Home

Rechtbank Noord-Nederland, 18-03-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1257, C/18 / 192066 / HA ZA 19-90

Rechtbank Noord-Nederland, 18-03-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1257, C/18 / 192066 / HA ZA 19-90

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18 maart 2020
Datum publicatie
1 april 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2020:1257
Zaaknummer
C/18 / 192066 / HA ZA 19-90

Inhoudsindicatie

Zelfstandig onrechtmatig handelen van vennootschap door in ontvangst nemen van betaling gedaan aan een dochtervennootschap. Bestuurdersaansprakelijkheid, Aansprakelijkheid ex artikel 2:11 BW

Uitspraak

vonnis

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/192066 / HA ZA 19-90

Vonnis van 18 maart 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KWS INFRA B.V.,

gevestigd te Vianen,

eiseres,

advocaten: mrs. L.C. van den Berg en R.M.P. Holsbrink te 's-Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[beheer b.v.] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[onroerend goed b.v.]

gevestigd te [plaats] ,

3. [gedaagde sub 3]

wonende te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden.

Eiseres zal hierna "KWS" worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk "Beheer", "Onroerend Goed" en " [gedaagde sub 3] " en gezamenlijk " [gedaagden] " worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding;

-

de conclusie van antwoord;

-

de conclusie van repliek tevens wijziging van eis;

-

de conclusie van dupliek tevens antwoord wijziging van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

KWS is een aannemingsbedrijf dat zich bezig houdt met het ontwerpen, bouwen, onderhouden, beheren en exploiteren van infrastructuur.

2.2.

[constructie b.v.] (hierna te noemen: Constructie) was een bedrijf dat zich bezig hield met het construeren, vervaardigen en onderhouden van (metalen) constructiewerken, apparaten en machines voor de bouw, metaalbouw en industrie.

2.3.

Onroerend Goed (gedaagde sub 2) was de bestuurder van Constructie. Bestuurders van Onroerend Goed zijn Beheer (gedaagde sub 1) en [naam 1] . Beheer en [naam 1] zijn beide alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van Onroerend Goed. [gedaagde sub 3] (gedaagde sub 3) is bestuurder van Beheer.

2.4.

Ten behoeve van het nieuwe dierenpark te Emmen heeft KWS als een van de hoofdaannemers de opdracht gekregen voor de realisatie van onder andere de nieuwe buitenverblijven en de infrastructuur. KWS heeft vervolgens Constructie ingeschakeld voor het verrichten van een deel van deze werkzaamheden. De door KWS aan Constructie opgedragen werkzaamheden bestonden uit de realisatie van de hekwerken van de buitenverblijven van de dieren in het dierenpark. KWS heeft daartoe in 2015 met Constructie een overeenkomst van onderaanneming gesloten.

2.5.

In verband met de afwikkeling van deze overeenkomst van onderaanneming heeft Constructie op 22 november 2016 een procedure tegen KWS aanhangig gemaakt bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw, waarin Constructie heeft gevorderd om KWS te betalen tot betaling van een bedrag ad in totaal € 301.262,06.

2.6.

Op 21 februari 2017 is de vordering die Constructie jegens KWS had ingesteld bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw door Constructie verpand aan de Belastingdienst. Hiertoe is een zogenoemde "Overeenkomst openbare verpanding van vorderingen" (hierna te noemen: de pandakte) opgemaakt tussen enerzijds de Belastingdienst, als pandnemer, en anderzijds Constructie, als pandgever. De pandakte is voor Constructie ondertekend door [gedaagde sub 3] . In de pandakte is onder meer vermeld:

"De ontvanger van de Belastingdienst kantoor Groningen en de heer [gedaagde sub 3] , namens

[constructie b.v.] , komen overeen dat [constructie b.v.] de hieronder genoemde vordering aan de Belastingdienst in pand geeft. [constructie b.v.] geeft de vordering in pand, omdat zij haar schuld alsmede de schuld ten name van [machineverhuur b.v.] en Fiscale eenheid [onroerend goed b.v.] [constructie b.v.] c.s. op dit moment niet geheel kan betalen. De gegevens van deze belastingschuld staan in drie bijlagen bij deze overeenkomst. De gegevens van de ontvanger van de Belastingdienst en de pandgever staan hieronder.

(...)

Verpande (toekomstige) vordering

Schuldenaar: KWS INFRA B.V.

Adres: Lange Dreef 9

Plaats: 4131 NJ Vianen

Bedrag vordering: € 301.262,06

Omschrijving vordering: Volgens bijlage

(...)

Bij deze pandakte horen zogeheten "Voorwaarden bij overeenkomst openbare verpanding van vorderingen" (hierna te noemen: de voorwaarden). In deze voorwaarden is onder meer bepaald:

(...)

3. De Belastingdienst zal de schuldenaar zo snel mogelijk op de hoogte brengen van de verpanding.

4. De Belastingdienst heeft het recht alle rechten die aan de vordering verbonden zijn, uit te voeren. Dit betekent onder andere dat de Belastingdienst:

- uitbetaling van de vordering mag eisen;

- betalingen in ontvangst mag nemen;

- mag crediteren;

- de vordering door opzegging opeisbaar mag maken;

- overeenkomsten mag sluiten met de schuldenaar.

5. Als de Belastingdienst dat vraagt, moet de pandgever alle documenten verstrekken die bewijzen dat de vordering bestaat. Verder moet de pandgever zich houden aan de verplichtingen uit hoofdstuk VII van de Invorderingswet 1990 en moet zij alle medewerking verlenen aan de Belastingdienst voor het incasseren van de vordering.

(...)

2.7.

Het pandrecht van de Belastingdienst op de vordering van Constructie op KWS is op 24 oktober 2017 geregistreerd.

2.8.

Bij brief van 16 november 2017 heeft de Belastingdienst het pandrecht op de vordering van Constructie op KWS aan KWS medegedeeld. KWS heeft deze brief op

24 november 2017 ontvangen.

2.9.

De Raad van Arbitrage voor de Bouw heeft op 5 juli 2018 een scheidsrechterlijk vonnis gewezen in het geschil tussen Constructie en KWS. In dit vonnis is KWS veroordeeld tot betaling aan Constructie van € 221.218,12 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de datum van de facturen tot de dag der algehele voldoening, onder verrekening van € 92.439,24 inclusief btw per 15 februari 2016 en

€ 76.645,82 inclusief btw per datum betaling.

2.10.

De advocaat van Constructie heeft de advocaat van KWS bij brief van 6 juli 2018 onder meer medegedeeld:

"Inmiddels zult u tevens kennis hebben genomen van het scheidsrechterlijk vonnis van de Raad van Arbitrage, waarin uw cliënte veroordeeld is tot betaling aan cliënte van een bedrag ad € 52.133,06, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf datum van de facturen tot aan de dag der algehele voldoening onder verrekening van de twee betalingen/verrekenposten.

Mag ik binnen 14 dagen na heden van u vernemen dat er binnen 14 dagen na heden vrijwillig tot betaling zal worden overgegaan? (...)"

2.11.

De advocaat van KWS heeft de advocaat van Constructie in reactie op deze brief bij e-mail van 10 juli 2018 medegedeeld:

"Bijgaande brief ontving ik gisteren van u. Een berekening van het totaal verschuldigde bedrag en de rekeninggegevens voor de betaling ontbreken. Kunt u mij die per e-mail toezenden?"

2.12.

De advocaat van Constructie heeft de advocaat van KWS vervolgens bij e-mail van 10 juli 2018 medegedeeld:

"Ik ging er vanuit dat u zelf de wettelijke handelsrente wel zou narekenen, doch hierbij treft u in ieder geval mijn berekening aan:

het totaal verschuldigde bedrag is € 52.133,06, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ad

€ 9.173,62. Onderaan de streep betreft dit dan ook een bedrag van € 61.306,68.

Dit kan worden voldaan op het bij uw cliënte wel bekende rekeningnummer van cliënt, doch mag ook op de derdengeldenrekening van mijn kantoor worden gestort, te weten op rekeningnummer

NL56ABNA0464.0219.44 onder vermelding van teh/160460."

2.13.

Op 18 juli 2018 heeft KWS het bedrag van € 61.306,68 op de derdengeldenrekening van de advocaat van Constructie overgemaakt. Dit bedrag is nadien aan Beheer overgemaakt.

2.14.

Constructie is op 17 oktober 2018 - op eigen aanvraag - in staat van faillissement verklaard.

2.15.

De Belastingdienst heeft KWS bij brief van 16 november 2018 gesommeerd tot betaling aan de Belastingdienst van het bedrag van € 61.306,68. In deze brief stelt de Belastingdienst daartoe onder meer:

"De vennootschap [constructie b.v.] (hierna de pandgever) heeft zijn vordering op uw vennootschap aan mij (stil) verpand. Bij brief met dagtekening 16 november 2017 heb ik aan u een mededeling gedaan "openbaar maken pandrecht". Ik heb u verzocht het bedrag wat u verschuldigd bent aan de pandgever aan mij over te maken. Tot op heden heb ik nog geen betaling van u ontvangen. Hierover het volgende.

Pandrecht

Ter zekerheid van betaling van de belastingschuld heeft de ontvanger een pandrecht verkregen op de vordering van de pandgever op KWS Infra B.V. Wanneer de pandgever in gebreke blijft met zijn betaling(en), mag de ontvanger het pandrecht uitwinnen.

Inning vordering

Op het moment dat de pandgever zijn verplichtingen jegens de ontvanger niet nakwam, heeft de ontvanger het stil pandrecht omgezet in een openbaar pandrecht bij brief van 16 november 2017. Na de openbaarmaking is de ontvanger bevoegd de vordering op u te innen. Op grond van artikel 3:246 van het Burgerlijk Wetboek is de ontvanger bevoegd in en buiten rechte nakoming te eisen en betalingen in ontvangst te nemen.

Op 5 juli 2018 is de Raad van Arbitrage tot een uitspraak gekomen. U bent veroordeeld om een bedrag van € 61.306,68 te betalen aan de pandgever. Ik sommeer u dit bedrag aan de ontvanger over te maken. (...)"

2.16.

Bij brief van haar advocaat van 6 december 2018 heeft KWS Beheer aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot (terug)betaling van het bedrag van € 61.306,68. Daartoe stelt KWS in deze brief onder meer:

"Op 5 juli 2018 heeft de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: RvA) een arbitraal vonnis gewezen onder nummer 35.972 in de kwestie KWS infra B.V. (hierna: KWS) / [constructie b.v.] (hierna: [gedaagde sub 3] ). [gedaagde sub 3] beheer B.V. is een van de twee bestuurders van [gedaagde sub 3] .

Per brief van 6 juli 2018 heeft de advocaat van [gedaagde sub 3] KWS uit hoofde van het vonnis verzocht om betaling van het bedrag van € 52.133,06 vermeerderd met de wettelijke rente. KWS heeft opvolging gegeven aan het verzoek en een bedrag van € 61.306,68 betaald op de derdengeldenrekening van de advocaat van [gedaagde sub 3] .

De vordering was blijkens de pandakte van 21 februari 2017 evenwel door [gedaagde sub 3] verpand aan de Belastingdienst (zie bijlage). U heeft deze pandakte, in uw hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van [gedaagde sub 3] , ondertekend.

Naar wij onlangs hebben vernomen, is het destijds door KWS betaalde bedrag niet overgemaakt naar [gedaagde sub 3] maar naar [beheer b.v.]

De Belastingdienst heeft per brief van 16 november 2018 aanspraak gemaakt op betaling van het bedrag van € 61.306,68 uit hoofde van de verpanding d.d. 21 februari 2017. Bij betaling, waartoe KWS gehouden lijkt te zijn, lijdt KWS schade tot tenminste voornoemd bedrag.

Op grond van artikel 6:33 BW dan wel 6:203 BW is [beheer b.v.] gehouden om het voornoemde bedrag aan KWS (terug) te betalen. Voor de betaling was immers geen rechtsgrond, nu er een pandrecht rustte op de vordering van [gedaagde sub 3] op KWS. Ook op grond van artikel 6:212 BW is [beheer b.v.] gehouden het voornoemde bedrag (terug) te betalen aan KWS. [beheer b.v.] is ongerechtvaardigd verrijkt door de betaling aan te nemen.

[beheer b.v.] wordt vriendelijk doch dringend verzocht het bedrag van € 61.306,68 binnen 4 werkdagen na dagtekening van onderhavige brief over te maken op de derdengeldenrekening van Severijn Hulshof advocaten met nummer NL 79 INGB 0006 4013 74 onder vermelding van KWS / [gedaagde sub 3] . (...)"

2.17.

KWS heeft op 10 januari 2019 het door de Belastingdienst op basis van haar pandrecht gevorderde bedrag van € 61.306,68 aan de Belastingdienst betaald.

2.18.

De Belastingdienst heeft KWS bij e-mail van 15 januari 2019 medegedeeld:

"Dank u wel voor de betaling.

De ontvanger heeft per beschikking op 11 september 2017 de adviseur van [gedaagde sub 3] laten weten dat het verleende uitstel van betaling is ingetrokken. Van deze beschikking is een kopie gegaan naar [constructie b.v.] .

De intrekking van het uitstel had tot gevolg dat invorderingsmaatregelen zijn getroffen, waaronder het openbaar maken van het stil pandrecht.

2.19.

Beheer is niet overgegaan tot betaling van het door KWS gevorderde bedrag.

2.20.

Bij brief van 3 april 2019, verzonden per e-mail van 15 april 2019, heeft KWS een vordering van € 61.306,68 ingediend bij de curator in het faillissement van Constructie. In deze brief stelt KWS daartoe:

"Op 18 juli 2018 heeft KWS Infra bv ('KWS') aan gefailleerde, [constructie b.v.] ., een bedrag van € 61.306,68 betaald conform het betalingsverzoek van haar advocaat van d.d. 6 juli 2018 (bijgevoegd als bijlage 1).

Ten aanzien van dit bedrag was een pandrecht gevestigd ten behoeve van de Belastingdienst. Op grond van haar pandrecht heeft de Belastingdienst bij brief van 16 november 2018 KWS gesommeerd het bedrag van € 61.306,68 aan haar te betalen (zie bijlage 2). Inmiddels heeft KWS op 10 januari 2019 voornoemd bedrag aan de Belastingdienst betaald en daarmee is de betaling van 18 juli 2018 onverschuldigd gedaan.

Hierbij dient KWS haar vordering op de gefailleerde in ten bedrage van € 61.306,68."

2.21.

KWS heeft ter verzekering van verhaal van haar vordering op Beheer, na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, op 23 april 2019 conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Beheer onder ABN AMRO Bank, ING Bank en Rabobank. Van ING Bank heeft KWS een verklaring ontvangen dat er geen rechtsverhouding met Beheer bestaat. De onderhavige dagvaarding is daarom alleen overbetekend aan ABN AMRO Bank en Rabobank.

3 Het geschil

3.1.

KWS vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan KWS van een bedrag van € 61.306,68, te vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van betaling aan de Belastingdienst dan wel de datum van uitbrengen van de dagvaarding dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan KWS van een bedrag van € 874,10 voor de kosten van het leggen van het conservatoir beslag ten laste van voornoemde partijen;

III. [gedaagden] veroordeelt in de kosten van het geding, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf bedoelde termijn voor voldoening alsmede te vermeerderen met de alsdan te maken nakosten om alsnog betaling van hetgeen is toegewezen te verkrijgen.

3.2.

[gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van KWS, met veroordeling van KWS - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding en de nakosten.

4 Het standpunt van KWS

5 Het standpunt van [gedaagden]

6 De beoordeling van het geschil