Home

Rechtbank Noord-Nederland, 28-03-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1107, C/17/160214 / KG ZA 18-56

Rechtbank Noord-Nederland, 28-03-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1107, C/17/160214 / KG ZA 18-56

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28 maart 2018
Datum publicatie
3 april 2018
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2018:1107
Zaaknummer
C/17/160214 / KG ZA 18-56

Inhoudsindicatie

- artikel 23 lid 5 Meststoffenwet

- weigering instemming is onrechtmatig

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/160214 / KG ZA 18-56

Vonnis in kort geding van 28 maart 2018

in de zaak van

1 [A] ,

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

advocaat mr. C.A. van Kooten-de Jong te Montfoort,

tegen

[C] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. N.S. Commijs te Zwolle.

Partijen zullen hierna [A] en [C] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding d.d. 21 maart 2018

-

de mondelinge behandeling d.d. 26 maart 2018

-

de pleitnota van [A]

-

de pleitnota van [C] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] exploiteert een (omvangrijke) melkveehouderij te [woonplaats eisers] .

2.2.

[C] exploiteert een veehouderij en veehandel te [woonplaats gedaagde] .

2.3.

In 2015, 2016 en 2017 heeft [A] steeds in de periode 15 mei tot 15 oktober jongvee uitgeschaard. Deze (mondelinge) uitscharingsregeling liep via [C] en de dieren stonden gedurende de periode 15 mei tot 15 oktober in het Identificatie & Registratie systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) geregistreerd op het uniek bedrijfsnummer (UBN) van [C] . Deze pinken liepen op buitendijks land van It Fryske Gea, dat door [C] werd gepacht. [A] betaalde [C] hiervoor een vergoeding van € 160,- per dier per jaar. In de perioden voor en na uitscharing verbleven de pinken op het eigen bedrijf van [A] .

2.4.

Het aantal pinken dat op voormelde wijze door [A] was uitgeschaard en door [C] was ingeschaard bedroeg in 2015 38 stuks.

2.5.

In verband met het terugdringen van de fosfaatproductie door de Nederlandse melkveehouderij is met ingang van 1 maart 2017 in werking getreden de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 februari 2017, nr. WJZ/17023701, houdende de invoering van de verplichting tot betaling van een geldsom (Regeling fosfaatreductieplan 2017), gepubliceerd in de Staatscourant van 17 februari 2017, nr. 9915 en nadien gewijzigd. Artikel 11 lid 1 van deze Regeling luidt:

Indien een houder aantoont dat hij op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard die tussen 1 januari 2015 en 2 juli 2015 naar een inschaarder zijn gegaan, op 2 juli 2015 door die inschaarder werden gehouden en die uiterlijk op 31 december 2015 zijn teruggekomen op het bedrijf van de houder, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend zijn referentieaantal verhogen in de periode 1 en 5 mits, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze aantoonbaar instemt met verlaging van zijn referentieaantal in die perioden.

2.6.

In 2017 hebben [A] en [C] de formulieren 'Uitschaarverklaring melk en niet melk producerende bedrijven voor fosfaatreductieplan 2017' ondertekend en ingediend bij de RvO, zodat de uitgeschaarde dieren werden meegerekend bij het bedrijf van [A] .

2.7.

Per 1 januari 2018 is de gewijzigde Meststoffenwet in werking getreden. De voor deze zaak relevante bepalingen van deze wet luiden als volgt:

artikel 21b lid 1:

Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35;

artikel 23 lid 3:

Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Artikel 21a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

en artikel 23 lid 5:

Indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd. Deze verhoging onderscheidenlijk verlaging komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen van het aantal uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde stuks melkvee.

2.8.

In de 'Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 december 2017, nr. WJZ / 17177092, tot vaststelling van de datum waarvoor een landbouwer zich kan melden voor verhoging van het op een bedrijf rustende fosfaatrecht', Staatscourant 2017, nr. 69891, is bepaald dat de melding als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet kan worden ingediend tot 1 april 2018.

2.9.

[A] heeft [C] gevraagd mee te werken aan het indienen van het formulier 'In- en uitscharen' als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet, welke medewerking [C] heeft geweigerd.

2.10.

De in het geding zijnde fosfaatrechten (38 pinken x 21,9) vertegenwoordigen - uitgaande van een prijs van € 170,- per kilogram fosfaat - een waarde van € 141.474,-.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing