Home

Rechtbank Oost-Brabant, 12-10-2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5600, C/01/288361 / HA ZA 15-24

Rechtbank Oost-Brabant, 12-10-2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5600, C/01/288361 / HA ZA 15-24

Inhoudsindicatie

Verdeling van de opbrengst van door een pandhouder verkocht deel van inboedels in Nederland en in Zwitserland. Curator in het faillissement van de pandgever claimt de opbrengst i.v.m. een fiscaal bodemrecht op de beide woningen.

Een man heeft aan zijn partner een pandrecht verleend op zijn helft van de inboedel van twee woningen in Nederland en in Zwitserland. Na het faillissement van de man executeert de vrouw dat pandrecht door de aan de man toekomende helft aan zichzelf te verkopen. De curator in het faillissement van de man maakt op grond van art. 57 lid 3 Fw aanspraak op de opbrengst i.v.m. een fiscaal bodemrecht op de beide woningen. De fiscus heeft ook in Zwitserland een bodem(voor)recht in de zin van art. 21 lid 1 Iw 1990. Dat bodemrecht is niet vervallen i.v.m. de horizonbepaling in art. 70 Iw 1990 en is geen inbreuk als bedoeld in art. 1 Europees Protocol. De woning in Nederland, die eigendom was van de man maar werd verhuurd aan de vrouw, betrof een gemeenschappelijke bodem. Indien pandgever en pandhouder een gemeenschappelijke bodem delen, gaat ingevolge art. 21 lid 2 Iw 1990 het fiscale bodem(voor)recht ook boven een vuistpandrecht.

Uitspraak

vonnis

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/288361 / HA ZA 15-24

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

1 MR. PHILIP WILLEM SCHREURS q.q.,

wonende te Eindhoven,

2. MR. JAN EVERT STADIG q.q.,

wonende te 's-Hertogenbosch,

beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van

[A] ,

eisers,

advocaat mr. M.W. Steenpoorte te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

volgens de dagvaarding zonder bekende woon- of verblijfplaats,

woonplaats kiezend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.H.B. Crucq te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curatoren en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 13 mei 2015

-

het proces-verbaal van comparitie van 17 november 2015

-

de akte van de curatoren

-

de nadere akte van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Inleiding

2.1.

Bij vonnis van deze rechtbank van 16 april 2013 werd de heer [A] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van eisers als curatoren. Dit vonnis werd door het gerechtshof ’s‐Hertogenbosch bekrachtigd. Bij arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2014 werd het beroep in cassatie van [A] verworpen.

2.2.

[gedaagde] is de partner van [A] , bij wie zij vijf kinderen heeft. [gedaagde] en [A] hebben vele jaren samengewoond als niet-geregistreerde partners. Volgens de opgave van [gedaagde] verblijven zij en [A] thans in de Verenigde Arabische Emiraten en zijn zij met het oog op dat verblijf inmiddels gehuwd.

2.3.

Dit geschil heeft betrekking op de verdeling van de opbrengst van de aan [A] toebehorende helft van de inboedels van twee woningen in Uden (Nederland) en Crans-Montana (Zwitserland). [gedaagde] claimt een vordering op [A] uit hoofde van een rekening courantovereenkomst, waarvoor zekerheid is verschaft in de vorm van een pandrecht op de aan [A] toebehorende helft van die inboedels. De curatoren betwisten die vorderingen en het pandrecht, maar in dit geding kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat [gedaagde] een geldig pandrecht heeft. [gedaagde] heeft dat pandrecht geëxecuteerd door de aan [A] toebehorende helft van de inboedels als pandhouder onderhands aan zichzelf te verkopen. [A] had ten tijde van de dagvaarding een belastingschuld van € 500.958,. Volgens de curatoren zal de boedel onvoldoende baten hebben om die belastingschuld te kunnen voldoen. De curatoren stellen zich op het standpunt dat de fiscus op grond van artikel 21 Invorderingswet 1990 (hierna Iw 1990) een voorrecht had op de aan [A] toebehorende helft van de inboedels van de woningen in Uden en Crans-Montana en dat dit bodemrecht een hogere rang heeft dan het pandrecht van [gedaagde] , dat volgens de curatoren een stil pandrecht betrof, maar volgens [gedaagde] een vuistpand. De curatoren beroepen zich op artikel 57 lid 3 van de Faillissementswet (hierna Fw), op grond waarvan de curator in een faillissement bij de verdeling van de opbrengst van een door een pandhouder verkochte zaak gehouden is de belangen te behartigen van bevoorrechte schuldeisers die in rang boven de pandhouder gaan. De curatoren vorderen daarom dat [gedaagde] de opbrengst van de aan [A] toekomende helft van de inboedels aan de curatoren afdraagt.

3 De feiten

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing