levering van die nieuwe mondmaskers een schema opgesteld, met als laatste leverdatum 16 juli 2020, waarbij is opgemerkt dat dit schema bedoeld is “als richtlijn”.
De Staat heeft in een e-mail van 4 juni 2020 geantwoord bereid te zijn af te zien van het inroepen van de rechtsgevolgen van de ingebrekestelling in de brief van 22 mei 2020, zolang O2 zich zou houden aan de leveringscondities die O2 in haar brief van 3 juni 2020 zelf had voorgesteld.
Van de tweede tranche heeft O2 in juni en juli 2020 in totaal ongeveer 8.000.000 mondmaskers geleverd en aan de Staat gefactureerd. De Staat heeft deze facturen niet voldaan.
De Staat heeft O2 met een brief van 17 juni 2020 laten weten dat het kwaliteitscentrum de filterkwaliteit van de door O2 in juni 2020 geleverde maskers akkoord had bevonden, maar de pasvorm (“fit”) niet. De Staat heeft aangekondigd dat een tweede toetsing door een notified body zal worden uitgevoerd, aan de hand van de Europese norm voor de kwaliteit van persoonlijke beschermingsmiddelen, te weten de productnorm EN 149, op basis waarvan de door O2 gestelde CE-certificering heeft plaatsgevonden.
Vervolgens hebben de Staat en O2 gediscussieerd over de vraag of de geleverde mondmaskers van de tweede tranche wel voldeden. De Staat vond van niet, terwijl O2 zich op het standpunt stelde dat de mondmaskers wel conform waren. Zowel de Staat als O2 heeft in dit verband verschillende testrapporten op laten stellen.
(Gedeeltelijke) ontbinding
Met een brief van 7 mei 2021 heeft de Staat aan O2 meegedeeld dat de Staat had besloten tot (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomsten tussen partijen, waarbij de Staat heeft gesteld dat O2 al geruime tijd in verzuim was. De overeenkomst ten aanzien van de levering van de in 2.7 van dit vonnis genoemde 574.300 mondmaskers is niet ontbonden. De Staat heeft O2 gesommeerd een groot deel van het betaalde voorschot terug te betalen, te weten een bedrag van € 43.444.950,00. O2 heeft dit bedrag niet terugbetaald.
De Staat heeft ten laste van O2 bankbeslagen laten leggen. De gelegde beslagen hebben voor een bedrag van € 18.862,38 doel getroffen.
Bij vonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat de Staat met de brief van 7 mei 2021 de overeenkomst rechtsgeldig (gedeeltelijk) heeft ontbonden en dat O2 gehouden is de uit hoofde van de (gedeeltelijk ontbonden) overeenkomst ontvangen bedragen van ruim 43 miljoen euro aan de Staat terug te betalen. O2 heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Bij brief van 20 januari 2023 heeft de Staat [gedaagden] aansprakelijk gesteld voor zijn schade, omdat O2 de vordering niet heeft betaald en ook geen verhaal biedt.
3 Het geschil
De Staat vordert, samengevat, dat de rechtbank [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de Staat van € 44.960.689,82, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de beslag- en proceskosten.
De Staat legt aan deze vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. [gedaagde sub 1] (in de persoon van [gedaagde sub 2] ) is als bestuurder van O2 verplichtingen aangegaan waarvan zij bij het aangaan wist of behoorde te weten dat O2 die niet zou kunnen nakomen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden. Ook heeft [gedaagde sub 1] als bestuurder van O2 de verhaalsmogelijkheden van de Staat gefrustreerd. Hiervan kan [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Voor de daardoor ontstane schade is [gedaagde sub 1] dan ook op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk te houden. Omdat [gedaagde sub 2] de bestuurder is van [gedaagde sub 1] , is op grond van artikel 2:11 BW ook hij (hoofdelijk) aansprakelijk.
[gedaagden] voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.