Rechtbank Noord-Nederland, 24-02-2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5833, 4677736
Rechtbank Noord-Nederland, 24-02-2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5833, 4677736
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 24 februari 2016
- Datum publicatie
- 16 juni 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2016:5833
- Zaaknummer
- 4677736
Inhoudsindicatie
verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst
Uitspraak
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rolnummer: 4677736 \ AR VERZ 15-68
beschikking van de kantonrechter d.d. 24 februari 2016
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GEBR. FERWERDA B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
verzoekster,
gemachtigde: mr. E.W. Kingma, advocaat te Leeuwarden,
tegen
[verweerder] ,
wonende te Kollum,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.M. de Nooij, advocaat te Groningen.
Partijen zullen hierna Ferwerda en [verweerder] worden genoemd.
1 Procesverloop
Ferwerda heeft een verzoek gedaan, ingekomen op 15 december 2015, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen op 8 januari 2016, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek tot toekenning van een transitie- en een billijke vergoeding.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016, tegelijkertijd met de mondelinge behandeling van de verzoeken betreffende twee andere werknemers
[E] en [G] . Deze verzoeken zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers 4677804 AR VERZ 15-69 en 4677831 AR VERZ 15-70. Voorafgaand aan de zitting hebben [verweerder] en Ferwerda bij faxberichten van 15 januari 2016 respectievelijk 19 januari 2016 nog nadere stukken toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigden hebben het standpunt van hun cliënt toegelicht aan de hand van pleitnotities.
2 De feiten
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1983, is op 29 september 2008 in dienst getreden bij Ferwerda. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van [beroep verweerder] , met een salaris van € 1.728,65 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.
Ferwerda is een bedrijf met ongeveer 100 werknemers (86 fte's) en 9 vestigingen. Ferwerda heeft geen ondernemingsraad.
Vanaf medio april 2008 maakt Ferwerda gebruik van zichtbare camerabewaking bij de in- en uitgangen van haar bedrijfspand in Leeuwarden en in een aantal ruimtes van dit pand. Bij de ingang van het bedrijfspand is met bordjes aangegeven dat er cameratoezicht is. Ferwerda heeft ook gebruik gemaakt van verborgen camera's. Begin 2014 is er een verborgen camera opgehangen in het kantoortje achter de balie waar het kasgeld werd geteld, omdat bij het tellen wel eens geld was verdwenen. Voorts is begin 2015 een verborgen camera geplaatst op een stelling in de showroom die gericht stond op een slagmoersleutel ter waarde van € 435,--. Reden daarvoor was dat drie keer eerder een dergelijke sleutel was verdwenen.
Medio juli 2013 is een (interne) gespreksnotitie opgemaakt door de heer
[A] (hierna: [A] ), destijds vestigingsleider/teamleider te Leeuwarden en operationeel manager van alle vestigingen van Ferwerda, over [verweerder] . In die gespreksnotitie staat dat op 1 juli 2013 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [A] , de heer [B] , controller, en [verweerder] waarin [verweerder] is aangesproken op zijn functioneren en (werk)houding. Voorts staat daarin dat [verweerder] te verstaan is gegeven dat de maat vol is en dat [verweerder] drastisch moet veranderen.
Op 22 augustus 2013 is een (interne) gespreksnotitie opgemaakt door [A] over [verweerder] . Daarin staat:
Gesprek met [verweerder] gehad dat mij ter ore was gekomen dat hij tijdens mijn vakantie tussen 17:00 en 17:30 bier dronk aan de Balie.
[verweerder] bevestigde dat dit inderdaad gebeurt was maar dat hij niet de enige was. Dhr. [C] was hier ook bij aanwezig en dronk ook bier.
Ik heb [verweerder] aangegeven dat ik dit absurd vond en ik dit absoluut niet accepteer, ik heb hem ook aangegeven dat als ik bewijzen had dit een reden was om hem op staande voet ontslag te geven.
Op 19 maart 2014 is een (interne) gespreksnotitie opgemaakt door [A] over [verweerder] waarin, voor zover hier van belang, staat:
Gesprek gehad met [E] en [verweerder] over de bezetting met de nieuwe telefooncentrale per 14-4-2014.
Beide heren aangegeven dat ik ze uit elkaar ga halen (...)
