Rechtbank Noord-Nederland, 09-11-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3840, 19/1349
Rechtbank Noord-Nederland, 09-11-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3840, 19/1349
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 9 november 2020
- Datum publicatie
- 12 november 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2020:3840
- Zaaknummer
- 19/1349
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonnepark van bijna 32 hectare, voor een periode van 25 jaar. Bouwen en handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing is de toepasselijke regelgeving ook onder ogen gezien, waarbij is geconcludeerd dat ook aan de relevante kaders is voldaan. Het bestreden besluit is niet in strijd met de Omgevingsvisie Drenthe 2018. Eiseressen hebben niet concreet gemaakt wat de cumulatieve gevolgen van de zonneparken zouden zijn en waarom die gevolgen strijdig zouden zijn met de provinciale regelgeving. Aldus is onvoldoende gebleken van cumulatieve gevolgen van beide, naast elkaar gelegen zonneparken. Eiseressen hebben onvoldoende concreet gemotiveerd dat en op welk punt het bestreden besluit niet zou voldoen aan de eisen die artikel 2.24, onder a, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018 stelt. De rechtbank is om die reden van oordeel dat met de ruimtelijke onderbouwing en het rapport landschappelijke inpassing in voldoende mate is komen vast te staan dat de realisatie van het zonnepark gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap en dat wordt voldaan aan artikel 2.24, onder a, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het bestreden besluit voldoet ook aan artikel 2.24, onder b, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de raad beoogde productie van zonne-energie niet uitsluitend kan worden gerealiseerd met behulp van gebouwgebonden installaties en zonneparken in bestaand stedelijk gebied en dat treden 1 en 2 van de zonneladder zijn doorlopen. De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan de inspanningsverplichting om een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak te verwerven en dat daarmee ook trede 3 van de zonneladder is doorlopen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, hebben eiseressen hun stelling dat effectuering van de onderhavige vergunning leidt tot verdringing en blokkering van de door de gemeente gewenste voorkeuropties, onvoldoende onderbouwd. Onvoldoende is gebleken dat het besluit niet uitvoerbaar is (in die zin dat het zonnepark binnen drie jaren in werking zou kunnen treden). Beide zonneparken zijn niet als één productie-installatie aan te merken. Aldus heeft verweerder zich terecht bevoegd geacht om op de aanvraag van vergunninghoudster te beslissen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende concreet beschreven hoe en op welke manier het zonnepark landschappelijk wordt beheerd. Het onderhoudsplan kan ook dienen als grondslag om handhavend op te treden. Daarmee is de landschappelijke inpassing voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het Activiteitenbesluit en de zonneladder aan een milieubeoordeling moeten zijn onderworpen. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
Zaaknummers: LEE 19/1349
1. Stichting Natuur en Milieufederatie Drenthegevestigd te Assen,
2. Stichting Het Drentse Landschapgevestigd te Assen,
eiseressen (gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluyter),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Thijssen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GroenLeven B.V., gevestigd te Heerenveen, vergunninghoudster,
(gemachtigde: mr. E.A.W. Driest).
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark.
Tegen het bestreden besluit hebben eiseressen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Vergunninghoudster heeft een reactie ingediend.
Eiseressen, verweerder en vergunninghoudster hebben vóór de zitting aanvullende stukken ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 september 2020. Eiseres sub 1 werd vertegenwoordigd door [naam 1]. Eiseres sub 2 werd vertegenwoordigd door [naam 2]. Eiseressen werden bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam 3] en [naam 4]. Namens vergunninghoudster zijn haar gemachtigde en [naam 5] verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
Vergunninghoudster heeft op 25 mei 2018 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een zonnepark van bijna 32 hectare voor een periode van 25 jaar op het perceel aan de Hendrik Reindersweg 14b te Pesse (het perceel). Deze aanvraag heeft betrekking op de navolgende activiteiten:
- bouwen;
- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening.
Op 28 juni 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hoogeveen (de raad) ingevolge artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een verklaring van geen bedenkingen vastgesteld.
