Rechtbank Noord-Nederland, 30-05-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2031, 6550337 AR VERZ 17-139
Rechtbank Noord-Nederland, 30-05-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2031, 6550337 AR VERZ 17-139
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 30 mei 2018
- Datum publicatie
- 31 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2018:2031
- Zaaknummer
- 6550337 AR VERZ 17-139
Inhoudsindicatie
Ontbinding arbeidsovereenkomst, bestuurder stichting na vennootschapsrechtelijk ontslag.
g. grond, geen d. of e. grond
Uitspraak
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rolnummer.: 6550337 AR VERZ 17-139
beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 30 mei 2018
inzake
de stichting STICHTING NORDWIN COLLEGE,
gevestigd te Leeuwarden,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. G.N. Paanakker,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. E.W. Kingma.
Partijen zullen hierna Nordwin College en [verweerder] worden genoemd.
1 Het procesverloop
in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek
Nordwin College heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, ingekomen ter griffie op 27 december 2017, voorzien van 50 producties. Nordwin College heeft op 8 februari 2018 een aanvullend verzoekschrift ingediend, wederom strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] , voorzien van de producties 51 tot en met 66.
[verweerder] heeft op 27 februari 2018 een verweerschrift en een zelfstandig tegenverzoek ex artikel 7:686 BW ingediend (met 44 producties), waarbij hij heeft verzocht Nordwin College te veroordelen om hem binnen 24 uur na betekening van de in deze zaak te wijzen beschikking in staat te stellen zijn werkzaamheden als bestuurder op de gebruikelijke wijze en zonder beperkingen te hervatten, zoals deze werden verricht tot 4 december 2017, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag of gedeelte van een dag dat Nordwin College in gebreke blijft na betekening van deze beschikking hieraan te voldoen, met veroordeling van Nordwin College in de kosten van het geding.
Vervolgens heeft Nordwin College bij schrijven van 27 februari 2018 en 5 maart 2018 de producties 67 tot en met 72 in het geding gebracht.
Op 6 maart 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide gemachtigden hebben het standpunt van hun cliënt(e) toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.
Vervolgens is de zaak aangehouden voor mediation.
Bij brieven van respectievelijk 17 april 2018 en 16 april 2018 hebben partijen verzocht beschikking te geven omdat de mediation niet tot het gewenste resultaat had geleid.
2 De feiten
in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek
2. Hieronder volgt een opsomming van de - naar het oordeel van de kantonrechter - voor de beoordeling relevante feiten.
Nordwin College is een groen regionaal opleidingscentrum voor VMBO, MBO en contractonderwijs met vestigingen in Leeuwarden, Buitenpost, Sneek en Heerenveen, met zo'n 3500 studenten en cursisten.
De stichting kent twee (statutaire) organen: een Raad van Toezicht (RvT) en een College van Bestuur (CvB). De RvT is bevoegd om over te gaan tot benoeming, schorsing en ontslag van een lid van het CvB.
De RvT bestaat uit vijf personen, te weten de heren [Z] (voorzitter) (hierna te noemen [Z] ) en [Y] en de dames [X] (hierna te noemen [X] ), [W] en [V] . Krachtens een besluit van 17 mei 2011 is [verweerder] per 1 september 2011 benoemd tot statutair bestuurder. Tot 1 juni 2017 bestond het CvB uit twee personen, te weten [verweerder] en mevrouw [U] (hierna te noemen [U] ).
Naast statutair bestuurder is [verweerder] per 1 september 2011 werkzaam bij Nordwin College op basis van een arbeidsovereenkomst in de functie van bestuurder tegen een bruto maandsalaris van laatstelijk € 7.740,- exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de cao mbo 2016-2017 (hierna te noemen de cao) van toepassing. [verweerder] is thans [leeftijd] oud.
Op 14 februari 2016 hebben RvT en CvB een 'opzet prestatieafspraken College van Bestuur 2016' opgesteld. De RvT heeft [verweerder] en [U] op basis van deze prestatieafspraken in december 2016 beoordeeld. Het concept beoordelingsverslag van 19 december 2016 met betrekking tot [verweerder] vermeldt (voor zover van belang):
Deze beoordeling bleek behoorlijk unaniem en de scores worden gedeeld, eerste de positieve (beeldvorming buitenwereld, totstandkoming meerjarenbegroting, relatie met stakeholders en partners) en daarna de verbeterpunten ('in control' zijn op deels onderwijskwaliteit, bedrijfsvoering waarvan mn ICT, professionalisering van staf en middenmanagement). (.....)
[Z] (kantonrechter: [Z] ) stelt vast dat dit, indicatief uiteraard, een gemiddelde geeft van 3,25. Hij oppert dat het een mooi streven zou zijn om, wellicht in stappen, toe te werken naar een gemiddelde van 4. Dit acht de raad ook haalbaar. Hij stelt dat het beeld van de raad is dat ook in 2016 nog veel operationele druk was en is en wenst [verweerder] (kantonrechter: [verweerder] ) in plaats van dezelfde operationele drukte in 2017 vooral meer bestuurlijke drukte toe, met een professionele staf en professioneel management. Waardering wordt geuit voor datgene wat de afgelopen 5 jaar is bereikt, Nordwin grotendeels operationeel in orde en weer op de kaart met een goede naam. Nu is het zaak dit professioneel en bestuurlijk te borgen in de gehele organisatie.
[verweerder] geeft hierop aan het weliswaar eens te zijn met de genoemde scores, maar het niet eens te zijn met een gemiddelde van 3,25 en de opmerking over operationele drukte. Hij "gaat niet voor minder dan een 4" omdat er naar zijn idee erg veel gebeurd is onder omstandigheden die niet bepaald ideaal waren. Hij schetst dat hij een aantal jaren geleden gestart is in een chaos, dat hij 'oud' moest afbouwen naar 'nieuw' met beperkte mogelijkheden op het gebied van bijvoorbeeld financiële middelen en personeel. Hij stelt nogmaals het niet eens te zijn met het beeld en gemiddelde.
(.....)
De raad verwacht van [verweerder] dat hij planmatiger en beter voorbereid ruimte neemt om de raad mee te nemen in zijn standpunten en potentiële plannen: vooruitkijken en daarop tijdig anticiperen, het gesprek hierover proactief organiseren. Het voelt voor de raadsleden nu nog te vaak als waan van de dag, ad hoc. Dit patroon tekent zich op een aantal dossiers af.
(.....)
Op verzoek geeft ze (lees: [X] ) aan dat ook de afgelopen twee jaren de inhoud van het beoordelingsgesprek veel leek op de inhoud van het huidige gesprek: de beoordelaars stellen dat het bestuur meer moet gaan besturen en de operatie op orde brengen zodat dit gedelegeerd kan worden en het bestuur stelt zich op het standpunt dat het ook een hectische periode is geweest en dat er heel veel is gebeurd waar naar hun idee te weinig waardering voor is. De raad stelt zich op het standpunt dat dit patroon voor 2017 niet meer acceptabel is. Want daarmee blijft de organisatie te kwetsbaar en te afhankelijk van 1 of 2 leden (i.c. de RvB).
(.....)
Hij (lees: [Z] ) noemt als kernpunten nogmaals het professionaliseren van staf (niveau op orde brengen en afbouw externe inhuur) en middenmanagement zodat er (meer) gedelegeerd en gemonitord kan worden, het bestuurlijk optreden van [verweerder] in de organisatie, waarbij hij ver(der) vooruit kijkt, daarop tijdig anticipeert met planvorming en de raad daar op proactieve wijze in meeneemt, en het verder afbouwen van inzet van CvB in de operatie.
[verweerder] heeft op 14 januari 2017 aan de RvT een uitvoerige 'persoonlijke beschouwing n.a.v. mijn beoordelingsgesprek over 2016' gegeven, waarin hij onder meer aangeeft dat in het gesprek meerdere punten zijn genoemd die hij niet kan plaatsen en dat hij in het gesprek weinig ruimte heeft ervaren om te reageren op de kritiekpunten van de RvT.
Bij brief van 13 februari 2017 heeft de Inspectie van het Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het 'Rapport van bevindingen financieel continuïteitstoezicht bij Stichting Nordwin College' aan het CvB toegestuurd. Dit rapport vermeldt onder meer:
De bevindingen in hoofdstuk 2 wijzen uit dat de financiële resultaten nog niet op orde zijn, maar wel verbeteren en dat de financiële continuïteit van de instelling in de komende drie jaar niet in het geding is. Wel moet de instelling alert blijven op zijn financiële ontwikkelingen, en zich met name richten op sluitende exploitatieresultaten, voortzetting van de beheersing van de uitgaven van investeringen en de voorgenomen afstelling van de kosten in relatie met de verwachte ontwikkeling van het aantal deelnemers/leerlingen.
Het CvB heeft dit rapport niet in afschrift verzonden naar de RvT.
[U] is per 1 juni 2017 uit het bestuur getreden en vertrokken en niet opgevolgd. Sindsdien is [verweerder] enig bestuurder.
Het verslag van de vergadering van de RvT en het CvB van 23 mei 2017 vermeldt onder meer:
3 Accountantsverslag (i.a.v. KPMG en controller)
(.....)
c. Begroting, prognose en gerealiseerd resultaat
Het gerealiseerde resultaat (€ 407.745,- negatief) is ongeveer € 91.000,- gunstiger dan het begrote resultaat. Er zijn geen incidentele baten en lasten die dit beïnvloeden. Dit is een positieve ontwikkeling richting de toekomst. Het is wel van belang om de liqiditeitsplanning en de sturing daarop goed in de gaten te houden.
[verweerder] heeft de RvT op 27 juli 2017 een 'update overschrijding loonkosten, stand van zaken bezuinigingen op groen MBO-onderwijs, gestegen verzuim en voortgang verbouwingen' gestuurd. In die notitie schrijft [verweerder] onder meer:
Er is sprake van een flinke overschrijding van de begroting op het punt van de loonkosten, vooral als gevolg van een sterke stijging van het ziekteverzuim. Er moest aanzienlijk meer uren worden vervangen dan vooraf was ingecalculeerd; wij verwachten dat dit over heel 2017 om een bedrag van 495.000 euro extra zal gaan bij gelijkblijvend verzuim. Daarnaast zullen de loonkosten voor onderwijzend personeel over de periode tot en met december hoger uitkomen (plus 118.000 euro) omdat we meer nieuwe deelnemers hebben dan de prognose voor 2017/2018. We verwachten een extra negatief resultaat van 663.000 euro, óók omdat we te maken hebben met hogere exploitatiekosten van ca. 50.000 euro als gevolg van diverse prijsstijgingen (o.a. schoonmaak, leermiddelen).
(.....)
De reparatie van de bekostiging komt voor het groene onderwijs als geroepen. Er zijn momenteel al meerdere AOC's die, net als wij, in financiële problemen dreigen te geraken. Mocht de reparatie er niet (spoedig) van komen, dan zullen wij ons ernstig moeten bezinnen op de consequenties voor het zelfstandig voorbestaan van onze school.
Naar aanleiding hiervan heeft [verweerder] in september 2017 een eerste concept-meerjarenbegroting gepresenteerd waarin werd voorzien in een drietal scenario's.
Op 13 oktober 2017 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden tussen de RvT en [verweerder] in De Neushoorn te Leeuwarden, waarbij het fusieproces met verschillende fusiepartners is verkend.
Op 17 oktober 2017 is er met [Z] en [X] , leden van de RvT, een tussenevaluatie gehouden over het functioneren van [verweerder] . In dit verslag staat vermeld (voor zover van belang):
[Z] brengt nog een punt van aandacht in vanuit de Raad van Toezicht. Die zou [verweerder] graag wat meer regie zien voeren op het proces van continuïteit van Nordwin binnen de actuele ontwikkelingen. De Raad voelde zich overvallen door de gang van zaken, had graag eerder meegenomen willen worden in deze gedachten. [verweerder] zegt dat ontwikkelingen wel echt snel gaan, een jaar geleden stond de school er heel anders voor. [Z] en [X] (kantonrechter: [X] ) stellen dat er uiteraard veel onduidelijk is, maar je kunt ook eerder inhoudelijk afwegingen maken wat je als school wilt, welke kroonjuwelen je hebt, wat te doen als er zich onverwachte ontwikkelingen voordoen, wat bijvoorbeeld dan potentiële (fusie)partners zijn. Dat gesprek had ook in het verlengde van het Koersplan al gevoerd kunnen worden. [verweerder] zegt dat aandachtspunt te snappen en probeert dit mee te nemen. We nemen het jaarplan 2017 door, constateren dat hij geactualiseerd moet worden, maar dat er veel zaken op groen staan. Spannendste is nu de komst van de Inspectie en de discussie rondom wel of geen fusie. Hiermee besluiten we het gesprek.
In een voortgangsrapportage van 8 november 2017 heeft [verweerder] de RvT geïnformeerd over de laatste stand van zaken. In de vergadering van de RvT heeft [verweerder] hier een toelichting op gegeven. De RvT heeft daarop aangegeven behoefte te hebben aan een andere cijfermatige onderbouwing en de RvT heeft het CvB verzocht om KPMG hiervoor te benaderen.
[verweerder] heeft op 24 november 2017 de conceptkaderbrief voor de begroting 2018 en de (meerjaren-)begroting 2018 aan de RvT gestuurd. De conceptkaderbrief vermeldt onder meer (voor zover van belang):
Omdat we in meerjarenperspectief onvoldoende resultaat kunnen boeken, ziet de toekomst van Nordwin College er zorgelijk uit als verandering achterwege blijft. De consequenties van de jarenlange bezuinigingen en de afnemende slagkracht van de organisatie in relatie tot de naderende krimp moeten we onder ogen zien. Het CvB van Nordwin College oriënteert zich momenteel, in nauw overleg met de RvT, op kansrijke verbindingen met andere onderwijspartners. Onze ambities, kernwaarden en sterke punten zoals deze in verwoord in Koers 2022 vormen daarbij het vertrekpunt. Nordwin College heeft veel moois te bieden en er is veel bereikt waar we door het versterken van de banden met andere partners ongetwijfeld nog beter op kunnen doorbouwen. Onze zelfstandige positie is hierbij niet bij voorbaat een vanzelfsprekendheid.
In een e-mail van 26 november 2017 aan [Z] ter voorbereiding op een gesprek met de voorzitters van het Friesland College en Friese Poort meldt [verweerder] :
Je hebt het in je mail over een eerste kennismaking (dat geldt althans voor de RvT). Met welke agenda gaan we wat jou betreft in het gesprek zitten?
De laatste bijeenkomst gaf de RvT mij allerlei signalen dat men nog lang niet toe is aan praten over het opgeven van de zelfstandige positie, laat staan om nu een keuze te maken voor een bepaalde onderwijsinstelling. Ik krijg daaruit de indruk en jouw mail versterkt me daarin, dat we er morgen wat de RvT beter niet over kunnen beginnen. Dat vind ik verwarrend. Afgelopen week ben ik met het management bezig geweest om de organisatie voor te bereiden op een nieuwe toekomst. In de bij de (meerjaren-)begroting behorende kaderbrief ben ik er heel duidelijk over. Vanuit mijn bestuurlijke verantwoordelijkheid kan ik ook niet anders.
De begrotingsstukken met de kaderbrief worden komende week verspreid aan de drie medezeggenschapsraden van NC. Hiermede gaat het voor iedereen helder worden: wij kunnen niet alleen door.
In reactie daarop heeft [Z] bij e-mail van 26 november 2017 aan [verweerder] meegedeeld:
We zijn zeer ontstemd hierover en geven daarom als Raad van Toezicht jou de opdracht de verzending van de kaderbrief direct op te schorten tot nader order, alsmede alle communicatie over samenwerking, fusie, mogelijk opgeven van zelfstandigheid van Nordwin College in de breedste zin, direct te staken.
[verweerder] heeft hierop bij e-mail van 26 november 2017 aan [Z] aangegeven:
De kaderbrief is alleen nog naar de RvT verzonden i.v.m. de bespreking van komende dinsdag in de Financiële Commissie. De inhoud van de bespreking wordt meegenomen bij de opstelling van de definitieve kaderbrief waarbij ik voornemens ben om die donderdagmorgen met de (meerjaren-) begroting te verspreiden aan de raad. Het is nu de tijd en het is mijn verantwoordelijkheid om die stukken aan hen op te sturen.
[Z] heeft hierop in een e-mail van 27 november 2017 aangegeven dat het voor [verweerder] duidelijk moet zijn wat de RvT van hem verlangt en dat een andere benadering, zowel qua proces als qua communicatie, niet is toegestaan.
Op 28 november 2017 heeft de Financiële Commissie van de RvT haar positieve advies aan de (meerjaren-)begroting 2018 onthouden en aangegeven dat de cijfers getoetst dienden te worden door KPMG.
[verweerder] heeft bij e-mail van 29 november 2017 aan [Z] meegedeeld (voor zover van belang):
Wat betreft de instructie die de RvT heeft gemeend mij te moeten opleggen aangaande de in- en externe communicaties, wijs ik de RvT op mijn verantwoordelijkheid om met alle actoren binnen en buiten de organisatie te communiceren en om voorbereidingen te treffen die passend zijn in het licht van de thans voorliggende begroting en toekomstverwachting. Uiteraard snap ik dat we, RvT en ondergetekende, in gesprek zijn met onderwijspartners en dat we daar in alle zorgvuldigheid en discretie mee om moeten gaan.
Ik kan mededelen dat ik de conceptbegrotingen en de daarbij behorende kaderbrief heb doorgestuurd aan alle leidinggevenden en dat de stukken ter instemming aan de Ondernemingsraad, de Studentenraad en de Ouderraad zijn aangeboden. Zodra KPMG haar onderzoek heeft voltooid en de cijfers heeft gecontroleerd, zal ik e.e.a. ook ter instemming voorleggen aan de RvT. Ik verzoek KPMG nogmaals om dit voor 15/12 a.s. af te ronden.
Op 4 december 2017 heeft de RvT van Nordwin College [verweerder] geschorst als (enig) lid van het CvB. Sinds die datum is [T] bij ontstentenis of belet van de bestuurders bevoegd Nordwin College te vertegenwoordigen.
Op 18 december 2017 heeft de RvT [verweerder] als statutair bestuurder ontslagen. De statutaire schorsing is vervolgens omgezet in een schorsing op grond van artikel 2.7 lid 1 cao mbo en aangekondigd is dat de RvT voornemens is [verweerder] te schorsen op basis van artikel 2.7 lid 2 sub c cao mbo voor de duur van de ontbindingsprocedure.
De Inspectie van het Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft bij brief van 14 december 2017 aan de RvT bericht dat zij het voornemen heeft het Nordwin College onder verscherpt financieel toezicht te stellen.
[verweerder] heeft in kort geding wedertewerkstelling gevorderd in zijn functie. De mondelinge behandeling van dit kort geding heeft plaatsgevonden op 27 december 2017. Door de kantonrechter te Leeuwarden is in zijn vonnis van 5 januari 2018 onder meer overwogen:
Nordwin College heeft benadrukt dat haar besluit om [verweerder] niet langer te werk te stellen als bestuurder een tijdelijke noodmaatregel betrof. Volgens Nordwin College is het niet mogelijk dat [verweerder] zijn werkzaamheden als bestuurder voortzet omdat de Raad van Toezicht geen vertrouwen meer heeft in een verdere samenwerking met [verweerder] . Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dit onvoldoende om [verweerder] niet langer toe te laten tot zijn werkzaamheden, nu blijkens hetgeen Nordwin College in het kader van de onderhavige procedure heeft aangevoerd, die vertrouwensbreuk in belangrijke mate is veroorzaakt door het feit dat de Raad van Toezicht en [verweerder] verschillende visies hebben op de taken en bevoegdheden van het College van Bestuur ten opzichte van die van de Raad van Toezicht en op de te bewandelen weg en het tempo waarin maatregelen genomen moeten worden met betrekking tot de toekomst van het Nordwin College. Het zijn deze twee thema's die, naar de kantonrechter begrijpt, in overwegende mate ten grondslag hebben gelegen aan de schorsing van [verweerder] . Niet is gesteld of gebleken dat partijen hierover inhoudelijk het gesprek zijn aangegaan om te proberen op die thema's een gezamenlijke visie te ontwikkelen. Daarentegen is de Raad van Toezicht op 4 december 2017 overgegaan tot de schorsing van [verweerder] als (statutair) bestuurder, zonder hoor- en wederhoor toe te passen. De [verweerder] gegeven termijn van één werkdag (vrijdag 1 december 2017) om zich voor te bereiden op een vergadering waarin zijn schorsing als (statutair) bestuurder aan de orde kwam, kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet als een redelijke termijn worden aangemerkt. Nordwin College heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om voorshands te kunnen oordelen dat er sprake was een spoedsituatie, op grond waarvan Nordwin College niet de termijn van tenminste zeven dagen als bedoeld in artikel 13 lid 4 van de statuten in acht behoefde te nemen. De Raad van Toezicht twijfelde over de door juistheid van de door [verweerder] gepresenteerde financiële cijfers en wilde een onderzoek daarvan, uitgevoerd door KPMG. De Raad van Toezicht heeft dat onderzoek echter niet afgewacht, terwijl [verweerder] - vanuit zijn visie op de taken en bevoegdheden van het College van Bestuur - deze financiële cijfers intern heeft gedeeld met allen die daaraan hun instemming dienden te verlenen. Dat was weliswaar tegen de instructies van de Raad van Toezicht, maar dat rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet de door de Raad van Toezicht getroffen noodmaatregel.
Nordwin College is door de kantonrechter in kort geding veroordeeld om [verweerder] binnen 24 uur na betekening van het vonnis in staat te stellen zijn werkzaamheden als bestuurder op basis van zijn arbeidsovereenkomst op de gebruikelijke wijze te hervatten zoals deze werden verricht tot 4 december 2017, met uitzondering van de [verweerder] voorheen toekomende statutaire bevoegdheden behorend bij de functie van voorzitter van het CvB, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag.
De RvT heeft per 8 januari 2018 een waarnemend statutair bestuurder aangesteld, mevrouw [S] (hierna te noemen [S] ).
Bij e-mail van 11 januari 2018 heeft [Z] aan [verweerder] meegedeeld:
Naar aanleiding van ons gesprek op maandag 8 januari jl. omtrent de invulling van je werkzaamheden, met inachtneming van de uitspraak in kort geding, heb ik namens de Raad van Toezicht hieronder (een voorstel voor) de kaders daarvoor aangegeven. Op jouw verzoek bevestig ik dat middels deze mail.
(.....)
Aan jou wordt, uitvoerend, de dagelijkse leiding gegeven aan de interne organisatie van Nordwin College. Zonder hiermee uitputtend te zijn doch in elk geval binnen de opdrachten, richtlijnen, kaders, beleidsvoornemens et cetera, zoals die door de waarnemend statutair bestuurder aan jou worden verstrekt.
KPMG heeft op verzoek van Nordwin College een 'Rapportage validatie meerjarenbegroting 2018-2022' opgesteld, gedateerd 18 januari 2018.
Nordwin College heeft op 22 januari 2018 hoger beroep ingesteld tegen het kort geding vonnis van 5 januari 2018.
[verweerder] heeft bij dagvaarding d.d. 22 januari 2018 (tevens inhoudende een vordering tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.) een verklaring voor recht gevorderd dat zowel het besluit van 4 december 2017 tot schorsing van [verweerder] als statutair bestuurder als het besluit van 18 december 2017 tot ontslag van [verweerder] als statutair bestuurder nietig zijn danwel gevorderd dat deze vernietigd worden, en gevorderd om Nordwin College te verbieden om verdere uitvoeringshandelingen of rechtsmaatregelen te nemen gebaseerd op deze besluiten.
Op 24 januari 2018 hebben [verweerder] en [S] tijdelijke werkafspraken gemaakt over een onderlinge taakverdeling. Tijdens het gesprek met [S] werd [verweerder] gebeld door zijn echtgenote met de mededeling dat de RvT hem bij brief van 23 januari 2018 met ingang van diezelfde datum geschorst had op grond van artikel 2.8 lid 2 sub c cao mbo, welk voornemen reeds was geuit in de brief van 18 december 2017 (zie r.o. 2.22). De RvT heeft [verweerder] daarbij aangegeven dat tot de uitspraak in hoger beroep geen uitvoering zou worden gegeven aan deze schorsingsmaatregel.
[Z] heeft ter toelichting op 24 januari 2018 aan [verweerder] meegedeeld:
Bij brief van 23 januari 2018 heeft de Raad van Toezicht u met ingang van diezelfde datum geschorst op grond van artikel 2:7 lid 2 sub c cao mbo. Echter, gezien het vonnis van 5 januari 2018 en de aankondiging van uw raadsman dat u bij een (nieuwe) schorsing alsnog de dwangsommen zal verbeuren, heeft de Raad van Toezicht om hem moverende redenen vooralsnog besloten om tot de uitspraak in hoger beroep in feite geen uitvoering te geven aan de opgelegde schorsingsmaatregel van 23 januari 2018. Dit laat onverlet dat de Raad van Toezicht primair van mening is dat Nordwin College bij uitvoering van de opgelegde schorsing van 23 januari 2018 sowieso geen dwangsom verschuldigd is, nu het een nieuw opgelegde schorsingsmaatregel betreft. Gezien de inmiddels ontstane situatie en de al lopende procedures heeft de Raad van Toezicht ervoor gekozen op dit moment geen zogenaamd executiegeschil te starten.
De schorsingsmaatregel van 23 januari 2018 blijft echter wel gehandhaafd. Feit is namelijk dat naar het oordeel van de Raad van Toezicht het in het belang van Nordwin College is dat u aankomende periode geschorst blijft en/of wordt.
Concreet betekent dit dat u - ondanks de schorsingsmaatregel d.d. 23 januari 2018 - vooralsnog nog steeds te werk wordt gesteld in uw functie van bestuurder zoals is bepaald in het vonnis van 5 januari 2018, totdat het Gerechtshof dan wel de Raad van Toezicht alsnog anders beslist.
[S] heeft bij e-mail van 25 januari 2018 om 00.23 uur aan [verweerder] bericht:
Ik was vanmiddag oprecht blij dat het voor het eerst mogelijk was om een constructief gesprek met elkaar te hebben over de taakverdeling tussen ons. (.....). Ik vond het vanmiddag een prettig gesprek. Jammer dat het niet eerder plaats kon vonden omdat het uitblijven van dit gesprek de organisatie de afgelopen weken geschaad heeft.
In ons vervolggesprek ging jij een urgent telefoontje plegen. Vervolgens liep je op de gang met de tekst "het is weer zover, ik ben weer geschorst".
Gelijk heb ik toen tegen je gezegd, [verweerder] dat ligt anders, kom mee naar je kamer, om verdere schade in de organisatie te beperken. Immers, verschillende medewerkers waren getuige van je uitspraak. Ik heb jou uitgelegd hoe eea m.i. in elkaar steekt. Voor jou was dit niet voldoende. (.....),
Groot was mijn verbazing en daarna ontsteltenis, toen je me om 17.00 uur belde met de mededeling; De schorsing moet direct worden ingetrokken door [Z] of ik ga iedereen informeren, de raden en verder".
Ik heb dit als bedreigend ervaren voor de organisatie. Immers, door jouw eerder uitlatingen in de pers staat het Nordwin College toch al onder de schijnwerpers. Niet goed voor de organisatie en ik maak me daar dan ook zorgen over.
[verweerder] , gegeven deze omstandigheden vervallen de gemaakte afspraken over jouw taken die je de komende drie weken op je zou nemen.
[verweerder] verricht sinds 25 januari 2018 geen werkzaamheden meer voor Nordwin College.
In februari 2018 hebben partijen zonder succes een mediationtraject gevolgd en na de mondelinge behandeling van de onderhavige verzoekschriften hebben partijen (nogmaals) een mediationtraject gevolgd. Dit traject is evenmin succesvol afgesloten.