Rechtbank Oost-Brabant, 12-12-2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6148, C/01/260045 / FT RK 13/363
Rechtbank Oost-Brabant, 12-12-2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6148, C/01/260045 / FT RK 13/363
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 12 december 2018
- Datum publicatie
- 17 december 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2018:6148
- Zaaknummer
- C/01/260045 / FT RK 13/363
Inhoudsindicatie
Hoger beroep ex artikel 67 Fw nav. verzoeken artikel 69 Fw ‘inzage administratie’, ‘urenverantwoording’ en ‘inlichtingenplicht’. Voor beroep vatbare beslissingen? Hoor en wederhoor. Drie beschikkingen op 6 juli 2018. Later beslist dan ogv. 67 Fw voorgeschreven. Toegang tot het procesdossier.
De procedure ex artikel 69 Fw dient niet om steeds dezelfde vraag aan de rechter-commissaris te stellen. In het faillissement telt niet alleen het belang van de gefailleerde, maar leggen ook andere belangen, waaronder zwaarwegende maatschappelijke belangen en de belangen van de schuldeisers, gewicht in de schaal.
Uitspraak
Toezicht – enkelvoudige kamer
Rekestnummer: C/01/260045 / FT RK 13/363
Insolventienummer: C/01/13/376 F
Hoger beroep ex artikel 67 van de Faillissementswet
1 Inleiding
Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van de drie op 11 juli 2018 door mr. drs. Q.L.C.M. Bongaerts, advocaat te Amsterdam, ter griffie van deze rechtbank ingediende beroepschriften ex artikel 67 Faillissementswet (Fw) namens:
[failliet] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
ten deze domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
Herengracht 310A, 1016 CD Amsterdam,
hierna te noemen: [failliet] .
De beroepen betreffen het door deze rechtbank op 16 april 2013 uitgesproken faillissement van [failliet] . In dit faillissement zijn (laatstelijk) mr. S.J.O. de Vries als rechter-commissaris en mr. J.E. Stadig (hierna ook te noemen: mr. Stadig) en mr. Ph.W. Schreurs (hierna ook te noemen: mr. Schreurs) als curator benoemd.
Het eerste beroepschrift is gericht tegen het door de rechter-commissaris op 6 juli 2018 naar [failliet] verzonden faxbericht van 6 juli 2018 (met 1 bijlage) met onderwerp: ‘Verzoek artikel 69 Faillissementswet inzage administratie’.
Het tweede beroepschrift is gericht tegen het door de rechter-commissaris op 6 juli 2018 naar [failliet] verzonden faxbericht van 6 juli 2018 met onderwerp: ‘Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet inzake urenverantwoording’.
Het derde beroepschrift is gericht tegen het door de rechter-commissaris op 6 juli 2018 naar [failliet] verzonden faxbericht van 6 juli 2018 (met 7 bijlagen) met onderwerp: ‘Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet betreffende inlichtingenplicht’.
2 Procesverloop
Bij faxbericht van 6 juli 2018 (met 1 bijlage) met onderwerp: ‘Verzoek artikel 69 Faillissementswet inzage administratie’ (hierna te noemen: beschikking I ‘inzage administratie’) heeft de rechter-commissaris [failliet] bericht:
‘Bij brief van 3 juni 2017, diezelfde datum ter griffie van de rechtbank ontvangen, in herinnering gebracht bij twee op 12 juni 2017 gedateerde brieven alsmede bij brieven van 3 november en 1 december 2017, diezelfde data respectievelijk op 1 juli 2017 ter griffie ontvangen, heeft u mij verzocht:
(...) curatoren te bevelen om tot praktische afspraken voor de inzage te komen op zodanige wijze dat ik efficiënt (lees: [failliet] ) en doelgericht te werk kan gaan. Te bevelen om aan te geven wat voor hen noodzakelijke af te spreken procedurele zaken zijn.
Dit verzoek heeft dezelfde strekking als uw eerdere in deze kwestie ingediende verzoeken. Daarop hebben voormalig rechter-commissaris mr. P.P.M. van der Burgt en ik telkens gereageerd, laatstelijk bij brief van 24 mei 2017, die kennelijk door u op 30 mei 2017 is ontvangen.
In reactie op uw direct daarna gevolgde verzoek van 3 juni 2017 volsta ik wederom met een verwijzing naar de eerder aan u verzonden brief van voormalig rechter-commissaris mr. Van der Burgt van 16 februari 2017, in het bijzonder naar hetgeen daarin onder 1.6.3 is overwogen. In aanvulling daarop deel ik u mede dat ook thans niet is gebleken dat curatoren niet meer bereid zijn om met u de door hen bedoelde afspraken te maken, indien u zich daartoe of een derde namens u tot hen went.
In het licht van bijgevoegde brief van curatoren van 9 november 2017, merk ik tot slot ten overvloede op dat de vraag rijst waarom u, zoals u ter onderbouwing van onderhavig verzoek heeft aangegeven, ten behoeve van belastingaangifte belang heeft bij inzage in de door u bedoelde administratie.’
Bij faxbericht van 6 juli 2018 met onderwerp: ‘Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet inzake urenverantwoording’ (hierna te noemen: beschikking II ‘urenverantwoording’) heeft de rechter-commissaris [failliet] bericht:
‘Bij brieven van 24 mei 2017 en 3 oktober 2017, in herinnering gebracht bij brieven van 3 en 12 juni, 1 juli, 3, 11 en 18 oktober 2017, allen bij faxberichten van diezelfde data ter griffie van de rechtbank ontvangen, heeft u mij verzocht om curator mr. J.E. Stadig respectievelijk curator mr. Ph. W. Schreurs te bevelen om aan u – kort en zakelijk weergegeven – in uw faillissement de door hen gemaakte uren mee te delen.
In reactie op uw verzoek hebben curatoren aangegeven dat ingevolge artikel 2.2 sub d van de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling tijdregistraties, zoals door u opgevraagd, niet openbaar zijn.
Ik zie geen reden curatoren op te dragen de door hen in uw faillissement gemaakte uren mee te delen.
Uit het voorgaande volgt dat uw verzoek wordt afgewezen.’
Bij faxbericht van 6 juli 2018 (met 7 bijlagen) met onderwerp ‘Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet betreffende inlichtingenplicht’ (hierna te noemen: beschikking III ‘inlichtingenplicht’) heeft de rechter-commissaris [failliet] bericht:
‘Bij fax van gisteren, 5 juli 2018, heeft u aangegeven:
“Om er zeker van te zijn dat u mij altijd kunt bereiken heb ik speciaal voor u 2 Nederlandse faxnummers beschikbaar waarop u mij post kunt toezenden. Een regulier nummer te Amsterdam [faxnummer] en een landelijk nummer [faxnummer] .”
Indien het versturen van een fax aan een van deze twee nummers niet lukt zal het andere nummer geprobeerd worden.
Bij brief van 6 oktober 2017, in herinnering gebracht en aangevuld bij brieven van 11 en 18 oktober 2017, 3 november 2017 en 27 april 2018, bij faxberichten van diezelfde data ter griffie van de rechtbank ontvangen, heeft u mij op pagina 7 onder ad. a tot en met ad c verzocht om - kort en zakelijk weergegeven - curatoren te bevelen a). op te geven of en b). zo ja: welke vragen zij nog aan u te stellen hebben respectievelijk c). zo nee: wat nog aan de opheffing van uw faillissement in de weg staat, indien zij geen vragen aan u te stellen hebben.
Op voormeld verzoek hebben curatoren gereageerd bij e-mails van 23 en 24 oktober 2017 en 6 november 2017 (bijgevoegd). Vandaag is aan curatoren gevraagd wat de actuele stand van zaken is, waarop zij hebben geantwoord:
“In aanvulling op eerdere berichten laat ik u hierbij weten dat curatoren in onverminderde (en zelfs toegenomen) mate vragen hebben aan de heer [failliet] . Om de redenen als uiteengezet in de beschikking van het Hof uit 2014 wensen wij die vragen aan de heer [failliet] in levenden lijve te stellen en deze derhalve niet op voorhand (aan hem of derden) kenbaar te maken.”
Tevens hebben curatoren uitdrukkelijk weersproken dat, zoals u in uw brief van 3 november 2017 naar voren heeft gebracht, mr. J.E. Stadig op 31 oktober 2017 ter zitting bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verklaard dat enkel de vraag openstaat waar u momenteel van leeft.
