Home

Rechtbank Noord-Nederland, 21-06-2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2681, C18/191664 / KG ZA 19-90

Rechtbank Noord-Nederland, 21-06-2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2681, C18/191664 / KG ZA 19-90

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21 juni 2019
Datum publicatie
21 juni 2019
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2019:2681
Zaaknummer
C18/191664 / KG ZA 19-90

Inhoudsindicatie

Aanbesteding installatie Feringa Building;

Terzijdelegging van de inschrijving op grond van onaanvaardbaarheid niet terecht;

Niet op goede gronden gebruik gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging, waarbij de opdracht inmiddels aan een derde is gegund; verbod de overeenkomst met die derde uit te voeren

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/191664 / KG ZA 19-90

Vonnis in kort geding van 21 juni 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CROONWOLTER&DROS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNICA INSTALLATIETECHNIEK,

gevestigd te Hoevelaken,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENGIE SERVICES NOORD B.V.,

gevestigd te Roden,

eiseressen,

advocaat mr. M.R. Lim te Leiden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

gedaagde,

advocaat mr. P.P.R. Hoekstra te Groningen.

Partijen zullen hierna UEC en de RUG genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding;

-

de mondelinge behandeling op 28 mei 2019;

-

de pleitnota van UEC;

-

de pleitnota van de RUG;

-

de voortzetting van de mondelinge behandeling op 3 juni 2019;

-

de pleitnota van UEC;

-

de pleitnota van de RUG.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Het complex Nijenborgh 4 te Groningen waarin de faculteit Science and Engineering is gevestigd, voldoet niet meer aan de daaraan te stellen eisen. In verband daarmee heeft de RUG enige jaren geleden besloten dat het complex zal worden vervangen door een nieuw gebouw, genaamd de Feringa Building.

Het nieuwe gebouw krijgt een oppervlakte van ongeveer 62.000 vierkante meter en moet ongeveer 1400 studenten en 850 medewerkers huisvesten. Naast kantoor- en collegeruimtes is in het gebouw een groot scala bijzondere laboratoria voorzien, zoals fysische, (bio)chemisch en trillingsvrije laboratoria.

2.2.

Ten behoeve van de realisering van de Feringa Building is de RUG in 2016 een aanbestedingsprocedure gestart. Deze aanbestedingsprocedure is medio 2017 door de RUG voortijdig beëindigd, aangezien de verwachte inschrijfsommen het projectbudget van de RUG ruimschoots zouden overschrijden.

2.3.

In 2018 is de RUG terzake een nieuwe aanbestedingsprocedure begonnen. Daarvoor is het project in 4 percelen onderverdeeld:

• perceel 1 betreft de bouwkundige uitvoeringswerkzaamheden;

• perceel 2 de installatietechnische advies- en uitvoeringswerkzaamheden

(werktuigbouwkundige en elektrotechnische);

• perceel 3 de levering en gebruiksgerede installatie van laboratoriuminrichting; en

• perceel 4 de werkzaamheden met betrekking tot de cleanrooms.

2.4.

Voor zover van belang in dit kort geding is ten aanzien van de aanbesteding van perceel 2 gekozen voor een Europese mededingingsprocedure met onderhandeling conform het Europese deel van hoofdstuk 5 van het ARW 2016. Ten behoeve daarvan is de lnschrijvingsleidraad installatietechnische werkzaamheden - perceel 2 d.d. 22-05-2018 (documentcode RNN17O5ROO3) opgesteld. Het daarin vermelde gunningscriterium betreft de beste-prijs-kwaliteitsverhouding.

2.5.

UEC heeft zich aangemeld voor de selectiefase. De aanmelding is door de

beoordelingscommissie beoordeeld en gebleken is dat UEC de enige geselecteerde gegadigde was. Nadat de RUG had besloten de aanbesteding door te zetten, is de inschrijvings- en onderhandelingsfase begonnen.

2.6.

Op grond van de inschrijvingsleidraad diende UEC in eerste instantie een quickscan te maken. Doel daarvan is om de integrale prijs van het werk in relatie tot het beschikbare budget inzichtelijk te maken. In onderdeel 3.3 van de Leidraad is het budgettaire kader in dezen gesteld op € 56.200.000,00 (excl. BTW).

