Rechtbank Noord-Nederland, 20-12-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5260, 6395454 verz 17-111
Rechtbank Noord-Nederland, 20-12-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5260, 6395454 verz 17-111
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 december 2017
- Datum publicatie
- 3 augustus 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2017:5260
- Zaaknummer
- 6395454 verz 17-111
Inhoudsindicatie
beschuldiging fraude, verhuur zaalruimte in school door conciërge. Ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen.
Uitspraak
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rolnummer.: 6395454 AR VERZ 17-111
beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671 lid 1 BW d.d. 20 december 2017
inzake
de stichting
Stichting voor Christelijk Voortgezet Onderwijs in Zuid-West Fryslân,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. J.W. Janse-Velema,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,
gemachtigden: mr. G.J.P.M. Grijmans en mr. M.W.J.M. de Man.
Partijen zullen hierna CVO en [verweerder] worden genoemd.
1 Het procesverloop
in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek
CVO heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2017. Op 23 november 2017 heeft CVO een aanvullend verzoekschrift ingediend. [verweerder] heeft op 17 november 2017 een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
Op 29 november 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben ter toelichting van de standpunten van partijen gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft CVO bij brief binnengekomen op 23 november 2017 en [verweerder] bij brief binnengekomen op 24 november 2017 nog producties toegezonden.
2 De feiten
in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is per 13 september 2004 in dienst getreden bij de CVO. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van Hoofd Frontoffice binnen de Gemeenschappelijke Dienst, met een salaris van € 3.201,-- bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 7.4% eindejaarsuitkering. [verweerder] is werkzaam op de locatie Marne College te Bolsward. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het voortgezet onderwijs (CAO VO) van toepassing.
3 Het verzoek
CVO verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW en subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW, alsmede bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en [verweerder] en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en geen recht heeft op een transitievergoeding, alsmede [verweerder] te veroordelen tot betaling aan CVO van minimaal € 4.028,-- vanwege door hem verworven inkomsten uit zaalruimteverhuur en € 2.800,-- vanwege inkomsten die [verweerder] ten onrechte heeft verworven met het in rekening brengen van schoonmaakkosten, alsmede tot betaling van de kosten van de procedure.
Aan dit verzoek legt CVO ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van [verweerder] dan wel een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig zijn dat van CVO redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft CVO, samengevat weergegeven, het navolgende gesteld.
CVO verhuurt in de avonduren zaalruimte aan derden en brengt daarvoor kosten in rekening. Tot het takenpakket van [verweerder] behoort onder meer het in overleg met de schoolleiding coördineren van de verhuur van ruimtes en medegebruik van de locatie en het maken van afspraken over aantallen, tijdsduur, kosten en dergelijke. CVO is er in september 2017 door toeval, naar aanleiding van een vraag van een derde die een door [verweerder] verstrekte factuur niet aan CVO kon betalen, bekend mee geworden dat [verweerder] zaalruimte van het Marne College aan derden heeft verhuurd zonder dit te melden aan CVO en daarbij de inkomsten aan zichzelf heeft laten betalen en zelf heeft behouden. Hij deed dit door middel van het afgeven van facturen aan deze huurders met daarop het bankrekeningnummer van hemzelf of zijn echtgenote. Hij heeft de huurders tevens een buitenproportioneel bedrag voor koffie in rekening gebracht, namelijk € 1,80 per kopje in plaats van het bij CVO afgesproken bedrag van € 1,--. [verweerder] heeft verder aan hem ondergeschikte medewerkers de heer [medewerker A] en mevrouw [medewerker B] bij zijn gedragingen betrokken door hen werkzaamheden te laten verrichten op de avonden dat de zaalruimte door hem verhuurd was en hun enige malen te betalen. Hij heeft deze ondergeschikten nadat CVO met de gedragingen van [verweerder] bekend was geworden onder druk gezet over hetgeen zij wel en niet mochten vertellen.
Voorts heeft [verweerder] zich vanaf 2013 jaarlijks € 700,-- contant laten betalen door de leerlingenvereniging in verband met schoonmaakkosten na het jaarlijkse kerstgala, terwijl hij voor zijn werkzaamheden ook overuren schreef.
CVO stelt dat [verweerder] de bij haar sinds 2010 geldende regels heeft geschonden. Volgens deze regels dienen medewerkers na een avondactiviteit een briefje bij [verweerder] in te leveren en worden de gewerkte uren als overwerkuren gecompenseerd. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen activiteiten van de school (interne activiteiten) en verhuur aan derden (externe activiteiten). CVO heeft zich verder beroepen op het nieuwe verhuurbeleid dat sinds 1 mei 2017 van kracht is en waarop [verweerder] voor de totstandkoming ervan ook heeft kunnen reageren.
CVO heeft [verweerder] verder verweten dat hij onder werktijd werkzaamheden heeft verricht voor een eenmanszaak die hij sinds 2016 heeft. Uit onderzoek in de computer van [verweerder] is gebleken dat hij met grote regelmaat onder werktijd voor zijn eigen bedrijf heeft gewerkt. [verweerder] heeft volgens CVO in strijd met de geldende regels ook niet aan CVO gemeld dat hij deze eenmanszaak exploiteert.
Naar aanleiding van de vraag van een huurder over een door [verweerder] verstrekte factuur is CVO onderzoek gaan doen. In dat kader heeft CVO op 3 oktober 2017 een gesprek met [verweerder] gevoerd, waarbij deze heeft erkend facturen met zijn bankrekeningnummer te hebben afgegeven aan derden. CVO heeft [verweerder] vervolgens op 3 oktober 2017 geschorst. In verband met nader onderzoek achtte CVO het noodzakelijk om de e-mail en de computerbestanden van [verweerder] te onderzoeken. CVO heeft dit onderzoek vervolgens gedaan. Tijdens een gesprek dat op 6 oktober 2017 plaatsvond is [verweerder] met de resultaten van het onderzoek van CVO geconfronteerd.
CVO stelt dat uit haar onderzoek is gebleken dat [verweerder] in ieder geval een bedrag van € 4.028,-- vanwege zaalverhuur bij derden in rekening heeft gebracht heeft, welk bedrag aan CVO toekomt. CVO vordert van [verweerder] daarom betaling van dit bedrag. Verder heeft hij ten onrechte vanaf 2013 van de leerlingenvereniging jaarlijks € 700,-- geïncasseerd en CVO vordert ook het totaalbedrag hiervan, € 2.800,-- van [verweerder] . CVO zal dit aan de leerlingenvereniging terugbetalen.