Home

Rechtbank Oost-Brabant, 11-12-2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6387, 17_964

Rechtbank Oost-Brabant, 11-12-2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6387, 17_964

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11 december 2017
Datum publicatie
21 december 2017
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2017:6387
Zaaknummer
17_964
Relevante informatie
Wet ruimtelijke ordening [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] [Regeling ingetrokken per 2024-01-01] art. 3.1

Inhoudsindicatie

Legessanctie. Bestemmingsplan was ten tijde van het in behandeling nemen van de aanvraag omgevingsvergunning ouder dan tien jaar. De term “rechten ter zake van (...) door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan” in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro moet ruim worden uitgelegd. Dat past ook bij de bedoeling van de wet: het inbouwen van een financiële prikkel op het actief naleven van de actualiseringsverplichting. Onder de hiervoor bedoelde term vallen blijkens de letterlijke tekst van de toelichting ook de leges ter zake van bouwactiviteiten. Voor de door verweerder voorgestane splitsing in een volledigheidstoets en een inhoudelijke toets ziet de rechtbank geen ruimte. Verweerder mocht geen leges heffen. De uitspraak op bezwaar en de aanslag worden vernietigd.

Uitspraak

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/964

en

(gemachtigden: M.G.M. van der Ven en S.H.M. Reuvers).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag leges opgelegd, met dagtekening 30 november 2016 (factuurnummer [nummer] ), tot een bedrag van in totaal € 4.262,51.

Op 8 december 2016 heeft verweerder een creditnota verzonden, waarmee de aanslag leges gecorrigeerd wordt met een bedrag van € 733,99.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2017 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

Eiser heeft op 27 juni 2016 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het maken van een aanbouw bij de [naam] (de aanvraag). De aanvraag bevat de volgende activiteiten:

-

bouw: bijeenkomstfunctie

-

buitenplanse kleine afwijking

-

planologisch strijdig met bouwactiviteit >50 m2

-

Monumenten of beschermd stads- of dorpsgezicht

Op basis van de activiteiten en rekening houdend met de korting vanwege het digitaal indienen van de aanvraag en niet illegaal aanvangen is op 30 november 2016 een legesbedrag van € 4.262,51 bij eiser in rekening gebracht. Op 8 december 2016 heeft verweerder de aanslag leges gecorrigeerd met een bedrag van € 733,99.

Geschil en beoordeling

1. In geschil is of artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in de weg staat aan de heffing van de onderhavige leges.

2. Eiser heeft aangevoerd dat op de aanvraag het bestemmingsplan Zeelst 2005 van toepassing is en, omdat het bestemmingsplan inmiddels langer dan tien jaar in werking is, verweerder, gelet op artikel 3.1, vierde lid, van de Wro, geen leges meer mag heffen.

3. Verweerder heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat eiser op basis van de Legesverordening 2016 leges verschuldigd is voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning. Het recht om leges te heffen vervalt alleen voor diensten die uitsluitend verband houden met het bestemmingsplan Zeelst 2005, dat ouder is dan 10 jaar. Met betrekking tot de leges voor de bestemmingsplantoets ‘buitenplanse kleine afwijking’ en ‘planologisch strijdig met bouwactiviteit >50 m2’ heeft verweerder daarom een correctie toegepast van € 733,99. Voor overige diensten, die niet uitsluitend zijn gericht op dat bestemmingsplan, kunnen wel leges worden geheven. Daarbij heeft verweerder gewezen op de opzet van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) waarin verschillende activiteiten afzonderlijk dan wel als één project bij het bevoegd gezag kunnen worden aangevraagd. Wanneer de activiteit ‘bouw’ (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) wordt aangevraagd en bij de beoordeling van die aanvraag blijkt dat deze in strijd is met het bestemmingsplan, wordt aan die aanvraag van rechtswege de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) toegevoegd. Dit impliceert volgens verweerder dat de toets of sprake is van een activiteit als bedoeld onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, onderdeel is van de volledigheidstoets (ontvankelijkheidstoets) bij een aanvraag van de activiteit ‘bouw’. Pas na de volledigheidstoets en, zo nodig, aanvulling (al dan niet van rechtswege) gaat verweerder over tot een inhoudelijke behandeling van beide activiteiten, met ieder een apart resultaat.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Niet in geschil is dat op de aanvraag het bestemmingsplan Zeelst 2005 van toepassing is en, omdat dit bestemmingsplan ten tijde van het in behandeling nemen van de aanvraag inmiddels langer dan tien jaar in werking was, verweerder, gelet op artikel 3.1, vierde lid, van de Wro, geen leges meer mocht heffen voor door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met dat bestemmingsplan.

6. In de uitspraak van 4 juli 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:3583) heeft deze rechtbank, onder verwijzing naar de toelichting bij artikel 3.1, vierde lid, van de Wro, geoordeeld dat de term “rechten ter zake van (...) door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan” in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro ruim moet worden uitgelegd. Dat past ook bij de bedoeling van de wet: het inbouwen van een financiële prikkel op het actief naleven van de actualiseringsverplichting. Onder de hiervoor bedoelde term vallen blijkens de letterlijke tekst van de toelichting ook de leges ter zake van bouwactiviteiten.

7. De rechtbank acht onderhavige zaak met de hiervoor genoemde zaak vergelijkbaar. De rechtbank ziet in hetgeen verweerder heeft aangevoerd geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Voor de door verweerder voorgestane splitsing in een volledigheidstoets en een inhoudelijke toets ziet de rechtbank, met inachtneming van voornoemde uitspraak van 4 juli 2016, geen ruimte. De rechtbank verwijst voor de volledigheid nog naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2877) en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:1914).

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten aanzien van het in behandeling nemen van de aanvraag omgevingsvergunning van eiser geen leges mocht heffen. Het beroep is dan ook gegrond en de bestreden uitspraak en de bestreden aanslag dienen te worden vernietigd. Deze uitspraak treedt daarvoor in de plaats.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de bestreden uitspraak;

-

vernietigt de legesaanslag met dagtekening 30 november 2016 (factuurnummer [nummer] );

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.A. van Bree, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel