Home

Rechtbank Noord-Nederland, 11-10-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4114, LEE 17-3043

Rechtbank Noord-Nederland, 11-10-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4114, LEE 17-3043

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11 oktober 2017
Datum publicatie
31 oktober 2017
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2017:4114
Zaaknummer
LEE 17-3043

Inhoudsindicatie

Belanghebbendheid Stichting. Feitelijke werkzaamheden van voor de oprichting toe te rekenen aan de Stichting? Seismisch onderzoek in grondwaterbeschermingsgebied. Ontheffing ingevolge de Provinciale Milieuverordening. Specialiteitsbeginsel. Risico op schade aan of vervuiling van de bodemlagen niet aangetoond.

Uitspraak

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 17/3043

(gemachtigde: [naam]),

en

(gemachtigde: mr. M. Bauman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vermillion Energy Netherlands B.V., gevestigd te Harlingen, ontheffinghoudster,

(gemachtigde: mr. drs. H.M. Israëls).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan ontheffing-houdster een ontheffing ingevolge de Provinciale Milieu Verordening Fryslân (hierna: de PMV) verleend voor het uitvoeren van seismisch onderzoek in het grondwater- beschermingsgebied en het waterwingebied Nij Beets.

Bij besluit van 18 juli 2017 (het bestreden besluit), verzonden op 20 juli 2017, heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster deels gegrond verklaard, het primaire besluit van 14 februari 2017 herzien, in die zin dat dit besluit wordt herroepen, voor zover daarbij ontheffing is verleend van het bepaalde in artikel 5.7, eerste lid, onder a en artikel 5.17, eerste lid, onder a, van de PMV en aan de verleende ontheffing twee voorschriften verbonden.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 17/3045. Tevens heeft verzoekster op 29 augustus 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 4 oktober 2017.

Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, R. Deems,

J. Brinksma en W. Elderhorst, geohydroloog en beleidsmedewerker grondwater.

Namens ontheffinghoudster zijn voornoemde gemachtigde en mr. T.J.J. Sleger verschenen.

Feiten en omstandigheden

1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Ontheffinghoudster heeft op 8 november 2016 een aanvraag om ontheffing van de artikelen 5.7, eerste lid, onder a en f, alsmede artikel 5.15, eerste lid, onder a en f, van de PMV bij verweerder ingediend.

Ontheffinghoudster heeft bij brief van 29 november 2016 de aanvraag gewijzigd en de aanvraag voor een ontheffing ingevolge artikel 5.7, eerste lid, onder f, van de PMV ingetrokken.

Ontheffinghoudster heeft op 13 december 2016 een gewijzigde beschrijving van de werkzaamheden ingediend. Die gewijzigde beschrijving van de werkzaamheden is neergelegd in de rapportage ‘Seismisch onderzoek ter plaatse van het waterwingebied- en grondwaterbeschermingsgebied Nij Beets’ van 6 december 2016.

1.2.

Verweerder heeft bij primair besluit van 14 februari 2017 aan ontheffinghoudster een ontheffing ingevolge artikel 5.7, eerste lid, onder a, en artikel 5.17, eerste lid, onder a en f, van de PMV verleend voor het uitvoeren van seismisch onderzoek in het grondwater-beschermingsgebied en het waterwingebied Nij Beets.

1.3.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 april 2017 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 25 mei 2017 aangevuld.

1.4.

Verzoekster heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op een hoorzitting van

6 juni 2017 van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften en klachten van de provincie Fryslân (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.5.

De commissie heeft verweerder bij brief van 23 juni 2017 geadviseerd het primaire besluit van 14 februari 2017 in te trekken, voor zover dit ziet op het verlenen van een ontheffing ingevolge artikel 5.7, eerste lid, onder a en artikel 5.17, eerste lid, onder a van de PMV en dit besluit voor het overige opnieuw te beoordelen en aan die beoordeling een evenwichtige afweging van de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen ten grondslag te leggen.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster deels gegrond verklaard, het primaire besluit van 14 februari 2017 herzien, in die zin dat dit besluit wordt herroepen, voor zover daarbij ontheffing is verleend van het bepaalde in artikel 5.7, eerste lid, onder a en artikel 5.17, eerste lid, onder a, van de PMV en aan de verleende ontheffing twee voorschriften verbonden. De aan de ontheffing verbonden voorschriften luiden als volgt:

‘2.5 De boringen dienen te voldoen aan het Protocol Mechanisch Boren, versie 3.3 van

16 april 2015, SIKB protocol 2101.

2.6.

De afdichting van het boorgat dient te voldoen aan het protocol zoals genoemd in voorschrift 2.1 aangevuld met de extra maatregelen zoals genoemd in de aanvraag.’

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1.

Ingevolge artikel 5.7, eerste lid, onder a, van de PMV is het verboden in een waterwingebied buiten inrichtingen: schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren, of op of in de bodem te brengen.

Ingevolge artikel 5.8, eerste lid, onder c, van de PMV geldt het in artikel 5.7, eerste lid, onder a, van de PMV gestelde verbod niet voor: schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen.

Ingevolge artikel 5.15, eerste lid, onder a, van de PMV is het verboden in een grondwater-beschermingsgebied buiten inrichtingen: schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen.

Ingevolge artikel 5.15, eerste lid, onder f, van de PMV is het verboden in een grondwater- beschermingsgebied buiten inrichtingen: de grond dieper te roeren dan twee meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onder deze werken worden in ieder geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de PMV geldt het in artikel 5.15, eerste lid, onder a, gestelde verbod niet voor: schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen.

Ingevolge artikel 5.17 van de PMV kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de in artikel 5.15, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f, g en h, genoemde verboden.

Ingevolge artikel 7.2 van de PMV wordt de ontheffing geweigerd indien door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd moet worden door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

Rechtsoverwegingen

Beslissing

Rechtsmiddel