Rechtbank Noord-Nederland, 04-03-2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:607, AWB LEE - 21 _ 1699
Rechtbank Noord-Nederland, 04-03-2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:607, AWB LEE - 21 _ 1699
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 4 maart 2022
- Datum publicatie
- 4 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2022:607
- Zaaknummer
- AWB LEE - 21 _ 1699
Inhoudsindicatie
In geschil is of eiser zijn vakantiewoning in 2020 meer dan 90 dagen voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar had. Meer specifiek gaat het om de vraag of de maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het Coronavirus die golden in de periode vanaf 23 maart 2020, meebrengen dat de vakantiewoning geacht moet worden vanaf die datum niet beschikbaar te zijn geweest voor eiser of zijn gezin.
De rechtbank oordeelt dat de maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het Coronavirus niet meebrengen dat de vakantiewoning door eiser niet voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar werd gehouden.
Uitspraak
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/1699
en
(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).
Procesverloop
Verweerder heeft voor het jaar 2020 met dagtekening 31 maart 2021 aan eiser een aanslag opgelegd in de forensenbelasting van € 387.
Bij uitspraak op bezwaar van 25 mei 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft voor de zitting een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2022 via een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
In Vlagtwedde (gemeente Westerwolde) is op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting Westerwolde 2020 (de Verordening) forensenbelasting verschuldigd, door een natuurlijk persoon die zijn hoofdverblijf niet heeft in de gemeente en in de gemeente een gemeubileerde vakantiewoning meer dan 90 dagen op jaarbasis voor zich of zijn gezin beschikbaar houdt. De forensenbelasting bedroeg in 2020 € 387.
Eiser was een deel van 2020 eigenaar van de onroerende zaak (vakantiewoning) aan de [adres] te Vlagtwedde. De vakantiewoning is gemeubileerd.
Eiser had in 2020 niet zijn hoofdverblijf in de gemeente Westerwolde.
De vakantiewoning werd door eiser niet verhuurd.
Geschil en beoordeling
In geschil is het antwoord op de vraag of de vakantiewoning in 2020 door eiser meer dan 90 dagen voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar is gehouden. Niet in geschil is dat de vakantiewoning van 1 januari 2020 tot en met 22 maart 2020 door eiser voor zich beschikbaar werd gehouden. Dat zijn 82 dagen.
Eiser voert aan dat de woning in de periode van 23 maart 2020 tot 1 juli 2020 niet voor hem beschikbaar was, omdat in die periode de door de overheid opgelegde lockdown-maatregelen golden, waaronder begrepen een dringend advies om thuis te blijven en niet onnodig te reizen. Daarnaast is de woning op 26 juni 2020 verkocht, waardoor de woning volgens eiser nadien niet meer voor hem beschikbaar was. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de woning vanaf 1 juli 2020 in gebruik is genomen door een van de kopers en dat de woning op 7 augustus 2020 aan de kopers is geleverd.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vakantiewoning in 2020 aan eiser ter beschikking stond tot de datum waarop die aan de kopers werd geleverd, te weten 7 augustus 2020.
De rechtbank is van oordeel dat de vakantiewoning in 2020 meer dan 90 dagen door eiser voor zich of zijn gezin beschikbaar werd gehouden. De rechtbank komt tot dat oordeel op basis van de volgende overwegingen.
Volgens de toelichting van eiser ter zitting was de woning vanaf 1 juli 2020 niet meer voor hem beschikbaar, omdat een van de kopers vanaf dat moment in de woning verbleef. Verweerder heeft dat niet betwist. Eiser heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat de vakantiewoning gemeubileerd is verkocht.
Wat resteert is dus de beoordeling of de vakantiewoning in de periode 23 maart 2020 tot 1 juli 2020 (meer dan acht dagen) door eiser voor zich of zijn gezin beschikbaar werd gehouden.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het Coronavirus die golden in de periode van 23 maart 2020 tot 1 juli 2020, niet meebrengen dat de vakantiewoning door eiser niet voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar werd gehouden. De Verordening knoopt namelijk aan bij het beschikbaar houden van een woning en niet bij het feitelijk gebruik of de mogelijkheid om een woning te gebruiken. Bovendien hielden de maatregelen weliswaar een dringend advies in om niet te reizen, maar geen verbod om te reizen. Daarbij heeft verweerder ter zitting desgevraagd verklaard dat het park niet gesloten was en heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij in de lockdown periode een paar keer bij de vakantiewoning is geweest. De vakantiewoning was dus van 23 maart 2020 tot 1 juli 2020 beschikbaar voor eiser. Dit maakt dat de vakantiewoning in totaal meer dan 90 dagen in 2020 aan eiser(s) gezin ter beschikking heeft gestaan.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Wortmann, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 4 maart 2022.
|
w.g. griffier |
w.g. rechter |