Rechtbank Oost-Brabant, 10-01-2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:78, 01/889065-06
Rechtbank Oost-Brabant, 10-01-2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:78, 01/889065-06
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 10 januari 2014
- Datum publicatie
- 10 januari 2014
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2014:78
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1521, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 01/889065-06
Inhoudsindicatie
Ontnemingsbedrag van EUR 11.189.019,00,- in eerder behandelde megazaak Risico (o.a. XTC-productie en afvaldumping).
De rechtbank heeft daarbij een korting toegepast van EUR 10.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden.
Weliswaar is veroordeelde indertijd vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van 242.115 xtc-pillen, het gehalte ervan kan echter wel worden meegenomen in het te ontnemen bedrag onder meer omdat veroordeelde leider was van een criminele organisatie die dergelijke pillen vervaardigde. De vermeerdering van de eis op dit punt is dan ook niet in strijd met het Geerings-arrest.
Uitspraak
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/889065-06
Datum uitspraak: 10 januari 2014
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [1966],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het procesverloop.
De rechtbank 's-Hertogenbosch (thans rechtbank Oost-Brabant) heeft in de strafzaak met bovenvermeld parketnummer op 31 januari 2008 vonnis gewezen.
Het onderhavige vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 8 december 2009, 17 oktober 2011, 26 oktober 2012 en 29 november 2013.
De aanvankelijke vordering van de officier van justitie van 14 september 2011 strekte tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.399.583,80 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 26 oktober 2012 beslist tot een schriftelijke procedure ingevolge het bepaalde in artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering.
De officier van justitie heeft in zijn (ongedateerde) conclusie van eis de vordering gewijzigd en gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde en zijn (toenmalige) partner [medeverdachte 1] hoofdelijk wordt vastgesteld op € 9.609.599,60.
Ter terechtzitting van 29 november 2013 heeft de officier van justitie zijn vordering wederom gewijzigd en gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld op genoemd bedrag en dat aan hem een betalingsverplichting wordt opgelegd ter hoogte van € 8.761.071,62.
Het rapport inzake Strafrechtelijk Financiële Onderzoeken en bepaling van het Wederrechtelijk Verkregen Voordeel van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche, met proces-verbaalnummer PL 2219/06-000054, ziet op de door de rechtbank bewezen geachte strafbare feiten. Het rapport en de daarbij behorende bijlagen beslaan in totaal 23 ordners (11.097 pagina’s). In het onderhavige vonnis wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar de inhoud van dat rapport en de bijlagen.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak als strafbare feiten bewezen verklaard:
- -
-
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
- -
-
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
- -
-
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- -
-
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- -
-
een gewoonte maken van witwassen;
- -
-
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring van de feiten in het bijzonder naar het vonnis van de rechtbank van 31 januari 2008.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
De beoordeling van de vordering.
De rechtbank beziet achtereenvolgens:
1. De vordering.
2. De vermeerdering van eis.
3. Het vonnis in de hoofdzaak.
4. De berekening.
4.1. De geproduceerde hoeveelheid MDMA.
4.1.1. Locatie Hechtel-Eksel.
4.1.2. Locatie Liessel.
4.1.3. Tussenconclusie: bepaling geproduceerde hoeveelheid MDMA.
4.2. De hoeveelheid geproduceerde xtc-pillen.
4.2.1. Verklaringen met betrekking tot de productie van xtc-pillen.
4.2.2. Bepaling hoeveelheid xtc-pillen per kilo MDMA.
4.2.3. Tussenconclusie: hoeveelheid geproduceerde en verhandelde xtc-pillen.
4.3. De opbrengst in euro’s van MDMA / xtc.
4.3.1. Bepalen verkoopprijs van xtc-pillen.
4.3.2. Bepalen kostprijs van xtc-pillen.
4.3.3. Tussenconclusie: bepalen opbrengst van de groothandel in xtc-pillen.
4.4. Dumping afval.
4.4.1. Berekening hoeveelheid afval.
4.4.2. Kostenbesparing als gevolg van afvaldumping.
4.5. Bepaling overige kosten.
4.5.1. Loonkosten productie.
4.5.2. Huurkosten productielocaties.
4.6. Bepaling van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.6.1 Berekening totale wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.6.2. Verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
5. De waarde van de verbeurd verklaarde goederen en geldbedragen.
6. De redelijke termijn.
De rechtbank zal, voor zover van belang, bij de hierboven vermelde onderdelen de standpunten betrekken van de verdediging en de officier van justitie uit genoemde schriftelijke procedure en die ter terechtzitting van 29 november 2013 nog naar voren zijn gebracht.
1 De vordering.
Door de raadsman is aangevoerd dat de vordering weliswaar binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg aanhangig is gemaakt, maar dat dit in strijd met het bepaalde in artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet zo spoedig mogelijk is geschied. Veroordeelde heeft ten gevolge hiervan nadeel ondervonden hetgeen dient te leiden tot matiging van het aan de Staat te betalen bedrag uit hoofde van de ontnemingsmaatregel.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Geconstateerd wordt dat de vordering binnen twee jaren na de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg aanhangig is gemaakt. Met de officier van justitie is de rechtbank voorts van oordeel dat de vordering ook zo spoedig mogelijk aanhangig is gemaakt in de zin van artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank betrekt bij haar oordeel met name de omvang en complexiteit van het in de onderhavige ontnemingszaak gedane strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tijdig ingediend. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging op dit punt.
2 De vermeerdering van eis.
De raadsman heeft op een tweetal gronden aangevoerd dat de vermeerdering van eis door de officier van justitie dient te worden afgewezen:
-
het is in strijd met het stelsel van de ontnemingswetgeving en het vertrouwensbeginsel om na ommekomst van de in artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee jaren de ontnemingsvordering te verhogen;
-
nu veroordeelde is vrijgesproken van betrokkenheid bij de in beslag genomen ruim 242.000 pillen mag de bepaling van het MDMA-gehalte van die pillen niet worden betrokken bij de schatting van het beweerdelijk genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank overweegt als volgt.
Vooropgesteld wordt dat, volgens vaste jurisprudentie, een uitbreiding in de ontnemingsprocedure toelaatbaar is, omdat de ontnemingsvordering ingevolge het bepaalde in artikel 511e, eerste lid aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering niet de grondslag, maar enkel de aanleiding voor de ontnemingsbeslissing vormt.
De rechtbank is voorts met de officier van justitie van oordeel dat vertrouwen, in die zin dat het openbaar ministerie bij het in de ontnemingsvordering vermelde bedrag zal blijven en later in de procedure niet van een hoger bedrag zal uitgaan, in de ontnemingsprocedure niet kan worden opgewekt door het enkele vermelden van het voorlopig geschatte voordeel in de vordering. De officier van justitie noch de rechtbank is gebonden aan het in de vordering vermelde ontnemingsbedrag.
Ook de hiervoor onder b. opgenomen stelling van de raadsman kan geen stand houden.
De rechtbank overweegt dat veroordeelde is vrijgesproken van het op 30 mei 2006 opzettelijk aanwezig hebben van 242.115 xtc-pillen. Hiermee is echter de betrokkenheid van veroordeelde bij het vervaardigen van verdovende middelen niet komen te vervallen. Veroordeelde is immers veroordeeld voor onder meer het medeplegen van het bereiden van MDMA en tevens voor het (als leider) deelnemen aan een criminele organisatie die mede tot oogmerk had de vervaardiging van verdovende middelen. Het gebruik van het gehalte MDMA in de aangetroffen en in beslag genomen xtc-pillen staat aldus in verband met de bewezen (soortgelijke of andere) feiten. Naar het oordeel van de rechtbank is deze benaderingswijze niet in strijd met het Geerings-arrest (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349).
Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.
3 Het vonnis in de hoofdzaak.
De rechtbank gaat in de beschouwing en berekening uit van het vonnis van de rechtbank van 31 januari 2008 gewezen tegen veroordeelde.
Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld.