Home

Rechtbank Noord-Nederland, 12-07-2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2584, 235542

Rechtbank Noord-Nederland, 12-07-2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2584, 235542

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12 juli 2024
Datum publicatie
15 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2024:2584
Zaaknummer
235542

Inhoudsindicatie

WHOA, afkoelingsperiode afgewezen omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van de WHOA-toestand.

Uitspraak

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

Afwijzing verzoek tot afkondiging afkoelingsperiode en opheffing van beslagen ex artikel 376 Fw, tevens inhoudende een verzoek tot het verkrijgen van een machtiging ex artikel 42a Fw.

rekestnummers: 235542 FT RK 24-765 e.a.

uitspraak: 12 juli 2024

beschikking op het ingekomen verzoekschrift van

de besloten vennootschappen,

1. [verzoekster 1],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [verzoekster 2],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [verzoekster 3],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [verzoekster 4],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. [verzoekster 5],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

6. [verzoekster 6],

statutair gevestig te [vestigingsplaats] ,

7. [verzoekster 7] .,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

8. [verzoekster 8],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

9. [verzoekster 9],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

10. [verzoekster 10] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

11. [verzoekster 11],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en

de vennootschap onder firma,

12. [verzoekster 12],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaten: mr. V.H.B. Kruit en mr. I. Roseboom, beiden kantoorhoudende te Utrecht,

hierna tezamen te noemen: [verzoekster] .

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft op 5 januari 2024 voor alle twaalf hiervoor genoemde entiteiten verklaringen ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd. Bij (herzien) verzoekschrift met bijlagen van 26 februari 2024 heeft [verzoekster] verzocht een afkoelingsperiode te gelasten voor een periode van vier maanden, ten aanzien van verzoekers 9 t/m 11 beslagen op te heffen en ten aanzien van verzoekers 1 t/m 5 een machtiging ex artikel 42a Fw te verlenen.

1.2.

[verzoekster] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.

1.3.

Het verzoek van [verzoekster] is op 28 juni 2024 middels een videoverbinding behandeld. Namens [verzoekster] zijn verschenen de heer [bestuurder] en de heer [controller] , financial controller, vergezeld van mr. V.H.B. Kruit en mr. I. Roseboom, beiden voornoemd. Daarnaast zijn verschenen:

- mr. Ö. Ḉolak, namens [schuldeiser 1] ,

- mr. S.A.G. de Vries, advocaat van [schuldeiser 2] ,

- de heer [directeur] , directeur van [schuldeiser 2] ,

- de heer E.J.A.C. den Boer, namens BDO Advisory B.V.,

- de heer R. Hoogendijk, namens BDO Advisory B.V.,

- mr. R. Varkevisser, advocaat van [derde]

1.4.

Voorafgaand aan de zitting zijn de volgende zienswijzen overgelegd:

- de zienswijze van [belanghebbende] gericht tegen [verzoekster 10] van 25 juni 2024;

- de zienswijze van [schuldeiser 1] gericht tegen [verzoekster 11] van 25 juni 2024;

- de zienswijze van [schuldeiser 2] gericht tegen [verzoekster 9] van 26 juni 2024;

1.5.

De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak vastgesteld op vandaag.

2 Het verzoek en de onderbouwing daarvan

Achtergrond

2.1.

De heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) exploiteert als eigenaar c.q. middellijk aandeelhouder en/of firmant via de aan hem gelieerde ondernemingen binnen [verzoekster] onder meer een [bedrijf] in [vestigingsplaats] en een [bedrijf] in [vestigingsplaats] ( [provincie] ). In 2018 is [bestuurder] 60 jaar oud geworden en heeft hij, bij gebreke aan een opvolger, besloten tot verkoop van zijn ondernemingen. Als gevolg van de coronapandemie is het [verzoekster] echter in zwaar weer gekomen.

2.2.

Vervolgens hebben [hypotheekhouder 1] ) en [hypotheekhouder 2] ) bij brieven van respectievelijk 14 september 2023 en 20 december 2023 de lopende financieringsovereenkomsten met diverse vennootschappen binnen [verzoekster] opgezegd. De vordering van [hypotheekhouder 1] vloeit voort uit verstrekte financieringen in de periode van 2010 tot en met 2021, waarbij hypotheek en pandrechten ten laste van [verzoekster] zijn gevestigd, en beloopt een bedrag van € 7.022.812,80. [hypotheekhouder 2] heeft uit hoofde van verstrekte financieringen in 2022 een vordering van

€ 10.203,956,-. De opzegging van deze financieringen is de directe aanleiding geweest voor het opstarten van het WHOA-traject door het [verzoekster]

2.3.

Ter voorbereiding van het aan te bieden WHOA-akkoord hebben verzoekers 1 t/m 5 op 19 april 2024 vijf afzonderlijke koopovereenkomsten gesloten met [derde] . Met deze overeenkomsten verkoopt [verzoekster] onder meer een gedeelte van haar onroerend goed aan [derde] onder de opschortende voorwaarde dat binnen drie maanden na ondertekening van de overeenkomsten deze rechtbank een machtiging ex artikel 42a Fw verleent voor het aangaan van de overeenkomsten. Onderdeel van vier van deze overeenkomsten is een winstdelingsregeling waarbij [verzoekster] 25% van de meeropbrengst ontvangt indien [derde] het onroerend goed binnen 3 jaar na aankoop verkoopt. Naast deze koopovereenkomsten hebben [verzoekster 9] (verzoekster sub 9) en [verzoekster 3] (verzoekster sub 3) elk een koopovereenkomst met [derde] gesloten ten aanzien van diverse onroerende zaken. Deze overeenkomsten zijn niet gesloten onder voornoemde opschortende voorwaarde en zonder winstdelingsregeling.

2.4.

Inmiddels hebben diverse schuldeisers, te weten [diverse schuldeisers] ten laste van (enkele entiteiten van) [verzoekster] beslagen gelegd onder diverse banken, waaronder [bank] en op meerdere onroerende zaken. Tot slot heeft een crediteur, te weten de heer [A] , per brief van 5 juni 2024 aan [verzoekster 10] bericht dat het faillissement van deze vennootschap aangevraagd zal worden als [verzoekster 10] niet binnen de in de brief gestelde termijn overgaat tot betaling van de nog openstaande vordering aan deze crediteur.

Het verzoek

2.5.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ten aanzien van alle verzoeksters voor de duur van vier maanden, met daarbij een verzoek om gelegde beslagen ten laste van verzoeksters 9 t/m 11 op te heffen en een machtiging ex artikel 42a Fw te verlenen aan verzoeksters 1 t/m 5 om voormelde koopovereenkomsten met [derde] gestand te doen. [verzoekster] heeft daartoe het volgende aangevoerd.

2.6.

[verzoekster] verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij niet met het betalen van haar schulden kan voortgaan als geen maatregelen worden getroffen. De schuldenlast van [verzoekster] bedraagt, naast de hypotheekschulden aan [hypotheekhouder 1] en [hypotheekhouder 2] (thans € 17.226.768,80), aan de overige schuldeisers € 10.027.522,49. De verhaalsacties die diverse schuldeisers jegens [verzoekster] hebben getroffen, brengen de continuïteit van de onderneming in gevaar. Daarbij komt dat [hypotheekhouder 1] de executieverkoop van de verhypothekeerde onroerende zaken heeft aangekondigd. Hoewel [hypotheekhouder 1] ten aanzien van deze verkoop een afwachtende houding aanneemt, heeft een verkoop tot direct gevolg dat een akkoord niet meer tot de mogelijkheden behoort. Zonder exploitatie worden immers geen inkomsten meer gegenereerd. Zonder maatregelen is een faillissement daarom op dit moment onafwendbaar. Een afkoelingsperiode is volgens [verzoekster] noodzakelijk zodat gedurende een stabiele periode de exploitatie kan worden voortgezet en een akkoord kan worden aangeboden aan de schuldeisers. Op basis van de liquiditeitsprognose is [verzoekster] in staat om gedurende deze afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Omdat [verzoekster] ter financiering van het akkoord vrij over haar financiële middelen en eigendommen moet kunnen beschikken, is het ook noodzakelijk dat de gelegde beslagen onder de diverse banken en op onroerende goederen van [verzoekster] , worden opgeheven.

2.7.

Tot slot is het volgens [verzoekster] noodzakelijk om, in het kader van de voorbereiding en aanbieding van een akkoord, financiering te verkrijgen. Deze financiering wordt mogelijk gemaakt door de verkoopovereenkomsten die [verzoekster] , onder opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een machtiging ex artikel 42a Fw, heeft gesloten met [derde] . Om een paulianarisico af te wenden indien een akkoord niet tot stand komt en [verzoekster] alsnog failliet wordt verklaard, wordt daarom verzocht om voormelde machtiging.

3 Zienswijzen

3.1.

Zowel [schuldeiser 1] als de [belanghebbende] en [schuldeiser 2] voeren in hun zienswijze, en hetgeen zij ter zitting naar voren hebben gebracht, onder meer aan dat zij niet het vertrouwen hebben dat [verzoekster] in staat zal zijn om gedurende een afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen te voldoen. [schuldeiser 2] heeft aangevoerd dat de cijfermatige onderbouwing van [verzoekster] onvoldoende is en zij heeft in dit kader gewezen op een onvolledigheid in de crediteurenlijst. [schuldeiser 1] heeft aangevoerd dat zij als schuldeiser met een retentierecht op onroerende zaken wezenlijk in haar belangen wordt geschaad bij afkondiging van een afkoelingsperiode omdat zij dan niet meer in staat zal zijn om haar retentierecht ten volle te kunnen uitoefenen. Tot slot hebben de [belanghebbende] en [schuldeiser 2] gewezen op de activiteiten van [bestuurder] in [buitenland] ten behoeve waarvan diverse overboekingen vanaf de bankrekening(en) zijn gedaan waarover tot op heden geen openheid van zaken is verschaft.

4 De beoordeling

5 De beslissing