Op grond van het bovenstaande is nu reeds duidelijk dat curatoren vragen aan u hebben. Er bestaat derhalve geen aanleiding om uw verzoek onder ad. a toe te wijzen.
Voor wat betreft uw verzoek onder ad. b bestaat, gelet op de beschikking van het
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014, meer in het bijzonder rechtsoverweging 3.5.5., evenmin aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Tegen deze beschikking heeft u geen rechtsmiddel aangewend. Curatoren hebben overigens de inhoud respectievelijk de aard van een aantal vragen, zoals de in de hiervoor genoemde stukken aangehaalde vragen, concreet aan u voorgelegd.
Uw verzoek onder ad. c behoeft geen bespreking, aangezien dit verzoek, gelet op de formulering daarvan, eerst aan de orde is, indien curatoren geen vragen meer hebben. Van een dergelijke situatie is geenszins sprake.’
Bij beroepschrift op grond van artikel 67 Fw van 11 juli 2018 met 1 bijlage, per fax en post verstuurd op 11 juli 2018 (hierna te noemen: beroepschrift I), heeft mr. Bongaerts namens [failliet] hoger beroep aangetekend tegen beschikking I ‘inzage administratie’.
Bij beroepschrift op grond van artikel 67 Fw van 11 juli 2018 met bijlagen, per fax en post verstuurd op 11 juli 2018 (hierna te noemen: beroepschrift II), heeft mr. Bongaerts namens [failliet] hoger beroep aangetekend tegen beschikking II ‘urenverantwoording’.
Bij beroepschrift op grond van artikel 67 Fw van 11 juli 2018 met 1 bijlage, per fax en post verstuurd op 11 juli 2018 (hierna te noemen: beroepschrift III), heeft mr. Bongaerts namens [failliet] hoger beroep aangetekend tegen beschikking III ‘inlichtingenplicht’.
Op 21 augustus 2018 is de behandeling ter zitting van de beroepschriften I, II, en III bepaald op 24 oktober 2018 te 09.30 uur.
Bij brief van 23 augustus 2018 heeft mr. Bongaerts de behandelend rechter mr. Roosmale Nepveu in overweging gegeven zich in de drie beroepszaken terug te trekken. Bij brief van 31 augustus 2018 is aan mr. Bongaerts bericht dat hij dat niet zou doen.
Bij brief van 11 oktober 2018 is aan mr. Bongaerts en de curatoren bericht:
‘Hierdoor bericht ik u dat de rechtbank curatoren als belanghebbenden ter zitting van 24 oktober 2018 zal horen, Zij kunnen dan desgewenst reageren op de beroepschriften.
De rechtbank stelt het op prijs als curatoren (en gefailleerde) stukken waarop zij zich ter zitting willen beroepen op woensdag 17 oktober (of eerder) indienen. Voorlopig gaat de rechtbank ervan uit dat de beroepen op 24 oktober over en weer afdoende kunnen worden bepleit. Mocht ter zitting blijken dat nog nadere uitlatingen van een der partijen in redelijkheid wenselijk zijn, dat zal alsdan over de verdere voortgang van de behandeling van worden beslist.’
Bij brieven van 16 oktober 2018 (met bijlagen) heeft mr. Stadig ten behoeve van de behandeling van de beroepschriften I, II en III stukken ingezonden. Daarbij heeft hij ter zake het beroep gericht tegen beschikking I ‘inzage administratie’ aangegeven:
‘Tenslotte zullen curatoren ter zitting meenemen het origineel van de door failliet aan hen overhandigde privé-administratie. Het betreft hier twee rode ordners. Voorts zullen curatoren een kopie van deze beide ordners meenemen welke tegen ondertekening van een kwitantie door mr. Bongaerts ter zitting in ontvangst genomen kunnen worden.’
Bij faxbericht van 17 oktober 2018 heeft mr. Bongaerts ten behoeve van de behandeling van het beroep gericht tegen beschikking III ‘inlichtingenplicht’ een brief van 17 oktober 2018 met 2 bijlagen ingezonden. Daarbij is in voormelde brief aangegeven:
‘Voor de goede orde: het beroep gaat niet over [failliet] ’ informatieplicht, maar over de daaraan spiegelbeeldige vraag of de curatoren wanneer zie iets willen weten daarom niet gewoon moeten vragen.