Ook heb ik nogmaals aangegeven dat er serieuzer gewerkt moet worden en dat er 1 iemand aan de balie genoeg is zodat de ander bonnen kan lopen of Aldoc orders kan lopen of eventueel de artikelen kan bestellen.
Op 15 april 2014 is een (interne) gespreksnotitie opgesteld door [A] over [verweerder] , waarin staat:
[verweerder] er op aangesproken dat hij maandag 14-4 zonder overleg met Mij of [D] om 16:45 naar huis is gegaan terwijl ik zelf om 16:40 naar huis ging en hij mij ook had kunnen bellen.
In dit gesprek heb ik hem weer duidelijk gemaakt dat ik hier niet van gediend ben en dat ik het gevoel heb dat ik tegen een muur aan zit te praten omdat er niks veranderd.
Ook heb ik tegen hem gezegd dat als het zo door gaat we beter een ander gesprek kunnen gaan voeren (exit gesprek) want ik ben er helemaal klaar mee.
[verweerder] gaf aan dat het inderdaad anders had gemoeten.
Medio september 2014 is de heer [D] (hierna: [D] ) aangesteld als vestigingsleider/teamleider te Leeuwarden. Hiermee werd hij de direct leidinggevende van [verweerder] . [A] bleef operationeel manager van alle vestigingen.
Op 24 april 2015 heeft een aantal medewerkers, waaronder [verweerder] , bij opruimwerkzaamheden de verborgen camera die gericht stond op de slagmoersleutel ontdekt. Zij hebben [A] daarop aangesproken. Vervolgens heeft de directie van Ferwerda op dezelfde dag een kantinebijeenkomst gehouden voor alle medewerkers in de vestiging Leeuwarden over het gebruik van (verborgen) camera's binnen Ferwerda.
Op 29 mei 2015 heeft Ferwerda een Event georganiseerd voor (potentiële) klanten.
Op 12 juni 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer J.W. van Dort (hierna: Van Dort), directeur, [A] en [verweerder] . Van dit gesprek is een gespreksverslag gemaakt, gedateerd 26 juni 2015. Blijkens dit verslag hebben Van Dort en [A] [verweerder] (onder meer) aangesproken op de fouten die hij maakt bij het picken van orders en op het feit dat hij samen met zijn collega [E] tijdens het Event van 29 mei 2015 alcohol heeft genuttigd. Verder staat in het verslag onder meer:
Ook storen wij ons aan het herhaaldelijk staan praten tussen de stellingen met uw collega [E] en de manier waarop u zich gedraagt. U straalt een negatieve houding uit, waarbij u menigeen de indruk geeft de kantjes eraf te lopen. Wij stoorden ons tevens aan het feit dat u niet 1 keer bereid was extra werkzaamheden te verrichten voor het Event. Wij vragen ons dan ook af, wat uw toegevoegde waarde, betrokkenheid en interesse is binnen ons bedrijf. Wij verwachten van u een stuk verantwoordelijkheidsgevoel naar het bedrijf toe waarbij wij van uw verwachten dat u uw werkzaamheden op een goede manier uitvoert.
Het gespreksverslag dat een aantal weken later door Ferwerda aan [verweerder] is overhandigd, heeft [verweerder] niet ondertekend.
Op 21 augustus 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Van Dort, [A] en [verweerder] en [E] Van dit gesprek is een gespreksverslag gemaakt. Blijkens dit gespreksverslag hebben Van Dort en [A] - verkort weergegeven - [verweerder] in dat gesprek te kennen gegeven dat hij sinds 26 juni 2015 geen verbetering heeft laten zien in zijn werkhouding en werktempo. Niet alleen praat [verweerder] dagelijks nog steeds tussen de stellingen, maar ook kijkt hij veelvuldig op zijn eigen smartphone. Verder is [verweerder] in het gesprek aangesproken op het feit dat hij geen veiligheidsschoenen op de werkvloer draagt. Het gespreksverslag is kort na het gesprek door Ferwerda aan [verweerder] overhandigd. [verweerder] heeft het gespreksverslag niet ondertekend.
Per 1 september 2015 heeft een wijziging plaatsgevonden in de organisatiestructuur bij Ferwerda, in die zin dat de functie van [D] is opgesplitst. [D] kreeg de leiding over de telefonische verkoop, de lakafdeling en de voorbalie en de heer [F] kreeg de leiding over het magazijn, de expeditie en de zijbalie. Daarmee werd [F] de direct leidinggevende van [verweerder] .
Op 15 september 2015 heeft Ferwerda een e-mailbericht aan [verweerder] gezonden met daarbij gevoegd de twee gespreksverslagen van de gesprekken van 12 juni 2015 en 21 augustus 2015. In het e-mailbericht is aangegeven dat verwacht wordt dat [verweerder] de gevoerde gesprekken serieus neemt en de besproken onderwerpen doorvoert in de uitvoering van de werkzaamheden.
Op 17 september 2015 is [verweerder] door [B] opnieuw aangesproken op het niet dragen van veiligheidsschoenen op de werkvloer. [B] heeft [verweerder] daarbij een brief van de directie van Ferwerda overhandigd waarin hem te verstaan wordt gegeven om op dit punt per direct actie te ondernemen.
[verweerder] heeft op 25 september 2015 de fysiotherapeut bezocht. Deze heeft hem vervolgens doorverwezen naar een podoloog. [verweerder] is vervolgens op 5 oktober 2015 op consult geweest bij een podoloog van OIM Orthopedie te Leeuwarden. Deze heeft [verweerder] zooltjes voorgeschreven.
Medio oktober 2015 heeft [B] een brief geschreven aan de directie van Ferwerda over de houding en het gedrag van [verweerder] met betrekking tot het dragen van veiligheidsschoenen op de werkvloer. In de brief uit [B] dat hij zijn twijfels heeft over de inzet van [verweerder] om veiligheidsschoenen te dragen. [B] merkt in dit verband (onder meer) op dat [verweerder] nog steeds geen veiligheidsschoenen draagt, omdat de podoloog hem naar zijn zeggen heeft geadviseerd de zooltjes eerst een aantal weken in te lopen in zijn eigen schoenen. Desgevraagd heeft de behandelend podoloog volgens [B] echter aan [B] gemeld dat het de bedoeling is om de zooltjes in de veiligheidsschoenen te dragen en af te wisselen met gewone schoenen zodra dat niet gaat.
Op 7 oktober 2015 heeft Ferwerda een aangetekende brief, gedateerd 14 september 2015, afkomstig van "Personeel Ferwerda Leeuwarden" ontvangen over de camera's die Ferwerda heeft opgehangen in haar vestiging in Leeuwarden. In de brief, die als onderwerp "aansprakelijkheidsstelling schending cameratoezicht" heeft, staat het volgende:
Geachte directie,
Hierbij zou ik u aandacht willen vragen voor het volgende.
Enige tijd geleden heeft u op de werkplek camera's opgehangen. U heeft als werkgever de werknemers hiervan niet op de hoogte gesteld en deze voelen zich dan ook aangetast in hun privacy. Door het cameratoezicht is een belastende druk voor de werknemers ontstaan. Werknemers moeten er namelijk redelijkerwijs vanuit kunnen gaan dat zij op hun werk in privacy verkeren.
Wet
In de wet is het zo geregeld dat het in het algemeen niet toegestaan is om medewerkers in de gaten te houden met videocamera's mits er zwaarwegende argumenten zijn.
Voorwaarde is dat zij de werknemers vooraf op duidelijke wijze in kennis hebben gesteld van de mogelijke inzet van verborgen camera's op de werkvloer. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een personeelscirculaire. Als het gaat om een verborgen camera, gelden er aanvullende regels. Eigenlijk kan een verborgen camera alleen gebruikt worden in het geval een werkgever een vermoeden heeft dat er diefstal plaatsvindt. In dat geval mogen er verborgen camera's opgehangen worden op de plek waar de diefstal plaatsvond, en niet door het hele bedrijf. Elk opzettelijk filmen of fotograferen van personen met een aangebrachte camera in de openbare ruimte is verboden, tenzij dit vooraf duidelijk is aangekondigd (artikel 441b Wetboek van Strafrecht).
Beperkingen
Ten eerste mag de werkgever alleen specifiek die werknemers filmen die mogelijk betrokken zijn bij een onrechtmatige daad. Dus niet preventief iedereen.
Ten tweede moet de werkgever vooraf hebben gemeld dat er verborgen camera's gebruikt kunnen worden (maar natuurlijk niet waar die staan).
En ten derde moet het middel wel proportioneel zijn. Er moeten geen andere mogelijkheden zijn om de onregelmatigheden aan te pakken.
Protocol of reglement
Video-opnamen van personen zijn te beschouwen als verwerking van persoonsgegevens. Dit betekent dat bij cameratoezicht waarbij opnames worden gemaakt, een reglement cameratoezicht moet worden gepubliceerd. Dit reglement (ook wel protocol) legt vast waarom men opnames maakt, wie daar toegang toe heeft, hoe men een kopie van de opnames kan krijgen en wanneer deze worden gewist.
Gebruik van camera's
Gebruik van verborgen camera's (waarvan medewerkers dus niet kunnen zien waar ze hangen) mag alleen voor kortdurende periodes, maximaal drie maanden, en alleen bij ernstige misstanden. Die dus ook specifiek genoemd moeten zijn.
Bewaartermijn van camerabeelden
Camerabeelden mogen zo lang worden bewaard als nodig is voor het doel waarvoor ze worden gemaakt. Echter, wanneer de beelden langer dan vier weken worden bewaard, moet het toezicht worden gemeld bij het College bescherming persoonsgegevens.
Conclusie
Bij het niet hebben van zwaarwegende argumenten voldoet u niet aan de eisen van de wet en pleegt u een strafbaar feit.
Om voorgaande genoemde redenen zouden wij u hierbij willen verzoeken om de camera's op korte termijn te verwijderen.
Mocht u toch een reden hebben voor het ophangen van de camera's dan vernemen wij deze graag.
Met vriendelijke groet,
Uw Personeel
Bij de brief zijn 17 ongedateerde, gelijkluidende verklaringen gevoegd, met vermelding van de naam en de handtekening van een werknemer. De bovenste verklaring is van [D] . De verklaringen luiden als volgt:
Beste collega's,
Zoals jullie inmiddels weten of hebben kunnen zien, hangen er door het pand zichtbare en onzichtbare camera's. Met deze camera's worden we niet alleen gefilmd, maar worden de beelden ook opgenomen!
Het filmen van ons als personeel met geheime camera's mag niet. De directie/werkgever mag in principe geen gebruik maken van verborgen camera's om ons als personeel te filmen. Een werkgever mag alleen wanneer er bijvoorbeeld veel wordt gestolen of gefraudeerd onder strikte voorwaarden gebruikmaken van een verborgen camera. Andere inspanningen van de werkgever moeten dan niet hebben gewerkt en de controle moet tijdelijk zijn.
Een werknemer heeft óók in de werksituatie recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Het controleren van het functioneren van werknemers door camera-observaties kan ingrijpend zijn en grote gevolgen hebben voor werknemers die een (financiële) afhankelijkheidsrelatie hebben met hun werkgever. Er kan in zo'n relatie ook geen sprake zijn van 'vrije' toestemming voor geheime camera-observaties.
De juiste werkwijze
In elk geval moet een werkgever die camera's ophangt zich houden aan de Wet Bescherming Persoonsgegevens: er moeten zwaarwegende redenen zijn om camera's op te hangen (proportionaliteit: niet met een kanon op een mug schieten) en andere, minder ingrijpende maatregelen moeten aantoonbaar niet hebben gewerkt (subsidiariteit). Het belang van de werkgever moet opwegen tegen de schending van de privacy van de werknemers. En het personeel moet in elk geval op de hoogte zijn: stiekem filmen mag niet!
Wanneer jij het eens bent met het bovenstaande en wilt dat de directie wordt aangesproken op de ongevraagde camera-observaties zet dan je naam en handtekening hieronder. Wij, als werknemers, gaan collectief de directie aanschrijven.
Na ontvangst van de brief heeft Ferwerda een aantal medewerkers, los van elkaar, gevraagd wie de initiatiefnemers zijn geweest van de brief en wie de brief heeft gepost. De namen van [verweerder] , [E] en hun collega [G] zijn genoemd.
Op 8 oktober 2015 heeft Van Dort een gesprek gevoerd met [D] over de door hem ondertekende verklaring. Van dat gesprek heeft Ferwerda een verslag gemaakt dat door [D] is ondertekend. Volgens het verslag heeft [D] onder meer het volgende verklaard:
Medio april 2015 ben ik benaderd door [G] om mijn handtekening te plaatsen in een collectief verweer van personeel Ferwerda Leeuwarden tegen bewakingscamera's in de zaak. In een opwelling heb ik getekend op een formulier zonder datum aanduiding, maar het zal ongeveer april/mei 2015 zijn geweest.
De volgende dag realiseerde ik mij dat ik als leidinggevende hieraan niet behoorde mee te doen, ik heb impulsief gehandeld! Ik ben die dag naar [G] gegaan en heb hem gevraagd om het getekende formulier terug te geven. [G] antwoorde dat hij de formulieren thuis had en deze dus niet terug kon geven. Ik heb vervolgens duidelijk aangegeven hier niet meer aan mee te willen doen en heb hem gevraagd mijn formulier te vernietigen. [G] heeft mij verzekerd dat mijn formulier niet gebruikt zou worden.
Vandaag wordt ik geconfronteerd met een aangetekende brief waar mijn formulier als eerste bijgevoegd is.
Ik voel mij belazerd!
Op 9 oktober 2015 zijn [verweerder] , [E] en [G] , elk afzonderlijk, opgeroepen voor een gesprek met Van Dort, mede-directeur I. van Dort, [A] en [D] over de op 7 oktober 2015 ontvangen brief. [verweerder] heeft in dit gesprek verklaard alleen een handtekening te hebben gezet en de inhoud van de begeleidende brief niet te kennen. Hij heeft ontkend de brief te hebben gepost. Tijdens het gesprek is [verweerder] meegedeeld dat hij per direct op non-actief werd gesteld. Vervolgens is [verweerder] door Van Dort en [A] naar buiten begeleid. Ook [G] en [E] zijn door Ferwerda op non-actief gesteld en naar buiten begeleid.
Bij brief van dezelfde datum heeft Ferwerda bevestigd dat [verweerder] bij wijze van ordemaatregel per direct op non-actief is gesteld. In de brief is daarvoor als reden gegeven dat [verweerder] onrust stookt en creëert op de werkvloer waardoor de orde in de vestiging Leeuwarden is verstoord en dat hij bovendien collega's, leidinggevenden en Ferwerda beschadigt. Ferwerda acht de non-actiefstelling noodzakelijk om het werkproces weer op gang te brengen en de rust op de werkvloer te kunnen herstellen. Daarnaast heeft Ferwerda te kennen gegeven dat zij de non-actiefstelling wil benutten om onderzoek te verrichten naar eventuele (andere) onrechtmatige gedragingen dan wel onacceptabel gedrag van [verweerder] . Tijdens de op non-actiefstelling wordt het [verweerder] door Ferwerda verboden om contact te hebben met zijn collega’s, met de andere collega’s die op non-actief zijn gesteld en met klanten van Ferwerda.
Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat [verweerder] in 2014 een aantal contantfacturen op naam van Autobedrijf S.S. Sypersma (hierna: Sypersma) en Autoservice Van der Meij B.V. (hierna: Van der Meij) heeft opgemaakt. Ook is naar voren gekomen dat de facturen voor personeelsaankopen door hem meerdere malen te laat zijn opgemaakt en/of voldaan.
Op 16 oktober 2015 heeft [F] een gesprek gehad met Ferwerda waarvan door Ferwerda een verslag is opgesteld dat door [F] is ondertekend. De verklaring vermeldt, voor zover hier van belang:
Er werden bonnen omgeboekt om zo de hoogste korting te krijgen, bijvoorbeeld een verkoopbon maken op Van der Meij en deze dan in de header op contant of BEULEE zetten en dan de korting laten staan. Dan vraag hij om de korting aan te passen en dan geef je "nee" aan. Dan krijg je dus de korting van die klant. De hoogste korting dus. Ze hebben [F] ook geleerd hoe hij dat moet doen.
Bij brief van 18 januari 2016 heeft Sypersma Ferwerda laten weten dat uit haar administratie niet is gebleken dat zij of haar monteurs bij Ferwerda contant-aankopen hebben gedaan in de periode 2013-2014. De aankopen van onderdelen zijn volgens Sypersma altijd op rekening geweest.
3 Het verzoek
Ferwerda verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer), subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW (een verstoorde arbeidsverhouding). Tevens verzoekt Ferwerda een verklaring voor recht dat [verweerder] daarbij geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding en veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
Aan haar primaire verzoek heeft Ferwerda - samengevat - ten grondslag gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerder] , zodanig dat van Ferwerda in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Ferwerda naar voren gebracht dat [verweerder] al langere tijd zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst negeert en onrust veroorzaakt op de werkvloer. [verweerder] heeft een negatieve (werk)houding. Hij staat voortdurend met [E] te praten en is steeds bezig met zijn smartphone, hetgeen zijn werktempo niet ten goede komt. Ook maakt hij veel fouten. Hij ondermijnt het gezag van zijn leidinggevenden structureel. Zo heeft hij bijvoorbeeld tegen de instructies in alcohol genuttigd tijdens het Event en geweigerd om veiligheidsschoenen te dragen. Hoewel [verweerder] in 2013, 2014 en 2015 diverse malen is aangesproken op zijn functioneren en (werk)houding, is geen verbetering opgetreden. Ferwerda heeft hiertoe enkele verklaringen van collega’s overgelegd, die zijn opgetekend door de directie en ondertekend door de betreffende werknemer naar aanleiding van individuele gesprekken van de directie met die werknemers (kort) na de op non-actiefstelling. Ook houdt [verweerder] zich niet aan de binnen Ferwerda geldende regels met betrekking tot het aankoopbeleid van het personeel. Ferwerda wijst er in dit verband op dat uit het na de op non-actiefstelling verrichte onderzoek is gebleken dat [verweerder] - hoewel als regel geldt dat aankopen bij de eerstvolgende betalingsronde afgerekend worden - de facturen voor zijn privé-aankopen pas veel later uitdraaide en betaalde. Voorts is gebleken dat [verweerder] valsheid in geschrifte heeft gepleegd door op naam van twee klanten van Ferwerda - Sypersma en Van der Meij - nepfacturen op te stellen om zodoende goederen te kunnen aanschaffen tegen de hoogst mogelijke korting.
Ook heeft [verweerder] een grote rol gespeeld in de onrust die op de werkvloer is ontstaan na ontvangst van de anonieme brief van 7 oktober 2015 over het cameratoezicht bij Ferwerda. Uit verklaringen van diverse medewerkers is gebleken dat [verweerder] betrokken is geweest bij het opstellen van deze brief en de daarbij gevoegde verklaringen. Niet alleen wordt in deze anonieme brief ten onrechte de suggestie gewekt dat de meerderheid van het personeel daarachter staat, ook is gebleken dat de meeste verklaringen al rond de ontdekking van de verborgen camera op 24 april 2015 zijn getekend en dat de ondertekenaars niet bekend zijn met de inhoud van de begeleidende brief of met het feit dat hun handtekening alsnog zou worden gebruikt. Voorts zijn er verklaringen gebruikt van twee medewerkers, waaronder [D] , die hebben aangegeven dat zij deze wensten in te trekken. Er bestond ook geen directe aanleiding om de brief (pas) begin oktober 2015 aan Ferwerda te versturen. Ferwerda maakte immers al sinds 2008 gebruik van zichtbare camera's en de kwestie van het verborgen cameragebruik was na de kantinebijeenkomst op 24 april 2015 genoegzaam afgekaart.
Dit alles wijst erop dat de brief niets meer was dan een volgende stap om het gezag van de leiding van Ferwerda te ondermijnen op het moment dat (onder meer) het functioneren van [verweerder] onder een vergrootglas lag, aldus Ferwerda. Bevestiging hiervan ziet Ferwerda in het feit dat de verklaring van [D] bovenop lag, terwijl [D] diverse malen had gevraagd om zijn verklaring terug te geven en hem door [G] was verzekerd dat zijn verklaring niet zou worden gebruikt. Dat [verweerder] [D] thans beticht van leugenachtigheid, sluit hier naadloos bij aan. Door dit alles heeft [verweerder] ernstig verwijtbaar gehandeld en kan van Ferwerda in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Subsidiair stelt Ferwerda dat er door bovenvermelde gedragingen geen vertrouwen meer bestaat in [verweerder] . Veel medewerkers hebben ook aangegeven dat zij een terugkeer van [verweerder] niet zien zitten. Er is derhalve sprake van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Nu [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dient de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:671b lid 8 sub b BW ontbonden te worden op een zo kort mogelijke termijn, zonder inachtneming van enige opzegtermijn. Vanwege dit ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] kan hij geen aanspraak maken op een transitievergoeding of een billijke vergoeding.