Rechtbank Noord-Nederland, 05-10-2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4179, C/18/214337 / HA RK 22-40
Rechtbank Noord-Nederland, 05-10-2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4179, C/18/214337 / HA RK 22-40
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2023
- Datum publicatie
- 12 oktober 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2023:4179
- Zaaknummer
- C/18/214337 / HA RK 22-40
Inhoudsindicatie
In geschil is of het faillissement van de vof kan worden opgeheven en op welk bedrag het salaris van de curator moet worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat opheffing van het faillissement op dit moment prematuur is.
De vennoten zijn toegelaten tot de WSNP. De curator heeft het voornemen geuit een vordering in te dienen in de WSNP’s ter zake van zijn salaris in het faillissement. Dat is enkel mogelijk nadat de rechtbank zijn salaris heeft vastgesteld. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om het salaris van de curator nu reeds - voorlopig - en met inachtneming van artikel 6.3 onder e van de Recofa-richtlijnen vast te stellen.
Uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: C/18/214337 / HA RK 22-40
Beschikking van 5 oktober 2023
in het faillissement van:
de vennootschap onder firma [de gefailleerde] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
de gefailleerde,
curator: mr. P.T. Bakker te Groningen,
rechter-commissaris: mr. D.W.J. Vinkes.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de rechter-commissaris van 20 juni 2022,
- de brief van de rechter-commissaris van 31 juli 2023,
- het verweerschrift van de curator van 25 september 2023,
- de brief van de rechter-commissaris van 27 september 2023,
- de mondelinge behandeling gehouden op 28 september 2023 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die, tezamen met de spreekaantekeningen van de curator, aan het procesdossier zijn toegevoegd.
Beschikking is bepaald op heden.
2 De feiten
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 februari 2016 is [de gefailleerde] V.O.F. (hierna: de vof) te [vestigingsplaats] op aanvraag van haar vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2] in staat van faillissement gesteld met benoeming van mr. P.T. Bakker tot curator.
De curator heeft, omdat er onvoldoende baten in het faillissement van de vof aanwezig waren om de schulden te voldoen, de vennoten op grond van artikel 33 Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) aangesproken ter zake van het tekort en in het kader van die vordering een faillissementsaanvraag van de beide vennoten gedaan.
De vennoten hebben ter afwering van een faillissement een aanvraag tot toelating tot de wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen (hierna: WSNP) gedaan.
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 december 2020 zijn de vennoten van de vof allebei toegelaten tot de WSNP met benoeming van mr. N.A. Baarsma tot rechter-commissaris en mr. V.L. van Wieringen tot bewindvoerder.
De rechter-commissaris in deze zaak heeft op 20 juni 2022 de rechtbank verzocht het faillissement van de vof op te heffen op grond van artikel 16 van de Faillissementswet (hierna: Fw) en het salaris van de curator vast te stellen op het op dat moment aanwezige boedelactief - naar de rechtbank begrijpt- vermeerderd met de reeds uitgekeerde voorschotten.
De curator heeft voor zijn werkzaamheden in totaal € 41.632,23 exclusief btw aan voorschotten op zijn salaris (en de verschotten) ontvangen.
De behandeling van de voordracht tot opheffing is op verzoek van de curator aangehouden.
De curator heeft op 29 juni 2023, op verzoek van de rechter-commissaris, verzocht zijn (eind)salaris vast te stellen op € 85.319,97. Ter toelichting op dit verzoek schrijft de curator, voor zover relevant:
“Dit salarisverzoek wordt gedaan op verzoek van de RC. De curator lijkt het echter nog niet zover. Allereerst door geconstateerde en nog niet opgehelderde incorrectheden in de crediteurenbeoordeling van de boedels van de VOF vs de boedels van de WSNP’s van de vennoten en de WSNP’s onderling.
Daarnaast lijkt het de curator in dit geval opportuun om tegelijkertijd met de verificatie in de WSNP’s ook een verificatievergadering in de VOF te houden.
Tenslotte speelt nog een verschil van inzicht van de RC en de curator voor wat betreft de vordering van het salaris van de curator (en overige boedelvorderingen) in de VOF op de boedels van de WSNP’s, alsmede de rangorde desbetreffend.”
Bij brief van 31 juli 2023 heeft de rechter-commissaris de rechtbank verzocht een mondelinge behandeling te bepalen inzake de voordracht tot opheffing van het faillissement en de vaststelling van het salaris van de curator.
3 De standpunten
Het standpunt van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris stelt zich op het standpunt dat het faillissement van de vof gereed is voor opheffing, waarbij het (restant-)salaris van de curator moet worden vastgesteld op het boedelactief. Hiertoe voert de rechter-commissaris aan dat met het indienen van een vordering als bedoeld in art. 33 WvK in de WSNP’s van de beide vennoten de taak van de curator in het faillissement is voltooid. Voor wat betreft het salaris voert de rechter-commissaris aan dat ingevolge artikel 6.3 onder e van de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling bij een faillissement van een natuurlijk persoon het salaris van de curator inclusief verschotten in beginsel wordt vastgesteld op een bedrag dat niet hoger is dan het beschikbare actief en dat dat ook dient te gelden wanneer er sprake is van een vof, om te voorkomen dat vennoten na afloop van het faillissement (kunnen) worden geconfronteerd met een vordering van de curator.
Het standpunt van de curator
De curator stelt zich – samengevat – op het standpunt dat opheffing van het faillissement ex artikel 16 Fw niet aan de orde is. De curator verwacht dat de vordering ex artikel 33 WvK in de WSNP’s zal leiden tot een substantiële uitkering aan de faillissementsboedel van de vof, waardoor er voldoende baten beschikbaar zullen zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden, inclusief het salaris van de curator. De curator stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de zaakscrediteuren primair in het faillissement dienen te worden afgewikkeld en voert in dat verband aan dat verreweg de meeste zaakscrediteuren ook geen vordering ex artikel 18 WvK hebben ingediend in de WSNP’s van de vennoten. Tot slot stelt de curator dat een vof niet gelijkgesteld dient te worden met een natuurlijk persoon om welke reden toepassing van het bepaalde in artikel 6.3 onder e van de Recofa-richtlijnen niet aan de orde is. Het beschikbare actief waartoe het salaris van de curator in beginsel zou moeten worden beperkt, betreft volgens hem de som van het actief van de faillissementsboedel van de vof en de WSNP boedels van beide vennoten. De curator verzoekt de rechtbank het (nog niet als voorschot uitgekeerde deel van het) salaris pro resto vast te stellen op € 25.000,00 (inclusief btw).