De quickscan van UEC sloot op een bedrag van € 85.348.226,64 (excl. BTW).

Omtrent het verschil van ongeveer € 30.000.000,00 tussen het budgettaire kader van de RUG en de quickscan van UEC hebben partijen uitvoerig met elkaar gesproken.

2.7.

Bij brief d.d. 18 oktober 2018 heeft de RUG UEC uitgenodigd tot het doen van een eerste inschrijving. Die eerste inschrijving sloot uiteindelijk op € 90.700.000,00 (excl. BTW). zijnde de prijs voor bestek/TO. Daarnaast hebben er diverse aanpassingen plaatsgevonden, waarmee de prijs voor bestek/TO uit op € 89.138.550,00 (excl. BTW). Ook is daarbij vermeld dat na verschillende optimalisaties, die niets afdoen aan de functionaliteit, een prijs van € 82.664.530,00 (excl. BTW) gerealiseerd zou kunnen worden.

2.8.

Vervolgens heeft UEC bij brief d.d. 28 december 2018 verzocht om uitgenodigd te worden voor de onderhandelingsfase. Naar aanleiding daarvan hebben partijen op 10 januari 2019 een bespreking gevoerd, waarbij is afgesproken dat de onderhandelingsfase zou worden vormgegeven door het houden van meerdere workshops.

2.9.

Na de onderhandelingsfase heeft UEC op 1 maart 2019 haar definitieve inschrijving ingediend. De daarbij genoemde prijs bedraagt € 90.655.000,00. Daarbij is vermeld dat waar eerder het prijspeil juli 2018 werd gehanteerd, voor de definitieve inschrijving het prijspeil februari 2019 is aangehouden.

2.10.

Bij brief van 18 maart 2019 heeft de RUG de definitieve inschrijving van UEC

terzijde gelegd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

'In de inschrijvingsleidraad is een budgettair kader van (in totaal) € 56,2 mln, opgenomen. Uw inschrijvingssom van (afgerond) € 90,9 mln. ligt ver boven het budget van de RUG, waarmee sprake is van een onaanvaardbare en ongeschikte inschrijving. Deze zal derhalve terzijde worden gelegd. Aangezien uw inschrijving de enige inschrijving was, betekent deze terzijdelegging tevens dat de aanbestedingsprocedure daarmee eindigt.

Dat uw inschrijving van € 90,9 mln. ver boven het beschikbare budget ligt, is niet nieuw voor u. Terwijl in de inschrijvingsleidraad een budgettair kader van (in totaal) € 56,2 mln. was opgenomen, bedroeg uw eerste inschrijving namelijk (afgerond) € 94,4 mln. (excl. eigen bezuinigingen). Dat is later, als verduidelijkend antwoord op tijdens de toelichting op uw inschrijving d.d.10 december 2018 gestelde vragen, door de heer Sixma op 14 december 2018 per e-mail ook al bijgesteld tot (afgerond) € 90,9 mln.

Op 10 januari 2019 hebben partijen met elkaar gesproken over de ontstane situatie. Daarbij is uitgesproken of het wel zin zou hebben om verder te praten c.q. om de onderhandelingsfase in te gaan, gezien het feit dat de financiële discrepantie tussen uw (eerste) inschrijving en de (financiële) kaders van het project wel erg groot was. De RUG was evenwel bereid om haar budget enigszins op te rekken in verband met de ontwikkelingen op de markt en de RUG kreeg tijdens het gesprek het

idee dat u ook mogelijkheden zag om met een scherpere prijsstelling te komen. Om die reden is bij brief van 14 januari 2019 aangegeven dat het in elk geval de moeite waard was om te onderzoeken of partijen dichter bij elkaar zouden kunnen komen. In dat kader zijn vervolgens (zeven) dialoogsessies gehouden, waarin alle onderdelen van het werk kritisch tegen het licht zijn gehouden.

Nu blijkt dat uw definitieve inschrijving feitelijk niet anders is dan de eerste inschrijving, die ook € 90,9 mln, bedroeg. Daarmee heeft u een inschrijving gedaan, ter hoogte van een bedrag waarvan u al wist dat dit voor de RUG te hoog was. Daar komt bij dat de dialoogsessies de RUG niet hebben

overtuigd van het feit dat een scherpere prijsstelling niet mogelijk zou zijn. Dat is vervolgens bevestigd door de marktconsultatie die de RUG heeft gehouden en waar zij u destijds over heeft geïnformeerd. De inschrijving van UEC zal derhalve terzijde worden gelegd. Zoals gezegd waren er verder geen inschrijvers, zodat binnen deze aanbestedingsprocedure geen gunning zal plaatsvinden. De RUG zal zich beraden op de door haar te nemen vervolgstappen.'

2.11.

Bij brief d.d. 22 maart 2019 heeft UEC haar bezwaren tegen die terzijdelegging naar voren gebracht.

2.12.

Vervolgens heeft correspondentie plaatsgevonden tussen de raadsman van UEC en de advocaat van de RUG. Die correspondentie kan - zakelijk weergegeven - als volgt worden samengevat:

- Volgens de RUG speelt de oorspronkelijke budgetraming van € 56,2 mln, geen rol

(meer) en vormt het volgens de RUG geen grond voor het onaanvaardbaar en

ongeschikt achten van de inschrijving van UEC;

- De RUG heeft gedurende de aanbestedingsprocedure een nieuwe kostenraming laten

opstellen op basis waarvan de RUG meent dat de definitieve inschrijving van UEC als

onaanvaardbaar terzijde gelegd kan worden;

- Op 24 april 2019 is door UEC een kostenraming van de RUG (ter hoogte van het

bedrag van circa € 78.000.000,00) ontvangen;

2.13.

Door de RUG is bij haar overgelegde akte van feiten van 28 mei 2019 aangegeven dat de RUG perceel 2 intussen heeft gegund aan een derde; die derde is de combinatie [naam] die een offerte heeft uitgebracht voor perceel 2 die sloot op

€ 80.589.000,00. De aannemingsovereenkomst voor perceel 2 is op 20 mei 2019 ondertekend.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van de combinatie strekt er - na de wijziging van onderdeel III - toe:

I. de RUG te gebieden om tot intrekking van de beslissing, om de inschrijving van UEC terzijde te leggen wegens een onaanvaardbare en ongeschikte inschrijving, over te gaan en dit binnen 3 dagen na het verschijnen van het vonnis schriftelijk aan UEC te bevestigen op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

II. de RUG te gebieden om,

a. indien onderhavige aanbesteding niet door de RUG zelf wordt beëindigd al dan niet uit

hoofde van artikel 4 lid 1 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad, de opdracht aan UEC te gunnen; of

b. indien onderhavige aanbesteding door de RUG zelf wordt beëindigd al dan niet uit hoofde van artikel 4 lid 1 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad, een voorschot van € 500.000,00 ten aanzien van het totale op grond van artikel 4 lid 3 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad aan UEC toekomende bedrag, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, binnen 7 dagen na beëindiging van de aanbesteding aan UEC te betalen op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 50.000,00 per dag of dagdeel dat de RUG haar verplichting niet nakomt;

III. de RUG te verbieden om, indien onderhavige aanbesteding door de RUG zelf wordt beëindigd al dan niet uit hoofde van artikel 4 lid 1 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad, de opdracht door middel van een aanbesteding zonder wezenlijke wijziging, een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging ex § 2.2.1.7 Aw (“uit de hand gunnen”), of een (in strijd met artikel 2.14 Aw) splitsen c.q. opknippen van de opdracht, opnieuw in de markt te zetten op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

IV. de RUG te verbieden om, indien door de RUG reeds door een onwettige onderhandse gunning een overeenkomst is gesloten met een andere partij dan UEC voor de uitvoering van de installatiewerkzaamheden (perceel 2) van het project Feringa Building, (verdere) uitvoering te geven aan deze overeenkomst op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

V. de RUG te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

De RUG heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

5 De beslissing