Verweerder heeft vervolgens de ontwerp omgevingsvergunning zonnepark Hendrik Reindersweg te Pesse aan Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (Gedeputeerde Staten) voorgelegd. Bij brief van 17 juli 2018 heeft Gedeputeerde Staten verweerder bericht dat het plan tot aanleg van het zonnepark binnen het provinciale ruimtelijk- en energiebeleid past ter zake duurzame energievoorziening in de provincie Drenthe. Gedeputeerde Staten geeft verder aan dat de opgenomen passage over de zonneladder meer aandacht behoeft en vraagt verweerder om de onderdelen cultuurhistorie, landschap en archeologie aan te passen dan wel aan te scherpen.
Op 6 december 2018 heeft verweerder een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning genomen. Verweerder heeft het ontwerpbesluit gepubliceerd in het huis-aan-huisblad “de Krant van Hoogeveen”. Ook heeft verweerder het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd.
Eiseressen hebben bij brief van 17 juli 2018 een gezamenlijke zienswijze bij verweerder ingediend. Eiseres sub 1 is het provinciale samenwerkingsverband van natuur- en milieuorganisaties in Drenthe. Blijkens haar statuten heeft zij ten doel het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de natuur, het milieu en het landschap en het bevorderen van duurzame ontwikkeling in het bijzonder in de provincie Drenthe. Eiseres sub 2 is eigenaresse van het natuurgebied het Nuilerveld, gelegen ten westen van het perceel aan de overzijde van de Hendrik Reindersweg, en van het vennetje ten zuidoosten van perceel. Blijkens haar statuten heeft zij onder meer ten doel het bevorderen van het behoud, de ontwikkeling en het scheppen van hetgeen in natuur en landschap in de provincie Drenthe waardevol te achten is in natuurwetenschappelijk, geografisch, structureel, cultuurhistorisch of visueel opzicht.
Op 28 februari 2019 heeft verweerder de ruimtelijke onderbouwing voor het “Zonnepark Hendrik Reindersweg 14b te Pesse” (de ruimtelijke onderbouwing) vastgesteld.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijzen van eiseressen, aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark voor een periode van 25 jaar op het perceel.
2. De rechtbank zal de inhoudelijke geschilpunten bespreken aan de hand van de beroepsgronden.
3. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Niet in geschil is dat het ontwikkelen van een zonnepark in het onderhavig projectgebied in strijd is met de beheersverordening "Buitengebied Noord", omdat het projectgebied een agrarische bestemming heeft.
Verweerder heeft voor de verlening van de omgevingsvergunning toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met de artikelen 2.10 en 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo.
De wetgever heeft verweerder bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo een discretionaire bevoegdheid toegekend bij de besluitvorming over het al dan niet vergunnen van een afwijking van het bestemmingsplan. De bevoegdheid en de ruimte die dat aan verweerder in de toepassing ervan geeft, behoort de bestuursrechter te respecteren. Het gebruik van deze bevoegdheid door verweerder wordt door de bestuursrechter daarom terughoudend getoetst (zie ook eerdere uitspraken van deze rechtbank van 23 juli 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3824 en 12 augustus 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2772).
Partijen verschillen van mening over welke regelgeving van toepassing is. Eiseressen voeren aan dat getoetst moet worden aan de Omgevingsvisie Drenthe 2018 en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018, beide vastgesteld op 3 oktober 2018, en het Aangepaste Afwegingskader zonne-energie Hoogeveen (het Aangepaste Afwegingskader). Verweerder stelt dat de Omgevingsvisie Drenthe 2014, de Provinciale Omgevingsvergunning Drenthe 2014 en het "Afwegingskader zonne-energie Hoogeveen” (het Afwegingskader) van toepassing zijn, omdat bepalend zou zijn het moment van de aanvraag (25 mei 2018). Daarnaast stelt verweerder dat het bestreden besluit overigens ook aan de Omgevingsvisie Drenthe 2018 en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 voldoet.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) geldt dat bij het nemen van een besluit op een aanvraag in beginsel het recht dient te worden toegepast, zoals dat op het moment van het nemen van het besluit geldt (zie onder meer de uitspraken van 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2066 en 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2010). Bij wijze van uitzondering mag verweerder het ten tijde van het indienen van een aanvraag om vergunning nog wél, maar ten tijde van het besluit daarop, niet meer geldende recht toepassen, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat vergunninghoudster de hiervoor bedoelde rechtstreekse aanspraak had, zodat deze uitzondering op de hoofdregel zich in dit geval niet voordoet.
Het bestreden besluit dateert van 6 maart 2019. De Omgevingsvisie Drenthe 2018 en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 zijn op 3 oktober 2018 vastgesteld. Op grond van de hiervoor uiteengezette hoofdregel is deze regelgeving op het bestreden besluit van toepassing. Het Afwegingskader is op 7 december 2017 vastgesteld. Het Aangepaste Afwegingskader is op 14 maart 2019 vastgesteld, dus na de datum van het bestreden besluit. Dit betekent dat het Afwegingskader van toepassing is op het bestreden besluit, en niet het Aangepaste Afwegingskader. In de ruimtelijke onderbouwing is de toepasselijke regelgeving ook onder ogen gezien, waarbij is geconcludeerd dat ook aan de relevante kaders is voldaan.
Eiseressen voeren aan dat een zonnepark van deze omvang niet passend is in het landschap en dat het bestreden besluit aldus niet voldoet aan artikel 2.24, onder a, van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018. Volgens eiseressen heeft verweerder nagelaten om te beoordelen wat de cumulatieve gevolgen zijn van dit zonnepark tezamen met het eerder vergunde zonnepark Het Zwarte Water. Verweerder heeft zodoende geen realistisch beeld kunnen vormen van de ruimtelijke en ecologische gevolgen van het zonnepark en is er geen aandacht besteed aan de provinciaal van belang geachte balans tussen zonneakkers en landschap, afstand tussen de individuele zonneakkers en samenhangend ontwerp, aldus eiseressen. Verder voeren eiseressen aan dat niet is onderbouwd dat sprake is van een combinatie van functies, zodat het zonnepark om te voldoen aan artikel 2.24, onder b, van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 het moet hebben van een meerwaarde voor andere provinciale doelen en belangen. Die meerwaarde is er niet, aldus eiseressen. Het bestreden besluit voldoet zodoende niet aan de beleidsmatige uitgangspunten van de Omgevingsvisie Drenthe 2018 en aan artikel 2.24 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het zonnepark op een juiste wijze landschappelijk is ingepast. Dit blijkt volgens verweerder uit de toelichting in de ruimtelijke onderbouwing en de door [bureau] opgestelde 'Landschappelijke inpassing', bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. Verweerder wijst er verder op dat de provincie in de vooroverlegfase is gevraagd om een reactie, dat in die reactie onder meer is ingegaan op de eisen uit de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 en dat ook een toetsing heeft plaatsgevonden op de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018.
Voor zover eiseressen betogen dat het bestreden besluit in strijd is met de Omgevingsvisie Drenthe 2018, overweegt de rechtbank dat het provinciale beleid, zoals neergelegd in de Omgevingsvisie en in het ter uitvoering daarvan door Gedeputeerde Staten vastgestelde Beleidskader Zonne-akkers, in algemene woorden is geformuleerd en geen geboden of verboden bevat. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aanzienlijk gewicht kunnen toekennen aan de in sub 1.3 bedoelde brief van Gedeputeerde Staten van 17 juli 2018, waarin is verklaard dat het bestreden besluit past binnen het provinciale ruimtelijk en energiebeleid. Verder heeft verweerder in de ruimtelijke onderbouwing, zoals overwogen, aangegeven dat het besluit voldoet aan de (op dat moment nog in ontwerp zijnde) Omgevingsvisie Drenthe 2018. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen sprake is van strijd met het provinciale beleid.
Wat betreft de stelling van eiseressen dat verweerder de cumulatieve gevolgen van het zonnepark met het naastgelegen zonnepark Het Zwarte Water had moeten beoordelen, overweegt de rechtbank als volgt. In de regelgeving worden geen eisen of voorwaarden gesteld aan elkaar grenzende zonneparken. Er is ook niet gebleken dat er aanleiding was om de cumulatieve gevolgen van beide zonneparken op ruimtelijk en ecologisch gebied te onderzoeken. Uit de ecologische quickscan, die onderdeel is van het bestreden besluit, volgt onder meer dat met de realisatie van het zonnepark geen negatieve effecten op beschermde gebieden worden verwacht en dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het bestreden besluit niet in de weg staat. Verder heeft verweerder toegelicht dat tussen beide zonneparken een extra brede corridor van 26 meter zal komen om de eventuele impact van beide zonneparken op de fauna te minimaliseren. Eiseressen hebben volstaan met de algemene stelling dat er cumulatieve gevolgen zijn. Zij hebben niet concreet gemaakt wat de cumulatieve gevolgen van de zonneparken zouden zijn en waarom die gevolgen strijdig zouden zijn met de provinciale regelgeving. Aldus is onvoldoende gebleken van cumulatieve gevolgen van beide, naast elkaar gelegen zonneparken. Het betoog van eiseressen faalt in zoverre.
Verder stelt de rechtbank vast dat in de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing. Daarbij wordt verwezen naar het rapport 'Zonnepark Pesse - landschappelijke inpassing' van [bureau] (het rapport landschappelijke inpassing). In het rapport landschappelijke inpassing is toegelicht dat de landschappelijke inpassing is gebaseerd op de randvoorwaarden uit het Afwegingskader en is concreet uiteengezet hoe die landschappelijke inpassing wordt vormgegeven. Zo worden de zuid- en oostzijde met heestersingels beplant, wordt aan de noord- en westzijde bestaande beplanting gebruikt en gaat het zonnepark vanaf de openbare wegen op in de bosschages aan de horizon. Gelet op de toelichtingen hebben eiseressen onvoldoende concreet gemotiveerd dat en op welk punt het bestreden besluit niet zou voldoen aan de eisen die artikel 2.24, onder a, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018 stelt. De rechtbank is om die reden van oordeel dat met de ruimtelijke onderbouwing en het rapport landschappelijke inpassing in voldoende mate is komen vast te staan dat de realisatie van het zonnepark gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap en dat wordt voldaan aan artikel 2.24, onder a, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018.
Met betrekking tot de stelling van eiseressen dat een meerwaarde voor andere provinciale doelen en belangen ontbreekt, overweegt de rechtbank dat in de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat het zonnepark een ecologische meerwaarde zal realiseren. In de reactienota vooroverleg is nader toegelicht op welke wijze het zonnepark een bijdrage zal gaan leveren aan de lokale ecologische kwaliteit. Ten opzichte van het huidige agrarische gebruik van de locatie kan verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt stellen dat de landschappelijke inpassing een meerwaarde heeft. Eiseressen hebben onvoldoende gesteld om tot een ander oordeel te komen. Reeds hieruit volgt dat het bestreden besluit ook voldoet aan artikel 2.24, onder b, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018. De vraag of er sprake is van een combinatie van functies kan onbesproken blijven.
De slotsom is dat deze beroepsgrond van eiseressen niet slaagt.
7. Eiseressen betogen in het beroepschrift dat het zonnepark in strijd is met de door de raad vastgestelde Structuurvisie 2.0 (de Structuurvisie), althans dat niet is onderbouwd waarom aan die visie wordt voldaan. Het zonnepark levert volgens eiseressen geen bijdrage aan het in de Structuurvisie van belang geachte streven naar ecologische duurzaamheid. Ter zitting is namens eiseressen aangegeven dat dit geen afzonderlijke beroepsgrond is, maar dat de stellingen inzake de Structuurvisie dienen als een toelichting op de overige beroepsgronden. De rechtbank zal om die reden niet separaat op dit betoog ingaan.
Eiseressen stellen dat niet is voldaan aan de stappen uit de zonneladder, opgenomen in het Afwegingskader. Ten aanzien van stap 0 stellen eiseressen dat eerst naar andere locaties minder dicht op een gebied in het Natuurnetwerk Nederland (een NNN-gebied) had moeten worden gekeken en dat er strengere eisen hadden moeten worden gesteld aan de ecologische en natuurlijke inpassing om landschappelijke en ecologische meerwaarde te creëren en aantasting van de bestaande NNN-waarden te voorkomen. De zonneparken gaan een barrière vormen voor fauna die NNN-gebied Het Zwarte Water vanuit zuidelijke en westelijke richting, vanuit het Nuilerveld, willen bereiken. Ten aanzien van stap 1 stellen eiseressen dat niet is gebleken dat door vergunninghoudster een poging is gedaan om de mogelijkheden van een gebouwgebonden plan te inventariseren. Ten aanzien van stap 2 stellen eiseressen dat initiatiefnemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende ruimte is in bestaand stedelijk gebied om een zonnepark te realiseren. Ten aanzien van stap 3 stellen eiseressen dat er geen of onvoldoende draagvlak bestaat voor de plannen voor het zonnepark.
Verweerder stelt dat het zonnepark niet is gelegen in een NNN-gebied, maar daaraan grenst. Het zonnepark vormt verder geen belemmering voor fauna die natuurgebieden vanuit de zuidelijke richting willen bereiken. Daarnaast stelt verweerder dat het zonnepark is gelegen in een zand/jonge veldontginningen gebied. Het Afwegingskader maakt het mogelijk om maximaal 20 procent van het gebied ten behoeve van het opwekken van zonne-energie te gebruiken. Op dit moment wordt ongeveer 5 procent van de gronden gebruikt voor zonneparken. In de reactienota zienswijzen is ingegaan op de zonneladder en de noodzaak om ook in het buitengebied zonneparken te realiseren. Draagvlak betekent volgens verweerder niet dat iedereen het met de voorgenomen ontwikkeling eens hoeft te zijn. Het gaat om een inspanningsverplichting. Groenleven heeft moeite gedaan om draagvlak te creëren. Er is geen reden om aan te nemen dat er helemaal geen sprake is van draagvlak.
Wat betreft stap 0 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat het zonnepark niet in een NNN-gebied is gelegen en dat hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarde. Weliswaar grenst het zonnepark aan een NNN-gebied, maar uit de regelgeving volgt niet dat die omstandigheid leidt tot meer of strengere eisen aan de ecologische of natuurlijke inpassing. Het betoog van eiseressen slaagt in zoverre niet.
Met betrekking tot stap 1 geldt het volgende. Verweerder heeft in onder meer het Afwegingskader de ambitie uitgesproken om in 2040 klimaatneutraal te zijn. In het Afwegingskader zijn de wijzen uiteengezet waarop deze ambitie moet worden gerealiseerd. Daarbij is vermeld dat in eerste instantie de voorkeur uitgaat naar het opwekken van zonne-energie met gebouwgebonden installaties en vervolgens naar zonneparken in bestaand stedelijk gebied. In het bestreden besluit, in de reactienota zienswijzen, is uiteengezet dat het noodzakelijk is om ook de mogelijkheid van zonneparken in buitengebied te benutten en daarbij geen afwachtende houding aan te nemen. Verder is in het bestreden besluit toegelicht welke resultaten zijn bereikt bij het opwekken van zonne-energie met gebouwgebonden installaties, te weten 1.000 zonnepanelen in 2012 en 15.000 zonnepanelen in 2017, en dat er diverse voorzieningen beschikbaar zijn gesteld om het aantal zonnepanelen op daken te verhogen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat, gelet op het energie-transitieplan, niet kan worden gewacht tot de mogelijkheden tot het leggen van zonnepanelen op daken zijn uitgeput alvorens over te gaan op zonneparken in buitengebieden. Wat betreft de mogelijkheid van zonneparken in bestaand stedelijk gebied heeft verweerder toegelicht dat de beschikbare en door eiseressen genoemde terreinen bestemd zijn als bedrijventerrein en dat politiek de keuze is gemaakt om deze terreinen daarvoor beschikbaar te houden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de raad beoogde productie van zonne-energie niet uitsluitend kan worden gerealiseerd met behulp van gebouwgebonden installaties en zonneparken in bestaand stedelijk gebied en dat treden 1 en 2 van de zonneladder zijn doorlopen. Ter zitting hebben eiseressen nog verwezen naar het concept Regionale Energie Strategie Drenthe en in de Tweede Kamer ingediende moties. Deze stukken behelzen echter geen regelgeving en dateren bovendien van na het bestreden besluit. Reeds om die reden leiden die stukken niet tot een ander oordeel.
Wat betreft stap 3 (draagvlak) overweegt de rechtbank als volgt. In het Afwegingskader is ten aanzien van stap 3 bepaald dat bij het realiseren van zonneparken buiten bebouwd gebied altijd dient te zijn voldaan aan de voorwaarde dat het initiatief op draagvlak vanuit de directe omgeving kan rekenen (en er aandacht is besteed aan de inbedding van een zonnepark in het landschap). In de bijlage bij het Afwegingskader, het provinciale Beleidskader provincie Drenthe: zonneladder Drenthe, is een vergelijkbare voorwaarde opgenomen, te weten dat een initiatief als hier aan de orde (een grondgebonden zonne-installatie buiten bestaand stedelijk gebied) alleen op een positieve houding kan rekenen als het is voorzien van een breed maatschappelijk draagvlak met betrokkenheid vanuit de directe omgeving.
Het is inmiddels vaste rechtspraak dat het beleidsdoel van het verwerven van maatschappelijk draagvlak een inspanningsverplichting betreft (zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3591). Uit de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit volgt dat in het beginstadium van de planvorming in overleg is getreden met de direct omwonenden, dat er overleg is gevoerd met Landgoed Het Zwarte Water B.V., eigenaresse van direct aangrenzende natuur- en landbouwgronden ten noorden van het zonnepark, en dat er op 27 augustus 2018 een informatieavond heeft plaatsgevonden. In de reactienota zienswijzen is toegelicht dat gedurende de inzagetermijn er vier zienswijzen zijn binnengekomen, waarvan één zienswijze van een direct omwonende en dat daarmee is aangetoond dat het voornemen kan rekenen op de betrokkenheid van de directe omgeving. Daarnaast heeft vergunninghoudster erop gewezen dat zij op 4 september 2018 een overleg heeft gehad met eiseres sub 1, die tevens eiseres sub 2 vertegenwoordigde, en dat tijdens dit overleg het zonnepark is besproken. Nadien is er meerdere keren contact geweest tussen vergunninghoudster en eiseressen, waarbij het zonnepark tweemaal in een formeel overleg is geagendeerd. Verder geldt dat ook Landschap Het Zwarte Water B.V. beroep had ingesteld tegen het bestreden besluit, maar - naar aanleiding van gesprekken en nadere afspraken met vergunninghoudster - haar beroep heeft ingetrokken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de inspanningsverplichting om een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak te verwerven.
De slotsom is dat deze beroepsgrond niet slaagt.
9. Eiseressen voeren aan dat verweerder bij de besluitvorming ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat effectuering van onderhavige vergunning leidt tot verdringing en blokkering van de door de gemeente gewenste voorkeuropties (zonne-energie op daken en in bebouwd gebied). Verweerder heeft de stelling van eiseressen gemotiveerd betwist. Volgens verweerder was ten tijde van de vergunningverlening van verdringing geen sprake; er bleef ruimte voor particuliere initiatieven. Gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder hebben eiseressen naar het oordeel van de rechtbank hun stelling onvoldoende onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eiseressen betogen dat het besluit niet uitvoerbaar is (in die zin dat het zonnepark binnen drie jaren in werking zou kunnen treden), althans dat de uitvoerbaarheid is niet gebleken.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de overgelegde akkoordverklaring van Enexis blijkt dat de gegeven reservering voldoende is om het voorgenomen zonnepark aan te sluiten op het elektriciteitsnet en de opgewekte energie te transporteren over het net. Voor de aanleg van de ondergrondse infrastructuur zijn meerdere tracés in optie genomen zodat er altijd een ander tracé kan worden gebruikt indien de grondeigenaar niet akkoord gaat.
Vergunninghoudster geeft aan dat voor het project voldoende aansluit- en transportcapaciteit is gecontracteerd, dat de netwerkaansluiting zal worden gerealiseerd door het bedrijf [bedrijf], dat het tracé voor de aansluiting al is bepaald en dat daarbij geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de gronden van eiseres sub 2. Verder zijn de exploitatiekosten al opgenomen in de planexploitatie, waarmee de uitvoerbaarheid van het project is gewaarborgd. Het is vergunninghoudster niet bekend dat het zonnepark het laatste park zou zijn dat op het elektriciteitsnet kan worden aangesloten, hetgeen - als dat waar zou zijn - de uitvoerbaarheid van dit project overigens niet zou raken.
De rechtbank overweegt als volgt. Gezien vaste jurisprudentie, onder meer de uitspraken van de AbRS van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3591 en 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:345, is de toets op dit punt beperkt tot de vraag of verweerder op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan binnen de beoogde periode niet uitgevoerd zou kunnen worden. Gelet op hetgeen verweerder en vergunninghoudster hebben aangevoerd, is hiervan niet dan wel onvoldoende gebleken. Dit betekent dat deze beroepsgrond van eiseressen niet slaagt.
Eiseressen voeren aan dat niet verweerder, maar de Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is, omdat het zonnepark tezamen met zonnepark Het Zwarte Water meer dan 50 megawatt aan vermogen oplevert.
Verweerder stelt dat de twee zonneparken afzonderlijk van elkaar moeten worden bezien en dat zij niet gezamenlijk als een productie-installatie kwalificeren. Ter onderbouwing heeft verweerder een besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 september 2020 overgelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikelen 9b en 9c van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening is de Minister van Economische Zaken en Klimaat bevoegd te beslissen op een omgevingsaanvraag inzake een productie-installatie met een capaciteit van meer dan 50 megawatt. Niet in geschil is dat het zonnepark tezamen met zonnepark Het Zwarte Water een capaciteit van meer dan 50 megawatt heeft. Dit betekent dat de vraag voorligt of de twee zonneparken als één productie-installatie moeten worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis van de Elektriciteitswet 1998 blijkt dat er sprake is van één productie-installatie indien eenheden zodanig geografisch, technisch, functioneel en organisatorisch met elkaar samenhangen dat sprake is van één productie-installatie (Kamerstukken II 2007/08, 31 326, nr. 3, p. 5). Afgezien dat de zonneparken naast elkaar liggen, hebben eiseressen niet onderbouwd dat er tussen beide zonneparken enige samenhang is. In het besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 september 2020 wordt bovendien aangegeven dat die samenhang er ook niet is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat beide zonneparken niet als één productie-installatie zijn aan te merken. Aldus heeft verweerder zich terecht bevoegd geacht om op de aanvraag van vergunninghoudster te beslissen. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.
Eiseressen voeren aan dat de landschappelijke inpassing onvoldoende is gewaarborgd. De vergunning verwijst naar een onderhoudsplan, maar onduidelijk is waarop wordt gedoeld. Daarnaast stellen eiseressen dat het landschapsplan ook onvoldoende concreet is om op basis daarvan handhavend te kunnen optreden. In de vergunning ontbreken de voorschriften om de gestelde maatregelen tot voorwaarde te maken. Herstel is volgens hen alleen mogelijk door via een nieuwe ontwerpvergunning een publiekrechtelijk geborgde landschappelijke inpassing aan inspraak te onderwerpen, aldus eiseressen.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het onderhoudsplan is opgenomen in het rapport landschappelijke inpassing. De rechtbank stelt vast dat in de betreffende passage waarnaar verweerder heeft verwezen, is uiteengezet hoeveel keer per jaar wordt gemaaid, hoe en waarmee het terrein wordt ingericht en wanneer oeverplanten, heestersingels en het opschot van jonge bomen worden teruggedrongen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende concreet beschreven hoe en op welke manier het zonnepark landschappelijk wordt beheerd. Het onderhoudsplan kan ook dienen als grondslag om handhavend op te treden. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.
13. Ter zitting hebben eiseressen nog aangevoerd dat het Activiteitenbesluit en de zonneladder aan een milieubeoordeling moeten zijn onderworpen. Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eiseressen naar een uitspraak van het Hof van Justitie van 25 juni 2002, ECLI:EU:C:2020:503. Deze uitspraak ziet weliswaar concreet op (regelgeving en besluitvorming inzake) de bouw en exploitatie van windturbines, maar dit oordeel is volgens eiseressen makkelijk uit te breiden naar zonneparken. Waarom de uitspraak van het Hof van Justitie ook van toepassing zou zijn op (regelgeving en besluitvorming inzake) de aanleg van een zonnepark, wordt door eiseressen echter verder niet gemotiveerd of toegelicht. De rechtbank ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten in de uitspraak van het Hof van Justitie. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat het Activiteitenbesluit en de zonneladder aan een milieubeoordeling moeten zijn onderworpen. Ook in zoverre slaagt het beroep van eiseressen niet.
14. De slotsom is dat alle beroepsgronden niet slagen en dat het beroep zodoende ongegrond is. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G. Kattenberg, voorzitter, mr. H.J. Bastin en
mr. S. Dijkstra, leden, in aanwezigheid van mr. T.C.A. Hofman-Aupers, als griffier, op 9 november 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
De griffier De voorzitter