Rechtbank Noord-Holland, 12-02-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:1822, 11268774 \ CV EXPL 24-5866
Rechtbank Noord-Holland, 12-02-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:1822, 11268774 \ CV EXPL 24-5866
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 12 februari 2025
- Datum publicatie
- 4 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2025:1822
- Zaaknummer
- 11268774 \ CV EXPL 24-5866
Inhoudsindicatie
Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, maar zijn het niet eens over de einddatum van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter gaat uit van de einddatum zoals deze in de tekst van de beëindigingsovereenkomst is bepaald. Verder oordeelt de kantonrechter dat niet gebleken dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen.
Uitspraak
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11268774 \ CV EXPL 24-5866
Uitspraakdatum: 12 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats 1]
eiser, hierna: [eiser]
gemachtigde: mr. H. ten Kortenaar
tegen
de besloten vennootschap[gedaagde] B.V.
gevestigd te [plaats 2]
gedaagde, hierna: [gedaagde]
gemachtigde: mr. M.H. Godthelp
De zaak in het kort
Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, maar zijn het niet eens over de einddatum van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter gaat uit van de einddatum zoals deze in de tekst van de beëindigingsovereenkomst is bepaald. Verder oordeelt de kantonrechter dat niet gebleken dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen.
1 Het procesverloop
[eiser] heeft bij dagvaarding van 8 augustus 2024 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
Op 15 januari 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.
2 De feiten
[eiser] is op 1 november 2023 in dienst getreden bij [gedaagde]. [eiser] was werkzaam als Partycatering/Banqueting Partymanager, tegen een salaris van € 3.600,- bruto per maand.
Op 29 maart 2024 heeft [betrokkene] (eigenaar van [gedaagde], hierna: ‘[betrokkene]’) aan [eiser] meegedeeld dat er voor hem geen toekomst meer is binnen [gedaagde].
Op 30 maart 2024 heeft [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan [eiser] aangeboden. Daarin staat (onder meer) het volgende: “3.2 De werkgever neemt het initiatief om het dienstverband met de werknemer te beëindigen.(...) 3.6 De werknemer heeft voldoende bedenktijd en gelegenheid tot overleg gehad, te kennen gegeven zich niet tegen een dergelijk streven te verzetten.
(...) 4.1 De arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden op 30 april 2024. a. Bij de beëindigingsdatum is rekening gehouden met een opzegtermijn van 1 maand.
(...) 4.8. De werkgever en werknemer hebben na de financiële eindafrekening en beëindigingsvergoeding niets meer van elkaar te vorderen. Zij verlenen elkaar finale kwijting. (...) 5.9 De werknemer heeft na ondertekening een wettelijke bedenktijd van veertien dagen. Behoudens deze wettelijke bedenktermijn zien partijen af van het recht deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen dan wel te ontbinden dan wel op andere wijze ongedaan te maken.
(...) Ondertekening Door de overeenkomst te ondertekenen verklaren beide partijen dat zij de arbeidsovereenkomst willen beëindigen en dat zij op de hoogte zijn van de gevolgen daarvan.”
[eiser] heeft de beëindigingsovereenkomst op 15 april 2024 ondertekend.
3 De vordering
[eiser] vordert primair een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd per 31 mei 2024. Voor zover de kantonrechter van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 30 april 2024, doet [eiser] subsidiair een beroep op vernietiging van de beëindigingsovereenkomst wegens dwaling, waarbij hij de kantonrechter verzoekt ook in dat geval te bepalen dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2024 is geëindigd. [eiser] vordert daarnaast (zowel primair als subsidiair) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.034,00 netto aan achterstallig loon over mei 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat partijen op 15 april 2024 zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2024 zou eindigen. [gedaagde] is daarom op grond van artikel 7:628 BW gehouden tot loondoorbetaling tot die datum. Subsidiair doet [eiser] een beroep op dwaling, omdat [gedaagde] hem niet heeft geïnformeerd over het feit dat zijn recht op WW-uitkering mogelijk een maand later in zou gaan als hij de beëindigingsovereenkomst ná 1 april 2024 zou ondertekenen, waardoor hij een onjuiste voorstelling van zaken had toen hij de beëindigingsovereenkomst ondertekende.