Rechtbank Noord-Nederland, 13-11-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4075, LEE 20-2443
Rechtbank Noord-Nederland, 13-11-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4075, LEE 20-2443
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 13 november 2020
- Datum publicatie
- 28 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2020:4075
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:2460, Niet ontvankelijk
- Zaaknummer
- LEE 20-2443
Inhoudsindicatie
Beroep niet tijdig nemen van een besluit. Geen geldige ingebrekestelling.
Uitspraak
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/2443
en
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van 29 april 2020.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 10 september 2020.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2020. Eiser is verschenen. Verweerder is niet verschenen.
Overwegingen
-
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).
-
Verweerder heeft het verzoek van eiser van 29 april 2020 op 30 april 2020 ontvangen. Bij brief van 26 juni 2020 is eiser meegedeeld dat het verzoek alleen in behandeling kan worden genomen bij het verstrekken van een geldig identiteitsbewijs om zeker te kunnen zijn van de identiteit van eiser (artikel 12, lid 6, van de AVG). Eiser heeft op het verzoek van verweerder niet gereageerd. Eiser heeft verweerder bij brief van 13 juni 2020, onder verwijzing naar de brief van 26 juni 2020, verzocht om voortvarend te werk te gaan.
-
De rechtbank is van oordeel dat uit de brief van 13 juni 2020 niet duidelijk valt op te maken dat eiser een beslissing van verweerder verlangd en dat bij het uitblijven daarvan een dwangsom wordt geëist. Deze brief is een herinnering aan een lopend verzoek en de kennisgeving van de wens spoedig een beluit op dat verzoek te ontvangen.
De brief van 13 juni 2020 kan dan ook niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, tweede lid, onder b van de Awb. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland ECLI:NL:RBNHO:2020:5342. Van het verschuldigd zijn van een dwangsom kan dan geen sprake zijn.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van A.J. Kinds, griffier op 13 november 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
de griffier de rechter
(is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen)
afschrift verzonden op: