Home

Rechtbank Noord-Nederland, 23-06-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2575, C/18/185350

Rechtbank Noord-Nederland, 23-06-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2575, C/18/185350

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23 juni 2021
Datum publicatie
24 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:2575
Zaaknummer
C/18/185350

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft diverse vorderingen ingesteld tegen de curator q.q. en pro se. Maatstaf aansprakelijkstelling curator q.q. en pro se. Erfpacht canon is geen boedelschuld in de zin van de Faillissementswet. Eiseres heeft als eigenaar ingevolge artikel 5:100 lid 3 BW en artikel 5:105 lid 3 BW geen retentierecht op de TCC unit die door de curator is afgebroken, het erfpachtrecht is na faillissement niet geëindigd en eiseres had geen feitelijke macht over de TCC unit ondanks plaatsing van een bord bij de ingang.

Uitspraak

vonnis

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/185350 / HA ZA 18-140

Vonnis van de meervoudige handelskamer van 23 juni 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

GRONINGEN SEAPORTS N.V.,

die in deze procedure handelt als onherroepelijk gevolmachtigde van het Havenschap Groningen Seaports, zijnde een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen,

gevestigd te Delfzijl,

eiseres,

advocaat: mr. P.T. Bakker te Groningen,

tegen

1 mr. [curator 1] ,

in zijn hoedanigheid van (opvolgend) curator in de faillissementen van:

a. de naamloze vennootschap REFINING & TRADING HOLLAND N.V.,

gevestigd te Farmsum,

hierna te noemen: North Refinery,

b. de besloten vennootschap GOC REAL ESTATE B.V.,

gevestigd te Farmsum,

hierna te noemen: GOC,

kantoorhoudende te Groningen,

2. mr. [curator 2] ,

in zijn hoedanigheid van (voormalig) curator in voornoemde faillissementen en pro se,

kantoorhoudende te Groningen,

3. mr. [curator 3] ,

kantoorhoudende te Groningen,

gedaagden,

advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem.

Eiseres zal hierna "GSP" worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk "mr. [curator 1] /de opvolgend curator", "mr. [curator 2] /de curator" en "mr. [curator 3] " en gezamenlijk "de curator c.s." worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis in het incident ex artikel 223 Rv van 2 januari 2019;

-

de conclusie van antwoord;

-

de conclusie van repliek tevens houdende akte aanvulling/wijziging van eis;

-

de conclusie van dupliek;

- de verwijzing van de zaak naar de meervoudige handelskamer;

- de akte van GSP houdende reactie op productie 7 bij de conclusie van dupliek tevens houdende overlegging nadere producties ter mondelinge behandeling;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 maart 2021 en de aan dit proces-verbaal gehechte spreekaantekeningen van de advocaten van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

North Refinery heeft een onderneming geëxploiteerd die zich bezighield met de verwerking van oliehoudend afval en die gevestigd was op het adres Oosterwierum 25 te Farmsum. GOC heeft een onderneming geëxploiteerd die zich - blijkens de omschrijving van haar activiteiten in het handelsregister - bezighield met het verkrijgen, beheren, exploiteren, huren, verhuren, bezwaren en vervreemden van roerende zaken of enig recht op of belang in roerende of onroerende zaken. Meer in het bijzonder stelde GOC materiële activa ter beschikking aan North Refinery. North Refinery en GOC maakten deel uit van dezelfde groep vennootschappen en hadden dezelfde meerderheidsaandeelhouder, Centrale Bewerkingseenheid N.V.

2.2.

Het terrein waarop de onderneming van North Refinery gevestigd was, heeft GOC van GSP in erfpacht gekregen. In 1984, 1994, 2005, 2008 en 2013 zijn daartoe telkens notariële erfpachtaktes opgemaakt. Het betreft hier de percelen kadastraal bekend als Delfzijl O 441, Delfzijl O 451, Delfzijl O 452, Delfzijl O 590, Delfzijl O 694 en Delfzijl O 785. GSP is de eigenaar en erfverpachter van deze percelen.

2.3.

De erfpacht van perceel Delfzijl O 590 eindigt op 28 februari 2030, de erfpacht van perceel Delfzijl O 694 eindigt op 28 februari 2033 en de erfpacht van de overige percelen eindigt op 1 maart 2059. De mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de erfpacht door GOC als erfpachter is in de erfpachtakten in beginsel uitgesloten.

2.4.

GOC heeft genoemde percelen aan North Refinery ter beschikking gesteld.

2.5.

Voor de op het terrein aanwezige gebouwen en werken is een recht van opstal ten gunste van GOC gevestigd.

2.6.

De plaatselijke situatie is weergegeven op het onderstaande uittreksel kadastrale kaart.

2.7.

GSP, als verhuurder, en North Refinery, als huurder, hebben met ingang van 1 juli 2008 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met betrekking tot (a) een gedeelte van het onverharde terrein ten westen van de locatie van North Refinery aan de Oosterwierum 25 te Farmsum ter grootte van 1.925 m2 - zijnde een parkeerplaats (voor personenwagens) - en (b) een terrein ter grootte van 600 m2 - zijnde een opstellocatie van vrachtwagens - op de kabel- en leidingenstrook van GSP, kadastraal bekend gemeente Delfzijl, sectie 10, perceel 611 (gedeeltelijk).

2.8.

Op de erfpachtrechten van GOC met betrekking tot de percelen Delfzijl O 451 en Delfzijl O 785 is een hypotheekrecht ten behoeve van Rabobank gevestigd.

2.9.

De door GOC aan GSP verschuldigde erfpachtcanon bedroeg op basis van het (geïndexeerde) prijsniveau van 2015 € 332.331,32 per jaar, te voldoen bij vooruitbetaling in vier gelijke driemaandelijkse termijnen van € 82.082,83. In de initiële erfpachtakte van 28 december 1984 is in artikel 7 lid 3 bepaald dat over achterstallige canon vanaf de vervaldatum een rente van 12% per jaar is verschuldigd. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing verklaard in de (latere) erfpachtakten van 1994, 2005, 2008 en 2013.

2.10.

De door North Refinery aan GSP verschuldigde huur voor de parkeerplaats en de opstellocatie bedroeg op basis van het huurprijsniveau van 2015 € 878,28 per kwartaal.

2.11.

Mrs. [curator 2] , [curator 3] en [curator 1] zijn alle drie werkzaam als advocaat bij het kantoor De Haan Advocaten & Notarissen te Groningen. Zij treden ieder regelmatig op als curator in faillissementen.

2.12.

Bij vonnis van deze rechtbank van 23 februari 2015 is aan North Refinery en GOC surséance van betaling verleend, waarna beide vennootschappen bij vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2015 in staat van faillissement zijn verklaard, met benoeming van mr. [curator 2] als curator in beide faillissementen. Mr. [curator 3] heeft mr. [curator 2] sindsdien terzijde gestaan bij de behandeling van deze faillissementen, in welk kader hij ook een deel van de correspondentie met (de advocaat van) GSP voor zijn rekening heeft genomen.

2.13.

De curator was vanaf het faillissement van North Refinery in bestuursrechtelijke zin de 'drijver' van de inrichting op het bedrijfsterrein van North Refinery en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de naleving van de milieuregelgeving ter zake.

2.14.

De curator en Rabobank hebben bij aanvang van het faillissement de afspraak gemaakt, dat verkoop van alle percelen slechts als één geheel mogelijk zou zijn en dat in geval van zodanige verkoop zowel de boedel als Rabobank voor de helft gerechtigd zou zijn tot de verkoopopbrengst. Rabobank heeft een belangrijk deel van de instandhoudingskosten gefinancierd.

2.15.

Na het uitspreken van de faillissementen zijn de erfpachtrelatie tussen GOC en GSP en de huurovereenkomst tussen North Refinery en GSP in stand gebleven.

2.16.

Tot aan de faillissementsdatum had GOC een betalingsachterstand bij GSP inzake de erfpachtcanon over het derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 ten bedrage van in totaal € 178.394,00 in hoofdsom. De in verband hiermee verzonden facturen van GSP zijn tot op heden onbetaald gebleven.

2.17.

Ook na het faillissement van GOC heeft GSP GOC voor de erfpachtcanon gefactureerd. Deze facturen zijn eveneens onbetaald gebleven. Berekend tot en met 31 december 2017 beloopt de totale vordering van GSP op GOC uit hoofde van achterstallige erfpachtcanon een bedrag van € 1.171.201,14.

2.18.

Tot aan de faillissementsdatum had North Refinery een huurachterstand bij GSP ten aanzien van de parkeerplaats en de opstellocatie van € 4.103,33 in hoofdsom. De verschuldigde huur hiervoor vanaf de faillissementsdatum van North Refinery is ook onbetaald gebleven. Berekend tot aan 31 december 2017 beloopt de totale huurvordering van GSP op North Refinery € 14.717,78.

2.19.

GSP heeft bij brief aan de curator van 29 mei 2015 haar retentierecht jegens de boedel van North Refinery ingeroepen. Daartoe schrijft zij in deze brief onder meer:

"(...) Groningen Seaports verbaast zich erover dat u op een dergelijke korte termijn handelt. In dat kader merk ik op dat u als curator verantwoordelijk blijft voor de onder u zich bevindende terreinen. na deze terreinen door Groningen Seaports als (bloot) eigenaar. Mocht een doorstart onverhoopt niet realiseerbaar zijn en/of de opstallen op het in erfpacht gegeven terrein geheel of gedeeltelijk worden gesloopt, dan beroept Groningen Seaports zich thans reeds ten aanzien van het gesloopte op het aan haar toekomende retentierecht op grond van de artikelen 5:100 lid 3 en 5:105 lid 3 BW."

2.20.

De curator heeft in correspondentie met (de advocaat van) GSP het bestaan van het door GSP gepretendeerde retentierecht betwist.

2.21.

Rabobank heeft mr. [curator 3] bij e-mail van 22 september 2015 onder meer geschreven:

"(...)

Boedelbijdrage

GSP heeft tijdens onze bespreking aangegeven graag te willen weten welke afspraken zijn gemaakt over de boedelbijdrage. Zie in dit verband mijn e-mail van 22 mei 2015. Tussen de bank en de boedel is overeengekomen dat de bank bij een onderhandse verkoop van het actief van NR bereid is een boedelbijdrage over de (netto) koopsom te betalen van 15% (incl BTW) met een minimum van

EUR 150.000,- en een maximum van EUR 300.000,-. Als uitgangspunt geldt dat (i) de boedel bij de koper geen goodwill - alsmede een betaling voor IE-rechten etc. - zal bedingen dan wel de goodwill in mindering wordt gebracht op de te betalen boedelbijdrage en (ii) enkel de zaken zoals opgenomen in het taxatierapport van de bedrijfsinventaris van Troostwijk d.d. 12 februari 2015 worden aangemerkt als bodemzaken. Met andere woorden: al het actief wordt aangemerkt als aan de bank verhypothekeerd dan wel verpand. Enkel de opbrengst van de zaken zoals genoemd in het taxatierapport van Troostwijk komt toe aan de boedel. Bij een eventuele verkoop zal het gedeelte van de koopsom dat aan de bodemzaken wordt toegekend nimmer meer dan EUR 82.500 bedragen - waarover geen boedelbijdrage is verschuldigd.

(...)

Overige voorwaarden

Punt 8 van jouw e-mail. Alle erfpacht- en opstalrechten van North Refinery ten tijde van het vestigen van het hypotheekrecht (op 1 augustus 2013) vallen onder het hypotheekrecht van de bank. Met andere woorden: de gehele verkoopopbrengst (-/- (overeengekomen) kosten van instandhouding -/- de overeengekomen boedelbijdrage) komt aan de bank toe.

2.22.

In oktober 2015 was de curator bezig om een zogeheten TCC unit (ook wel boormud installatie genoemd) op het terrein van North Refinery te verkopen aan een derde, waartoe deze installatie destijds werd gedemonteerd. Vóór de demontage was de TCC unit aan de grond bevestigd in de zogeheten 'mudhal'. Nadat GSP van een en ander op de hoogte raakte, heeft zij op haar eigen terrein, direct (rechts) naast de toegangspoort tot het terrein van North Refinery een bord geplaatst (zie onderstaande foto) met de volgende tekst:

"Groningen Seaports oefent op dit terrein haar retentierecht ex artikel 5:100 lid 3 Burgerlijk Wetboek uit. Het is verboden afgebroken opstallen van het terrein te verwijderen en het is verboden voor onbevoegden dit terrein te betreden."

2.23.

Tussen de curator en GSP is naar aanleiding van het door GSP ingeroepen retentierecht een discussie ontstaan over de vraag aan wie de verkoopopbrengst van de TCC unit toekomt. Om de daarover ontstane patstelling te doorbreken, zijn de advocaat van GSP en de curator in hun onderlinge e-mailcorrespondentie op 29 oktober 2015 overeengekomen dat een bedrag van € 200.000,- (zijnde de verkoopprijs van de TCC unit) gesepareerd zou worden op een kwaliteitsrekening van het notariaat van De Haan Advocaten en Notarissen, waarbij de discussie over de vraag aan wie de verkoopopbrengst toekomt zo nodig in een gerechtelijke procedure zou worden beslecht.

2.24.

Bij e-mail van 29 oktober 2015 heeft mr. [curator 3] aan GSP bevestigd dat voornoemd bedrag op een kwaliteitsrekening is gestort. Op verzoek en in opdracht van de curator is de verkoopopbrengst enkele dagen later van de kwaliteitsrekening gehaald en op de boedelrekening gestort.

2.25.

Mr. [curator 3] heeft de advocaat van GSP bij e-mail van 4 november 2015 bericht dat de verkoopopbrengst van de TCC unit inmiddels in de boedel was gevloeid en wordt aangewend ter dekking van de instandhoudingskosten. In reactie hierop heeft de advocaat van GSP de curator bij e-mail van 7 november 2015 bericht dat deze handelwijze in strijd is met de gemaakte afspraken en om opheldering verzocht.

2.26.

De provincie Groningen (hierna: de provincie) heeft op 26 april 2016 een last onder dwangsom opgelegd aan de curator - als drijver van de inrichting van North Refinery - wegens handelen in strijd met de door de provincie aan North Refinery verstrekte vergunningen. Op basis van deze last moest de curator vijf nader aangeduide tanks legen en schoonmaken. De curator heeft vervolgens aan de provincie laten weten dat hij niet aan de last kan voldoen omdat de boedel niet over de daarvoor benodigde financiële middelen beschikt.

2.27.

Op of omstreeks 7 juni 2016 heeft de curator een veiling gestart om de op dat moment nog aanwezige activa te verkopen. In dat kader heeft de curator GSP op 7 juni 2016 schriftelijk verzocht om haar retentierecht prijs te geven. In reactie hierop heeft GSP op 8 juni 2016 te kennen gegeven dat zij haar retentierecht niet zal prijsgeven, maar dat zij wel bereid is om in te stemmen met een regeling waarbij de verkoopopbrengst van voornoemde activa wordt verdeeld tussen GSP, de provincie en Rabobank.

2.28.

Op of omstreeks 20 juni 2016 hebben de curator, Rabobank, de provincie en GSP een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de verdeling van de door de curator nog te verkopen activa van North Refinery, in verband met de vorderingen die Rabobank, de provincie en GSP op North Refinery hebben. In deze overeenkomst is bepaald (in artikel 2

lid 2) dat de netto-verkoopopbrengst van genoemde activa in een verhouding 1⁄4 : 1⁄4: 1⁄4: 1⁄4 tussen de provincie, de curator, Rabobank en GSP zal worden verdeeld. De provincie heeft in het kader van deze overeenkomst een boedelkrediet van € 350.000,- aan de boedel ter beschikking gesteld om aan de door de provincie opgelegde last te kunnen voldoen.

2.29.

De curator heeft in een e-mail aan de advocaat van GSP van 10 november 2016 erkend dat de namens de boedel gemaakte afspraak om het in verband met de verkoop van de TCC unit ontvangen bedrag van € 200.000,- op een kwaliteitsrekening te separeren niet is nagekomen, in die zin dat dit bedrag (alsnog) is gebruikt voor het voldoen van instandhoudingskosten.

2.30.

Bij brief van 3 maart 2017 heeft GSP de curator en mr. [curator 3] onder andere gesommeerd om het bedrag van € 200.000,- (alsnog) te separeren. Aan die sommatie is geen gehoor gegeven.

2.31.

Bij dagvaarding van 12 juni 2018 heeft GSP de onderhavige bodemprocedure tegen mr. [curator 2] q.q./pro se en mr. [curator 3] pro se aanhangig gemaakt. In de dagvaarding is tevens een incidentele vordering ex artikel 223 Rv ingesteld.

2.32.

Bij vonnis in het incident ex artikel 223 Rv van 2 januari 2019 heeft deze rechtbank

mr. [curator 2] q.q. en pro se hoofdelijk veroordeeld om een bedrag van € 200.000,- ter separatie

buiten de boedel te voldoen op een kwaliteitsrekening van De Haan Advocaten & Notarissen,

welke rekening (mede) op naam van GSP wordt gesteld, en aldaar te laten totdat tussen

partijen een onherroepelijk vonnis is verkregen of een schikking is bereikt over de

gerechtigdheid tot deze € 200.000,-. De incidentele vordering van GSP voor zover deze is

ingesteld tegen mr. [curator 3] is afgewezen.

2.33.

Tussen de advocaat van GSP en het notariaat van het kantoor van De Haan

Advocaten en Notarissen heeft vanaf februari 2019 correspondentie plaatsgevonden over het

in escrow houden van een bedrag van € 200.000,-. In verband hiermee heeft notaris mr.

Keuning de advocaat van GSP bij e-mail van 6 februari 2019 medegedeeld dat het bedrag van

€ 200.000,- (afkomstig van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de curator) op zijn

kwaliteitsrekening is overgemaakt en dat dit bedrag door hem in escrow zal worden gehouden.

Hierna is tussen de advocaat van GSP en de notaris in hun onderlinge correspondentie

geruime tijd gediscussieerd over de tekst van de op te stellen definitieve escrow-

overeenkomst. Hierover is geen algehele overeenstemming bereikt, omdat de curator van

mening was dat hij slechts pro se tot zekerheidstelling verplicht was en niet ook q.q., terwijl

GSP van mening was dat de curator ook q.q. zekerheid moest stellen.

2.34.

In zijn (gecombineerde) faillissementsverslag d.d. 20 maart 2019 meldt de curator in

paragraaf 6.1. inzake voortzetting van de onderneming:

Voortzetten

6.1.

Exploitatie/zekerheden

verslag 1 In het kader van een beoogde doorstart van de onderneming van North Refinery is het van belang de waarde van de onderneming en de daarmee verbonden activa zo veel mogelijk in stand te houden.

Met name in verband hiermee, alsmede ter generering van opbrengsten van de instandhoudingskosten, heeft de curator het in het belang van de boedel geacht - na daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris (artikel 98 Fw) - de onderneming van de vennootschap vooralsnog op beperkte schaal voort te zetten. Uitsluitend de zgn. "boorgruis" productielijn is in bedrijf gehouden.

Door de curator is in overleg met de bank, de boekhouder en directie van de onderneming een exploitatiebegroting opgesteld, waarbij gebleken is dat de kosten van voortzetting vooralsnog gedekt kunnen worden uit de reguliere lopende inkomsten uit de verwerking van boorgruis.

(...)

verslag 2 De verwerking van boorgruis is voortgezet tot medio mei 2015. Sedertdien ligt de productie volledig

stil en resteert nog de instandhouding c.q. het behoud van de activa. Met dit laatste zijn overigens nog de nodige kosten gemoeid, omdat ter voorkoming van milieu (stank!)- en veiligheidsrisico's een aantal voorzieningen in stand dient te blijven.

2.35.

De grond waarop de onderneming van North Refinery werd gedreven is ernstig

vervuild. Er hebben tot dusver geen saneringswerkzaamheden plaatsgevonden. De provincie

heeft de curator in verband hiermee meerdere lasten onder dwangsom opgelegd.

2.36.

Mr. [curator 1] is mr. [curator 2] per 18 februari 2021 opgevolgd als curator in de

faillissementen van North Refinery en GOC.

3 Het geschil

5 BESLISSING