Rechtbank Noord-Nederland, 20-12-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:5385, LEE 18-3385
Rechtbank Noord-Nederland, 20-12-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:5385, LEE 18-3385
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 december 2018
- Datum publicatie
- 3 januari 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2018:5385
- Zaaknummer
- LEE 18-3385
Inhoudsindicatie
Gevolgen arrest van het Hof van Justitie naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling. Gelet op algemeen verzoek om voorlopige voorziening en het arrest van het Hof van Justitie thans geen aanleiding om in alle gevallen een voorlopige voorziening te treffen. Toepasselijkheid van de AVG en splitsing van de beroepen in afzonderlijke nummers.
Uitspraak
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: LEE 18/3385
1.a. de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (MOB), gevestigd te Nijmegen, verzoekster sub 1.a.,
1.b. de Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, verzoekster sub 1.b.,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. V. Wösten),
en
(gemachtigde: F.L. van der Schuur).
1. [derde belanghebbende], gevestigd te [plaats], vergunninghouder sub 1,
2. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 2,
3. [derde belanghebbende], gevestigd te [plaats], vergunninghoudster sub 3,
4. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 4,
5. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 5,
6. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 6,
7. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunning-houders sub 7.,
8. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder sub 8,
9. [derde belanghebbende], gevestigd te [plaats], vergunning-houdster sub 9,
10. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 10,
11. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 11,
12. [derde belanghebbende], vergunninghouder sub 12,
13. [derde belanghebbende] vergunninghouder sub 13,
14. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 14,
15. [derde belanghebbende], gevestigd te [plaats], vergunninghoudster sub 15,
16. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 16,
17. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 17,
18. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghoudster sub 18,
19. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouders sub 19,
20. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder sub 20,
21. [derde belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder sub 21,
gezamenlijk te noemen: vergunninghouders.
Procesverloop
Bij 21 (afzonderlijke) primaire besluiten heeft verweerder aan vergunninghouders een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend ten behoeve van de afzonderlijke bedrijfsplannen.
Bij besluit van 31 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de (afzonderlijke) bezwaarschriften van verzoekers ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 18/3386. Tevens hebben verzoekers bij brief van 12 november 2018 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Vergunninghouders zijn op de hoogte gesteld van het beroep en het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Toepassing is gegeven aan het derde lid van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Feiten en omstandigheden
1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.
Vergunninghouders hebben ten behoeve van hun uiteenlopende bedrijfsplannen op verschillende data een afzonderlijke aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb bij verweerder ingediend.
Op 25 mei 2018 is de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming; AVG), in werking getreden.
Bij (afzonderlijke) primaire besluiten heeft verweerder aan vergunninghouders een vergunning ingevolge de Wnb verleend ten behoeve van de afzonderlijke bedrijfsplannen.
Tegen deze besluiten hebben verzoekers bij afzonderlijke brieven van 25 september 2018 bezwaarschriften bij verweerder ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de (afzonderlijke) bezwaarschriften van verzoekers in één besluit ongegrond verklaard.
Bij arrest van 7 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:882, hierna: het Arrest) heeft het Hof van Justitie (HvJ) voor recht verklaard dat:
1. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn), moet aldus worden uitgelegd dat het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van Natura 2000-gebieden kunnen worden aangemerkt als project in de zin van deze bepaling, ook al zou er geen sprake zijn van een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten aangezien het daarbij niet zou gaan om een fysieke ingreep in het natuurlijk milieu.
2. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat een periodieke activiteit zoals het op of in de bodem brengen van meststoffen, waarvoor naar nationaal recht toestemming was verleend voor de inwerkingtreding van die richtlijn, voor de toepassing van deze bepaling kan worden aangemerkt als één en hetzelfde project waarvoor geen nieuwe toestemmingsprocedure hoeft te worden doorlopen, mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd. Ook al is voor een dergelijk project een vergunning verleend voordat de beschermingsregeling van die bepaling toepasselijk werd op het betrokken gebied, de uitvoering van dat project kan toch onder artikel 6, lid 2, van die richtlijn vallen.
3. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de bevoegde instanties in het kader van een programmatische aanpak een vergunning voor projecten kunnen verlenen op basis van een passende beoordeling, zoals bedoeld in deze bepaling, die in een eerder stadium is uitgevoerd en volgens welke een bepaalde totale hoeveelheid stikstofdepositie verenigbaar is met de instandhoudingsdoelstellingen van die regeling. Dat is echter slechts het geval wanneer na een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van die beoordeling kan worden gegarandeerd dat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat geen van de plannen of projecten schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke
kenmerken van het betrokken gebied, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
4. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan voor bepaalde projecten die een bepaalde drempel- of grenswaarde voor stikstofdepositie niet overschrijden, in het kader van een programmatische aanpak geen individuele toestemming is vereist, indien de nationale rechter ervan overtuigd is dat de passende beoordeling, zoals bedoeld in deze bepaling, die in een eerder stadium is uitgevoerd, voldoet aan het criterium dat er geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat dat die plannen of projecten geen schadelijke gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden.
5. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als in de hoofdgedingen, op grond waarvan een bepaalde categorie van projecten, in dit geval het op of in de bodem brengen van meststoffen en het weiden van vee, in het kader van een programmatische aanpak wordt uitgevoerd zonder dat sprake is van een vergunningplicht en daarmee van een individuele passende beoordeling van de gevolgen van die projecten voor de betrokken gebieden, tenzij op grond van objectieve omstandigheden met zekerheid kan worden uitgesloten dat die projecten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kunnen hebben voor die gebieden, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
6. Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat instandhoudingsmaatregelen in de zin van lid 1 van dat artikel, preventieve
maatregelen in de zin van lid 2 van dat artikel, maatregelen die specifiek voor
een programma als dat in de hoofdgedingen worden getroffen, of zogenoemde
autonome maatregelen, dus maatregelen die losstaan van dat programma, niet
mogen worden betrokken in een passende beoordeling als bedoeld in deze
bepaling indien de verwachte voordelen van die maatregelen niet vaststaan ten
tijde van die beoordeling.
7. Artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat maatregelen die zijn opgenomen in een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, waaronder procedures voor monitoring van en toezicht op agrarische bedrijven waarvan de activiteiten stikstofdepositie veroorzaken, en de mogelijkheid tot het opleggen van sancties waarbij zelfs sprake kan zijn van sluiting van die bedrijven, voldoende zijn om te voldoen aan deze bepaling.
Toepasselijke regelgeving
2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn treffen de Lid-Staten voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.
Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn treffen de Lid-Staten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn neemt de Lid-Staat, indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.
Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb hoeft in afwijking van het eerste lid geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.