Home

Rechtbank Oost-Brabant, 12-06-2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2901, 17_2888

Rechtbank Oost-Brabant, 12-06-2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2901, 17_2888

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12 juni 2018
Datum publicatie
3 juli 2018
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2018:2901
Zaaknummer
17_2888

Inhoudsindicatie

De rechtbank acht een tijdsbeslag van 4 uur voor het uitgebrachte taxatierapport voor het agrarische object redelijk. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2888

(gemachtigde: G. Gieben),

en

(gemachtigde: P.P.M. van Haren).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2017, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet (aanslagnummer [aanslagnummer] ), heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: het agrarisch object), per waardepeildatum 1 januari 2016, voor het kalenderjaar 2017, vastgesteld op € 634.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) eigenaar, naar een grondslag van € 634.000 en de aanslag OZB gebruiker, naar een grondslag van € 457.000, voor het kalenderjaar 2017 bekend gemaakt.

Bij ongedateerde uitspraak op bezwaar (de bestreden uitspraak), verzonden op 12 september 2017, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 575.000 en tevens de daarop gebaseerde aanslagen dienovereenkomstig verminderd. Daarbij is aan eiser ook een proceskostenvergoeding toegekend ter hoogte van in totaal

€ 1.052,60, bestaande uit een bedrag van € 369,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, een bedrag van € 369,- voor het bijwonen van een hoorzitting en een bedrag van € 314,60 voor vergoeding van de kosten van het taxatierapport.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door A. den Dool, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door W.J.H.M. Mertens, taxateur.

Overwegingen

1. In geschil is enkel de hoogte van de door verweerder bij de bestreden uitspraak toegekende vergoeding van de kosten van het taxatierapport. Meer in het bijzonder is in geschil het aantal uren dat verweerder heeft gehanteerd voor de taxatie van de onroerende zaak en het opstellen van het taxatierapport.

2. Eiser heeft in bezwaar een taxatierapport van taxateur M. Emons (hierna: Emons) overgelegd. Emons heeft de onroerende zaak, een melkveehouderij, inpandig opgenomen. Eiser heeft in bezwaar verzocht om vergoeding van de kosten van het taxatierapport. Daarbij heeft hij aangegeven dat de kosten van het taxatierapport € 774,40 (8 uur x € 80,- per uur + 21% BTW) bedragen.

3. Verweerder heeft in de bestreden uitspraak voor de vergoeding van de kosten van het taxatierapport een bedrag van € 314,60 toegekend. Verweerder heeft het aantal uren van de taxatie vastgesteld op 4.

4. Eiser is van mening dat een tijdsbesteding van 8 uur reëel is, omdat het object is aan te merken als een courante niet-woning en taxateur Emons een inpandige opname heeft verricht. Eiser wijst erop dat uit de Richtlijn inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (Stcrt. 2012, 26039, hierna: de Richtlijn) volgt dat een tijdsbesteding van 4 uur reëel is voor een taxatie van een woning (met inpandige opname). Omdat taxaties van woningen niet vergelijkbaar zijn met taxaties van agrarisch objecten, zoals hier aan de orde, acht hij een tijdsbesteding van 8 uur voor het onderhavige object reëel.

5. Voor de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende taxatiekosten hanteert de rechtbank de Richtlijn. In de Richtlijn is geen norm gesteld voor het aantal uren van een taxatie van courante niet-woningen.

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat het te vergoeden uurtarief kan worden gehanteerd exclusief BTW. De rechtbank gaat er, conform hetgeen ter zitting door de gemachtigde van eiser is aangegeven, daarbij vanuit dat eiser de omzetbelasting in aftrek kan brengen.

7. Verweerder is bij de vergoeding van het taxatierapport uitgegaan van een tijdsbesteding van 4 uur. Verweerder heeft toegelicht dat hij op 6 juni 2017 telefonisch contact heeft opgenomen met eiser over de duur van de inpandige opname. Op de vraag hoe lang de inpandige opname heeft geduurd, heeft eiser geantwoord dat het object “vlug bekeken” is. Om die reden heeft verweerder het redelijk geacht om het aantal uren op 4 vast te stellen.

8. Uit het taxatierapport van Emons blijkt echter dat de inpandige opname heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Het taxatierapport is opgemaakt en ondertekend op 2 augustus 2017. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser onbetwist bevestigd dat de datum van de opname, zoals die in het taxatierapport is vermeld, juist is. De rechtbank constateert dat de inpandige opname heeft plaatsgevonden ná de dag (6 juni 2017) waarop verweerder met eiser heeft gesproken over de duur van de inpandige opname. Dit betekent dat de door eiser gegeven verklaring over de duur van de opname geen betrekking kan hebben op de inpandige opname van 12 juli 2017. Verweerder kan daarom niet worden gevolgd in zijn opvatting dat een tijdsbesteding van 4 uur reëel is omdat het object slechts “vlug bekeken” is.

9. De rechtbank is echter wel van oordeel dat een tijdsbeslag van 4 uur voor het uitgebrachte taxatierapport redelijk is. De taxatiekaart die is opgesteld door Emons, en die deel uitmaakt van het taxatierapport van 2 augustus 2017, wijkt slechts op twee onderdelen af van de taxatiekaart van verweerder van 28 maart 2017: de mestsilo heeft betonnen wanden (in plaats van stenen wanden) en de werktuigenberging uit 2014 is van metaal (niet van steen). Tijdens de hoorzitting van 9 juni 2017 – die vooraf is gegaan aan de inpandige opname – heeft eiser deze twee punten al naar voren gebracht. Ook de door Emons getaxeerde waarde van € 501.000 heeft eiser al eerder bepleit, namelijk in zijn bezwaarschrift van 1 juni 2017. Kennelijk diende de inpandige opname ter onderbouwing van deze standpunten. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd ook bevestigd dat de inpandige opname is uitgevoerd ter bevestiging van de eerder ingenomen standpunten. Uit het taxatierapport blijkt verder niet dat Emons, behoudens de materialen van de mestsilo en de werktuigenberging, is uitgegaan van andere feiten dan waar verweerder in zijn taxatiekaart vanuit is gegaan. Dat Emons 8 uur aan de inpandige opname en het opstellen van zijn rapport heeft besteed is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat eiser geen factuur van Emons heeft overgelegd. Dat Emons 8 uur heeft gedeclareerd voor het opstellen van het taxatierapport blijkt (slechts) uit het bezwaarschrift van eiser.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer Schotman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel