Rechtbank Noord-Nederland, 03-05-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1700, C/18/170676 / HA RK 16-269
Rechtbank Noord-Nederland, 03-05-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1700, C/18/170676 / HA RK 16-269
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 3 mei 2017
- Datum publicatie
- 9 mei 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2017:1700
- Zaaknummer
- C/18/170676 / HA RK 16-269
- Relevante informatie
- Wet bescherming persoonsgegevens [Tekst geldig vanaf 25-05-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-05-25], Wet bescherming persoonsgegevens [Tekst geldig vanaf 25-05-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-05-25] art. 8, Wet bescherming persoonsgegevens [Tekst geldig vanaf 25-05-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-05-25] art. 40, Wet bescherming persoonsgegevens [Tekst geldig vanaf 25-05-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-05-25] art. 45, Wet bescherming persoonsgegevens [Tekst geldig vanaf 25-05-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-05-25] art. 46
Inhoudsindicatie
Artikel 8, 40, 45, 46 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) - belangenafweging- verwerken van persoonsgegevens onrechtmatig - toekennen immateriële schadevergoeding.
Een advocatenkantoor heeft WSNP-gegevens van verzoekster 'overgetypt' uit de Staatscourant Naar het oordeel van de rechtbank valt dat onder de definitie van 'het verwerken van persoonsgegevens'. De rechtbank is verder van oordeel dat het advocatenkantoor niet (voldoende) heeft uitgelegd welk gerechtvaardigd belang zij hierbij heeft, terwijl er wel een inbreuk wordt gemaakt op belangen van verzoekster. Na weging van deze belangen komt de rechtbank tot de conclusie dat het verwerken van de gegevens van verzoekster onrechtmatig is en kent haar immateriële schadevergoeding toe.
Uitspraak
beschikking
Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rekestnummer: C/18/170676 / HA RK 16-269
Beschikking van 3 mei 2017
in de zaak van
[A] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. J.M. Moolhuizen te Appingedam,
tegen
de rechtspersoon
[bedrijf] ,
gevestigd te Leiden,
verweerder,
advocaat mr. J.M. Tason Avila te Leiden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift,
- -
-
het verweerschrift,
- -
-
de mondelinge behandeling, gehouden op 19 december 2016,
- -
-
de brief van 13 januari 2017 van verweerder,
- -
-
de brief van 19 januari 2017 van verzoekster.
2 De feiten
Op 18 juni 2013 is ten aanzien van verzoekster de Wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing verklaard. In dat kader zijn op 19 juni 2013 door de griffier van deze rechtbank enkele persoonsgegevens van verzoekster gepubliceerd in de Staatscourant.
Bij brief van 12 mei 2016 heeft verweerder aan verzoekster een aanbod tot rechtsbijstand gedaan. In de brief is het volgende opgenomen:
"In de Staatscourant staat vermeld dat de rechtbank Noord-Nederland op 20 mei 2016 een beëindigingszitting heeft ingepland in uw WSNP-traject. U heeft hierover mogelijk al een brief van de rechtbank ontvangen.
Indien u niet in persoon hoeft te verschijnen is dat meestal positief en wordt de zaak pro forma afgedaan met toekenning van een schone lei. Mocht u wel moeten verschijnen, dan kan dat betekenen dat uw bewindvoerder bezwaar heeft tegen toekennen van een schone lei.
Indien deze bezwaren door de rechter worden gehonoreerd heeft dit gevolgen voor u.
Als uw zaak dus niet pro forma wordt afgehandeld en u voor de rechtbank dient te verschijnen dan verdient het de aanbeveling om u hierover juridisch te laten adviseren. U kunt daarvoor contact met ons opnemen en wij kunnen u ook ter zitting bijstaan. Wij werken landelijk en hebben gedegen ervaring in deze zaken.
Onze advocaten werken op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand. In zaken zoals die van u
is onze bijstand in de regel geheel gratis. Als u al een advocaat in de arm heeft genomen in
deze kwestie, dan adviseren wij u hem of haar op de hoogte te stellen van de geplande zitting.
Mocht u van onze diensten gebruik willen maken of als u gewoon een vraag heeft naar aanleiding van deze brief, dan adviseren wij u om nu contact met ons op te nemen.
(...)."
Bij brief van 21 juli 2016 heeft de heer [B] , directeur van de Volkskredietbank (VKB) Noord-Oost Groningen, aan verweerder het volgende verzocht:
"Recentelijk ontvingen wij van een cliënt bijgaande brief van uw kantoor. Uit deze brief maken wij op dat u kennelijk gebruik maakt van in Staatscourant bekend gemaakte persoonsgegevens om nieuwe cliënten te werven.
In onze optiek verwerkt u daarbij persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarvoor is toestemming nodig, dan wel een andere in de wet opgenomen grondslag voor gegevensverwerking.
Wij verzoeken u binnen 21 dagen na heden schriftelijk kenbaar te maken welke grondslag voor verwerking bij onderhavige brieven van toepassing is. Verder stellen wij het op prijs dat u bovengenoemde wijze van acquisitie nader toelicht en/of overigens uw zienswijze hierop geeft."
Als bijlage is een brief van 12 mei 2016 gevoegd, zoals geciteerd in 2.2, waarbij de naam en adresgegevens onleesbaar zijn gemaakt.
Bij brief van 22 augustus 2016 heeft de VKB verweerder herinnerd aan de brief van 21 juli 2016 en opnieuw gevraagd om een reactie.
Bij brief van 23 augustus 2016 heeft verweerder tegenover de VKB gereageerd. In de brief is het volgende opgenomen:
"Over het aanschrijven van particulieren die mogelijk bijstand nodig hebben tijdens een
inhoudelijke eindzitting heeft vorig jaar afstemming plaatsgevonden binnen het dekenberaad.
Aan de hand van de uitgangspunten van het dekenberaad is de ontvangen brief opgesteld.
De dekens waren van oordeel dat het mogelijk moest zijn om wervende activiteiten te
verrichten, maar dat daar behoedzaam mee omgegaan moet worden. Dat is ook precies hoe
tot het opstellen van deze brief is gekomen. (...) Omdat mensen in de WSNP zich in een kwetsbare positie bevinden is er voor gekozen om de brief heel algemeen en neutraal op te stellen. De diensten worden daarin geheel vrijblijvend aangeboden en voorkomen is dat men zich gedwongen voelt om contact op te nemen. (...)
De inhoud van de brief voldoet volledig aan de uitgangspunten die het dekenberaad heeft
gegeven, anders hadden wij hem nimmer (zo) opgesteld en verzonden. De tekst is
toegankelijk, verhelderend en dwingt tot niets en geeft een juist en volledig beeld. Dit wordt
bevestigd door de vele positieve reacties die ons kantoor heeft gehad op de verzending van
deze brief van zowel de ontvangers/particulieren als bijvoorbeeld (beschermings)bewindvoerders.
De brieven die wij sturen vallen onder ‘direct marketing’. Of het rechtmatig is wat we doen
hangt af van het doel van de verwerking en de grondslag. Omdat de gegevens die we
gebruiken niet door ons zelf verzameld zijn is het iets minder eenvoudig.
Voor de doelbinding moet bepaald worden of ons doel (kosteloze juridische bijstand bij WSNP zaken) verenigbaar is met het doel waarvoor de zaken gepubliceerd worden in de
Staatscourant. Dat lijkt mij wel te beargumenteren. Het ontvangen van aanbiedingen voor
rechtszittingen ligt niet buiten wat de ontvanger kan verwachten nadat zijn zitting
gepubliceerd wordt in het staatsblad. De informatie wordt bovendien met niemand gedeeld.
Zodra is vastgesteld dat de voorgenomen wijze van verwerking voor direct
marketingdoeleinden verenigbaar is met het doel we de gegevens hebben verkregen, dan
moeten we de verwerking uiteraard wel kunnen baseren op één van de in de WBP genoemde
grondslagen.
Dikwijls is direct marketing noodzakelijk voor een gerechtvaardigde belang bij een gezonde
bedrijfsvoering en zal een afweging van dat belang tegen het privacybelang van de
betrokkene in ons voordeel uitvallen. Het is duidelijk in het belang van ons kantoor om deze
mensen te benaderen, dit is bovendien zonder kosten voor de ontvanger van de brief. "
Verweerder heeft geen melding gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens van het verwerken van persoonsgegevens.
Na de mondelinge behandeling, gehouden op 19 december 2016, heeft verweerder bij brief van 13 januari 2017 het volgende meegedeeld:
"Het verzet van mevrouw [A] zal namens kantoor gehonoreerd worden. In die zin dat aan mevrouw [A] vanuit kantoor in ieder geval gegarandeerd kan worden dat haar persoonsgegevens niet nader zijn opgeslagen in onze systemen. Dit maakt het voor kantoor onmogelijk om in de toekomst nader gebruik te maken van de persoonsgegevens van mevrouw [A] ."
Verzoekster heeft bij brief van 19 januari 2017 gereageerd.
3 Het verzoek
[A] heeft verzocht:
-
het college als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 51 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) een advies te laten uitbrengen als bedoeld in artikel 47 lid 2 Wbp;
-
de verwerking van persoonsgegevens van verzoekster door verweerder als onrechtmatig aan te merken;
-
verweerder te veroordelen om op de voet van artikel 46 Wbp alle op verzoekster betrekking hebbende gegevens uit de administratie en systemen van verweerder te verwijderen en verwijderd te houden en daarvan per omgaande een schriftelijke bevestiging te doen toekomen aan gemachtigde, uiterlijk twee dagen na betekening van de beschikking op dit verzoekschrift;
-
verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag (of een gedeelte hiervan), althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere dag of deel daarvan dat verweerder met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in gebreke blijft; en tevens;
-
verweerder te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank nader te bepalen billijke vergoeding voor de door betrokkene geleden immateriële schade vanwege het in strijd handelen met de bij of krachtens de Wbp gegeven voorschriften, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf datum van verzoekschrift tot aan de dag van betaling;
-
verweerder te veroordelen in de kosten van dit geding;
-
de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Verweerder heeft verweer gevoerd.