Rechtbank Noord-Nederland, 16-06-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2206, LEE 17-1224
Rechtbank Noord-Nederland, 16-06-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2206, LEE 17-1224
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 16 juni 2017
- Datum publicatie
- 22 juni 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2017:2206
- Zaaknummer
- LEE 17-1224
Inhoudsindicatie
Last onder dwangsom. Verplaatsing groencompostering op grond van vergunningsvoorschrift. Aanvraag wijziging voorschrift. Geen milieuneutrale wijziging van de inrichting. Geen sprake van niet tijdig beslissen en een van rechtswege ontstane vergunning tot wijziging. Geen concreet zicht op legalisatie. Lengte van de begunstigingstermijn is niet onredelijk.
Uitspraak
Afdeling Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummers: LEE 17/1224
[verzoekster] gevestigd te Kiel-Windeweer, verzoeker,
(gemachtigde: mr. W. Sleijfer),
en
(gemachtigde: mr. W.D. van Laar).
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster aangeschreven om voor 1 juli 2017 de overtreding van voorschrift 4.1.1. van de omgevingsvergunning d.d. 16 april 2013 ongedaan te maken door de groencompostering te realiseren op de aangevraagde locatie binnen de inrichting (zoals op de tekening, gedateerd 06/11/2012, “Edition 08”, aangegeven), bij gebreke waarvan verzoekster een dwangsom van € 25.000,-- verbeurt voor elke kalendermaand die na 1 juli 2017 verstrijkt, waarin geconstateerd wordt dat de groencompostering niet is gerealiseerd op de aangevraagde locatie (zoals op de tekening, gedateerd 06/11/2012, “Edition 08”, aangegeven), met een maximum van € 125.000,--.
Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker op 27 maart 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 9 juni 2017.
Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [betrokkene]
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R. Snel,
mr. R.J.B. Caderius van Veen en E. de Maat.
Feiten en omstandigheden
1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 16 april 2013 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) onder voorschriften verleend voor de inname, op- en overslag, be- en verwerking van afvalstoffen ten behoeve van hergebruik op de inrichting gelegen aan de [adres] te [plaats].
Aan de aan verzoekster verleende revisievergunning is onder meer voorschrift 4.1.1. verbonden. Dit voorschrift houdt in dat uiterlijk binnen 36 maanden nadat de vergunning in werking is getreden, de groencompostering dient te zijn gerealiseerd op de aangevraagde locatie binnen de inrichting (zoals op de tekening gedateerd 06/11/2012, “Edition 08”, aangegeven) en dient de vloer voor de groencompostering vloeistofdicht te zijn uitgevoerd.
Bij uitspraak van 16 januari 2015 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 april 2013 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft verweerder bij brief van 12 juli 2016 verzocht de in voorschrift 4.1.1. bedoelde termijn van 36 maanden te wijzigen in drie jaar na de uitspraak van
16 januari 2015 van deze rechtbank.
Verweerder heeft bij brief van 31 augustus 2016 het verzoek van verzoekster aangemerkt als een verzoek om te gedogen dat tot 16 januari 2018 voorschrift 4.1.1. van de revisievergunning niet hoeft te worden nageleefd, en dit verzoek afgewezen.
Verder heeft verweerder in voormelde brief verzoekster te kennen gegeven voornemens te zijn handhavend op te treden en haar in de gelegenheid gesteld om voor 15 september 2016 een zienswijze in te dienen.
Verzoekster heeft bij brief van 14 september 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend.
Naar aanleiding van de door verzoekster ingediende zienswijze heeft verweerder bij besluit van 3 oktober 2016 het verzoek tot wijziging van vergunningsvoorschrift 4.1.1. afgewezen.
Verzoekster heeft verweerder bij brief van 10 oktober 2016 verzocht om binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief de van rechtswege verleende omgevings-vergunning in verband met een milieu-neutrale wijziging openbaar te maken dan wel te publiceren.
Verweerder heeft op 7 december 2016 een ontwerpbesluit tot weigering van de wijziging van voorschrift 4.1.1. van de aan verzoekster verleende revisievergunning d.d.
16 april 2013 genomen.
Verzoekster heeft bij brief van 23 januari 2017 een zienswijze bij verweerder ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster aangeschreven om voor 1 juli 2017 de overtreding van voorschrift 4.1.1. van de omgevingsvergunning d.d. 16 april 2013 te verhelpen door de groencompostering te realiseren op de aangevraagde locatie binnen de inrichting (zoals op de tekening, gedateerd 06/11/2012, “Edition 08”, aangegeven), bij gebreke waarvan verzoekster een dwangsom van € 25.000,-- verbeurt voor elke kalendermaand die na 1 juli 2017 verstrijkt, waarin geconstateerd wordt dat de groencompostering niet is gerealiseerd op de aangevraagde locatie (zoals op de tekening, gedateerd 06/11/2012, “Edition 08”, aangegeven), met een maximum van € 125.000,--.
Toepasselijke regelgeving
2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
Ingevolge artikel 122, tweede lid, van de Provinciewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien de last dient tot handhaving van regels welke het provinciebestuur uitvoert.
Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.
Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op: een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.
Ingevolge artikel 3.10, derde lid, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Awb, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), en die niet leidt tot een andere inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.
Ingevolge artikel 3.15, tweede lid, van de Wabo zijn de artikelen 3.1, 3.8 en 3.9, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een aanvraag om wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning of gehele of gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning. Indien de vergunninghouder de wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning of de gehele of gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning aanvraagt, zijn tevens het derde en vierde lid van artikel 3.9 van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 3.15, derde lid, van de Wabo is, in afwijking van het eerste en tweede lid, op de voorbereiding van een beschikking tot wijziging van voorschriften van een omgevings-vergunning of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning paragraaf 3.3 van overeenkomstige toepassing, indien de beschikking betrekking heeft op activiteiten of gevallen als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, met uitzondering van activiteiten als bedoeld in onderdeel c van dat lid met betrekking tot mijnbouwwerken en van activiteiten als bedoeld in het derde lid van dat artikel. De eerste volzin geldt niet indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.32 of 3.23.
Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt in deze wet onder overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen.
Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Ingevolge artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Ingevolge artikel 5:32b, derde lid, van de Awb staan de bedragen in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.