De twee stukken betreffen (i) een overzicht van de strafrechtelijke aangiftes die de curatoren tegen [failliet] hebben gedaan en voor zover hij daarvan weet en (ii) een overzicht van de hand van [failliet] waaruit het de ontwikkeling van het boedeltekort in zijn faillissement blijkt.’
Bij faxbericht van 23 oktober 2018 (met bijlage) heeft mr. Stadig ten behoeve van de behandeling van beroepschrift II twee bij zijn eerdere brief van 16 oktober 2018 ontbrekende pagina’s ingezonden.
Ter zitting van 24 oktober 2018 heeft mr. Bongaerts pleitnotities overgelegd en namens [failliet] het woord gevoerd. Voorts heeft mr. Stadig ter zitting pleitaantekeningen overgelegd en het woord gevoerd. Ook mr. Schreurs is ter zitting verschenen en heeft daar het woord gevoerd.
De drie beroepschriften betreffen hetzelfde faillissement, zijn op dezelfde datum ingediend, richten zich tegen beschikkingen van dezelfde datum en hangen ook inhoudelijk samen. De drie beroepen zullen daarom uit een oogpunt van proceseconomie en begrijpelijkheid in één beschikking worden afgedaan.
Gronden beroepen ten aanzien van alle drie beschikkingen
Namens [failliet] is in alle drie de beroepschriften I, II, en III – zakelijk weergegeven – gesteld:
- dat de betreffende beschikking mede berust op bescheiden en gegevens waarover [failliet] zich niet heeft kunnen uitlaten, en dat in verband daarmee het fundamentele recht van hoor en wederhoor is geschonden;
- dat het in strijd is met de goede procesorde en het recht op een vlotte procedure dat de rechter-commissaris op de late vrijdagmiddag van 6 juli 2018 de drie beschikkingen tegelijkertijd heeft gegeven;
- dat de rechter-commissaris beduidend later heeft beslist dan op grond van artikel 69 Fw is vereist, en dat dit op onrechtmatige gronden is gebeurd;
- dat de betreffende beschikking een appellabele beschikking is;
- dat het beroep tijdig is ingediend.
Ter zitting zijn namens [failliet] in alle beroepen aanvullende opmerkingen ingebracht over het recht op hoor en wederhoor en de openbaarheid van het faillissementsdossier. Daarbij is – zakelijk weergegeven – gesteld dat de rechter-commissaris zich in zijn beschikkingen uitdrukkelijk wél heeft verlaten op de reactie van de curatoren, maar dat de rechter-commissaris [failliet] niet de kans heeft gegeven op de standpunten van de curatoren te reageren. Daarbij is met klem benadrukt dat de reactie van de curatoren ter zake beschikking II ‘urenverantwoording’ bij de stukken ontbreekt en dat de curatoren verplicht zijn deze ontbrekende reactie aan te leveren. Voorts is – zakelijk weergegeven – gesteld dat op grond van de hoofdregels ‘recht op hoor en wederhoor’, ‘toegang tot het eigen dossier is een noodzakelijke voorwaarde voor toegang tot de rechter’, en ‘het faillissementsdossier is een procesdossier’, [failliet] toegang heeft tot het gehele procesdossier.
Overige gronden beroep tegen beschikking I ‘inzage administratie’
Daarnaast is in beroepschrift I namens [failliet] – zakelijk weergegeven – gesteld:
- dat [failliet] belang heeft bij het beroep omdat het gaat over de vraag of hij wel of niet inzage kan krijgen in de administratie die de curatoren onder zich hebben en dat [failliet] deze administratie nodig heeft, onder andere om bezwaar en beroep tegen aanslagen inkomstenbelasting te maken. Voorts is namens [failliet] verzocht:
‘a. de Beschikking te vernietigen en
b. [failliet] verzoek van 3 juni 2017 alsnog geheel, dan wel zoveel mogelijk toe te wijzen.’
Ter zitting zijn namens [failliet] aanvullende opmerkingen ingebracht. Voorts heeft mr. Bongaerts ter zitting toegelicht dat hij nu niet bij machte is de privéadministratie van [failliet] mee te nemen en heeft hij voorgesteld dat curatoren hem deze administratie digitaal toezenden.
Overige gronden beroep tegen beschikking II ‘urenverantwoording’
Daarnaast is in beroepsschrift II namens [failliet] – zakelijk weergegeven – gesteld:
dat [failliet] belang heeft bij het beroep omdat het gaat over de vraag of hij wel of niet inzage heeft in (een deel van) zijn faillissementsdossier. Voorts is namens [failliet] verzocht:
‘a. De Beschikking te vernietigen en
b. de Curatoren te bevelen om [failliet] kopie van hun urenspecificaties als omschreven bij rnr 6 te verstrekken.’
Ter zitting zijn namens [failliet] aanvullende opmerkingen ingebracht. Daarbij is – zakelijk weergegeven – gesteld:
- dat de curatoren tot op heden nooit hebben uitgelegd wat verstrekking van urenstaten aan [failliet] precies belet;
- dat het gaat om de vraag of [failliet] kennis kan nemen van het niet-openbare gedeelte van het faillissementsverslag en dat dit geen 71 Fw kwestie betreft;
- dat de toegang in het faillissementsdossier afhankelijk is van een belangenafweging en dat de rechter-commissaris die belangenafweging in zijn beschikking niet inzichtelijk heeft gemaakt.
Overige gronden beroep tegen beschikking III ‘inlichtingenplicht’
Daarnaast is in beroepschrift III namens [failliet] – zakelijk weergegeven – gesteld:
- dat het te ver voert dat de rechter-commissaris zonder verdere onderbouwing er van uitgaat dat er toenemende vragen bestaan aan de kant van de curatoren zonder dat zij deze eerst aan [failliet] hebben gesteld en hierop geen enkele nadere controle wordt uitgeoefend;
- dat [failliet] het doel en de strekking van de beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014 niet miskent;
- dat de curatoren tegenstrijdige en onjuiste standpunten innemen;
- dat de curatoren geen recht op informatie hebben die buiten het bereik van hun informatierecht valt;
- dat de curatoren bij hun mogelijke vragen geen rechtens te respecteren belang hebben;
- dat het recht op openheid van openstaande vragen van de curatoren ook kan worden afgeleid uit het uitgangspunt dat de gefailleerde recht heeft op inzage in het gehele faillissementsdossier;
- dat [failliet] belang heeft bij het beroep omdat het gaat over de vraag of hij wel of niet voldoet aan zijn inlichtingenplicht van artikel 105 Fw. Voorts is namens [failliet] verzocht:
‘a. de Beschikking te vernietigen;
b. de Curatoren te bevelen aan [failliet] de openstaande vragen te stellen;
c. de Curatoren te bevelen duidelijk te maken welke belang zij nog hebben te dienen met de voortzetting van [failliet] ’ faillissement.’
Ter zitting zijn namens [failliet] aanvullende opmerkingen ingebracht. Daarbij is – zakelijk weergegeven – gesteld:
- dat het beroep niet gaat over [failliet] ’ plicht tot het geven van inlichtingen, maar om de vraag of de curatoren hun vragen moeten stellen aan [failliet] ;
- dat de wettelijke taak van de curatoren betreft de behartiging van de belangen van de gezamenlijke crediteuren en dat [failliet] ’ faillissement niet meer kan leiden tot waar de faillissementsprocedure voor bedoeld is: geld ophalen en verdelen;
- dat door de curatoren recht is gedaan aan andere belangen, van bijvoorbeeld maatschappelijke aard en het belang van de gefailleerde;
- dat de curatoren, noch de rechter-commissaris belang hebben bij het stellen van vragen aan [failliet] , en [failliet] ’ belang om te weten wat nog in de weg staat aan beëindiging van zijn faillissement zwaarder weegt.
4 Standpunt curatoren
Ter zitting hebben de curatoren zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld:
- dat [failliet] in zijn beroep tegen beschikking I ‘inzage administratie’ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat dit hem behoort te worden ontzegd;
- dat ter zake het beroep van [failliet] tegen beschikking II ‘urenverantwoording’, en zijn beroep tegen beschikking III ‘informatieplicht’, het oorspronkelijke verzoek van [failliet] terecht is afgewezen, en daarvoor ook in het hoger beroep aanleiding is, voor zover nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden.
Voor zover van belang zal onder de beoordeling nader op de stellingen over en weer worden ingegaan.