Home

Rechtbank Noord-Nederland, 11-03-2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:5798, C/19/124731 / HA RK 18-57

Rechtbank Noord-Nederland, 11-03-2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:5798, C/19/124731 / HA RK 18-57

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11 maart 2019
Datum publicatie
11 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2019:5798
Zaaknummer
C/19/124731 / HA RK 18-57

Inhoudsindicatie

Primair is door verzoekster verzocht om de registraties bij het Bureau Krediet Registratie (BKR), welke staan opgenomen in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI), te (doen laten) verwijderen. Subsidiair verzoekt verzoekster de duur van de registratie in het in het CKI te beperken tot twee jaar. Het belang van verzoekster bij verwijdering van de registratie dan wel coderingen worden afgewogen tegen het achterliggende belang van (de handhaving van) de registratie van negatieve coderingen. Alle omstandigheden en belangen in aanmerking nemende komt de rechtbank tot de slotsom dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit meebrengen dat in beginsel het maatschappelijk belang bij handhaving van de BKR-registratie dien te prevaleren boven het belang van verzoekster. Primair gevorderde afgewezen. Door verweerster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de overbruggingsperiode van vijf jaar nodig is om verzoekster te behoeden voor overkreditering en andere financiële problemen. BKR- registratie van vijf jaar is buitenproportioneel voor verzoekster. Subsidiaire vordering toegewezen en de duur van de registratietermijn beperkt tot twee jaar.

Uitspraak

beschikking

Afdeling privaatrecht

Locatie [plaats 2]

zaaknummer / rekestnummer: C/19/124731 / HA RK 18-57

Beschikking van 11 maart 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaats 1]

verzoekster,

advocaat mr. H.F.A. Notenboom te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Partijen worden hierna [verzoekster] en ING genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2018;

- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 februari 2019;

- de brief aan de zijde van [verzoekster], ingekomen ter griffie op 5 februari 2019, met aanvullende producties 15 en 16;

- de brief aan de zijde van [verzoekster], ingekomen ter griffie op 7 februari 2019, met een aanvullend c.q. gewijzigd verzoekschrift en de producties 17 tot en met 22;

- een aanvullend verweerschrift met producties 15 tot en met 17 aan de zijde van ING, ingekomen ter griffie op 7 februari 2019;

- de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 11 februari 2019. Verschenen zijn [verzoekster], vergezeld met mr. H.F.A. Notenboom en de heer [naam 1] namens ING, vergezeld van mr. D.J. Pothuma. Mr. Notenboom heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.2.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

ING neemt krachtens artikel 4:32 van de Wet Financieel Toezicht (hierna: Wft) als aanbieder van kredieten verplicht deel aan een stelsel van kredietregistraties. De registratie van kredieten wordt uitgevoerd door het Bureau Krediet Registratie (hierna: het BKR). De registratie zelf vindt plaats in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: het CKI). Deelnemers zoals ING zijn gebonden aan het Algemeen Reglement van het BKR, waarin regels en voorwaarden zijn neergelegd waar het registreren van persoonsgegevens aan moet voldoen. Op deze gegevensverwerking is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing.

2.2.

[verzoekster] en haar ex partner de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) hebben bij de ING een tweetal hypothecaire leningen afgesloten. Op 30 november 2007 een combi hypotheek voor een bedrag van € 152.000,00, ten behoeve van de aankoop van de woning staande en gelegen aan de [adres] te [plaats 2] en op 29 oktober 2008 een aflossingsvrije hypotheek voor een bedrag van € 10.000,00. [verzoekster] en [naam 2] zijn in 2013 uit elkaar gegaan en [naam 2] is vanaf dat moment in de woning aan de [adres] te [plaats 2] blijven wonen.

2.3.

Er is zes maanden niet afgelost op de hypotheek. De woning staande en gelegen aan de [adres] te [plaats 2] is daarom eind 2013 verkocht. Na verkoop bedroeg de restschuld een bedrag van € 82.123,80.

2.4.

Bij brief van 29 januari 2014 heeft ING [verzoekster] gesommeerd de restschuld te voldoen en aangezegd dat indien zij deze niet betaalt een incassobureau zal worden ingeschakeld en ook dat ING verplicht is de bestaande restschuld te melden bij het BKR.

2.5.

Naast de vordering van de ING van € 82.123,80 had [verzoekster] een schuld bij de Belastingdienst van € 631,00 en een schuld bij het Zilveren Kruis Achmea van € 130,11.

2.6.

[verzoekster] is op 19 mei 2015 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Bij vonnis van 1 juni 2018 van deze rechtbank is de schuldsaneringsregeling beëindigd onder toekenning van een zogenoemde schone lei.

2.7.

Op verzoek van [verzoekster] heeft het BKR bij brief van 27 juni 2018 [verzoekster] geïnformeerd welke kredieten bij het BKR in het CKI staan geregistreerd. De registraties van de ING in het CKI betreffen de volgende:

registratie contract C-[nummer 1]

- registratiedatum: 1 juni 2011

- kredietsoort: Hypotheek

- bedrag: Niet bekend bij BKR

- code: A (achterstand)

- ingangsdatum: 8 mei 2011

- werkelijke einddatum: niet beëindigd

registratie contract C-[nummer 2]

- registratiedatum: 4 januari 2013

- kredietsoort: Hypotheek

- bedrag: Niet bekend bij BKR

- code: A (achterstand), met ingang van 6 december 2012

- bijzonderheidscode: 2, met ingang van 17 juli 2014

3, met ingang van 3 juni 2015

- werkelijke einddatum: niet beëindigd

2.8.

Uit het AR 2011 en de handleiding van het BKR volgt dat bijzonderheidscode 2 inhoudt dat de (restant)vordering geheel opeisbaar is gesteld en bijzonderheidscode 3 dat er een bedrag van € 250,00 of meer is afgeboekt.

2.9.

Nadat de schone lei aan [verzoekster] is toegekend heeft er een uitkering van een klein bedrag aan de ING plaatsgevonden op de openstaande restschuld van € 82.123,80. De ING heeft de restantvordering van [verzoekster] ruim, € 78.000,00, noodgedwongen als oninbaar afgeschreven. Als gevolg van deze afschrijving door ING is een '3-codering' in het CKI van het BKR geregistreerd.

2.10.

Op 3 juli 2018 is namens [verzoekster] aan ING een verzoek tot kennisneming verstuurd op grond van artikel 15 AVG. [verzoekster] heeft daarbij verzocht de registratie in het CKI toe te lichten. Bij brief van 16 juli 2018 heeft de gemachtigde van ING een nadere toelichting gegeven en ter onderbouwing stukken overgelegd.

2.11.

Bij brief van 6 augustus 2018 heeft Dynamiet Nederland namens [verzoekster] de gemachtigde van ING verzocht de BKR-registratie te verwijderen. De gemachtigde van ING heeft [verzoekster] bij brief van 17 september 2018 bericht niet tot verwijdering van de registratie in het CKI te zullen overgaan.

2.12.

Naar aanleiding van het verzoekschrift van [verzoekster] heeft ING gemeend er goed aan te doen, met inachtneming van het AR 2018, de registraties van [verzoekster] bij het BKR aan te passen. Bij brief van 1 februari 2019 heeft ING [verzoekster] geïnformeerd over de registratie conform het AR 2018. Per registratiedatum van 1 februari 2019 staat in het CKI bij [verzoekster] de volgende registratie vermeld:

registratie contract C-[nummer 1]

- registratiedatum: 1 februari 2019

- kredietsoort: restschuld hypotheek

- bijzonderheidscode: 3 (er is een bedrag van € 250,00 of meer afgeboekt)

- bedrag: € 82.123,00

- code: RH (restschuld hypotheek)

- ingangsdatum: 15 november 2013 (vanaf deze datum registratie HY (Hypotheek-achterstand) afgemeld, hierdoor is de registratie HY niet meer zichtbaar).

- werkelijke einddatum: 1 juni 2018 (datum schone lei).

2.13.

In artikel 28 van het AR 2011 staat vermeld dat als de vordering is voldaan een einddatum wordt geregistreerd en vanaf die datum een termijn van vijf jaar gaat lopen, waarna bijzonderheidscodes worden verwijderd. In het CKI is voor [verzoekster] als einddatum 1 juni 2018 geregistreerd, de datum dat de schone lei aan [verzoekster] is verleend, zodat de geregistreerde bijzonderheidscodering tot 1 juni 2023 zichtbaar zal zijn.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt- na wijziging van eis - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair: ING te bevelen binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking de genoemde bijzonderheidscode 3 in het CKI met contractnummer [nummer 1] van [verzoekster] te (doen laten) verwijderen;

II. Subsidiair: de duur van de registratie van de genoemde bijzonderheidscodering 3 in het CKI met contractnummer [nummer 1] te beperken tot 2 jaar en ING te bevelen deze bijzonderheidscodering na afloop van voornoemde termijn te (doen laten) verwijderen;

Meer subsidiair: een beslissing te nemen als uw rechtbank in goede justitie juist acht;

III. te bepalen dat ING aan de onder I. genoemde veroordeling zal voldoen op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat ING niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 50.000,00;

IV. ING te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder salaris gemachtigde.

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat haar persoonlijk belang bij verwijdering van de registratie in dit geval zwaarder dient te wegen dan het algemeen belang bij handhaving daarvan en verwijst daarbij naar het Santander-arrest (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). Buiten haar schuld om - gezien de afspraak die [verzoekster] had gemaakt met haar ex-partner dat hij de hypotheek zou betalen - heeft [verzoekster] de woning moeten verkopen. Na verkoop van de woning is een restschuld ontstaan en vervolgens is [verzoekster] toegelaten tot de WSNP. In de WSNP heeft [verzoekster] zich door extra te werken ingespannen om het te verdelen boedelsaldo te verhogen. Omdat [verzoekster] haar verplichtingen goed was nagekomen is haar aan het einde van de looptijd "schone lei" verleend. ING heeft daarop aan [verzoekster] een restantschuld van circa € 78.000,00 kwijtgescholden. Op het moment dat [verzoekster] de WSNP in ging waren er slechts twee andere kleine schulden van € 631,00 en € 130,11. Op dit moment heeft [verzoekster] haar financiële zaken op orde en zijn er geen andere (negatieve) BKR-registraties, noch schulden of betalingsachterstanden, zodat [verzoekster] geen financieel risicogeval betreft. Wegens de registratie van bijzonderheidscode 3 kan [verzoekster] geen lening krijgen van € 4.000,00 om een auto aan te schaffen die zij nodig heeft voor haar werk. De BKR-registratie heeft derhalve disproportionele gevolgen voor haar, aldus [verzoekster].

3.3.

ING voert verweer en verzoekt de vordering af te wijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. ING voert daartoe aan dat zij op 1 februari 2019, met inachtneming van het AR 2018, de registraties van [verzoekster] heeft aangepast en dat de op dit moment bestaande registratie RH met bijzonderheidscode 3 terecht is en de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit daarbij in acht zijn genomen. Tevens voert ING aan dat de belangen van [verzoekster] tot doorhaling van de BKR-registratie onvoldoende opwegen tegen het algemeen belang van handhaving van de BKR-registratie en het daarmee inzichtelijk houden van het kredietverleden van [verzoekster] en wijst daarbij op de volgende omstandigheden:

- [verzoekster] was naast haar ex-partner hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de hypotheken. Ook voor de restschuld, die na verkoop van de woning is ontstaan, is [verzoekster] hoofdelijk aansprakelijk.

- de registratie van [verzoekster] staat terecht geregistreerd en verwijdering van de registratie doet het doel en functie van de BKR tenietgaan.

- hetgeen [verzoekster] aanvoert dat zij geen nieuwe schulden heeft gemaakt tijdens de WSNP is niet te zien als een verdienste van haar en kan niet in het voordeel van [verzoekster] worden meegewogen, maar is een verplichting waaraan [verzoekster] moest voldoen in de WSNP.

- voor [verzoekster] bestaan er alternatieven in plaats van een krediet aan te vragen van € 4.000,00 voor het kopen van een auto. [verzoekster] kan de oude auto laten repareren, sparen voor een auto dan wel een goedkopere auto kopen, zodat er voor [verzoekster] geen noodzaak bestaat voor financiering.

- de BKR-registratie van [verzoekster] staat niet in de weg aan het verkrijgen van een hypothecaire lening. ING voert daarbij aan dat kredietverstrekkers kijken naar de algehele kredietwaardigheid van een partij en alle omstandigheden worden meegenomen. Gezien het beperkte inkomen van [verzoekster] is de maandlast voor het aangevraagde krediet van € 4.000,00 te hoog en zou dit krediet, ongeacht de BKR-registratie, niet aan [verzoekster] worden toegekend.

- de vijfjaarstermijn van de BKR- registratie loopt pas zes maanden, vanaf het moment van de toekenning van de schone lei. Het verzoek van [verzoekster] moet daarom met terughoudendheid worden getoetst.

- door [verzoekster] zijn geen uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden gesteld, noch anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden die zouden rechtvaardigen dat het algemeen belang van registratie van de achterstand en de afboeking tegen finale kwijting moet wijken.

4 De beoordeling

5 De beslissing