Home

Rechtbank Oost-Brabant, 16-04-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2260, 19/483, 19/484, 19/552

Rechtbank Oost-Brabant, 16-04-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2260, 19/483, 19/484, 19/552

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16 april 2020
Datum publicatie
18 mei 2020
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2020:2260
Zaaknummer
19/483, 19/484, 19/552

Inhoudsindicatie

Vaststelling gecorrigeerde vervangingswaarde van twee dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten en een woonzorgcentrum.

Partijen zijn er beiden niet in geslaagd de vervangingswaarde van de twee dagverblijven aannemelijk te maken. Partijen hebben (zie ECLI:NL:HR:2018:1316) niet de aannames en gegevens die aan de in de door hen gebruikte archetypes uit de Taxatiewijzer Verzorging vermelde (bandbreedte van) prijzen per m2 ten grondslag liggen inzichtelijk en controleerbaar gemaakt. Partijen hebben evenmin de door hen bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering in aanmerking genomen restwaarden aannemelijk gemaakt.

Woonzorgcentrum. Omdat partijen beiden niet de grootte van de basiskavel aannemelijk hebben gemaakt, hebben zij niet de waarde van de grond aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding is voor een aanpassing van de technische levensduren van de ruwbouw, de afbouw en de installaties van de tot het zorgcentrum behorende (delen van) gebouwen, (zie ECLI:NL:HR:2020:169). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van functionele veroudering. Gelet op het aanzienlijke verschil tussen de vastgestelde waarde en de getaxeerde waarde, heeft verweerder de waarde van het zorgcentrum niet op een te hoog bedrag vastgesteld. Aanpassing OZBG in verband met de woondelenvrijstelling.

Uitspraak

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummers: SHE 19/483, SHE 19/484 en SHE 19/552

(gemachtigde: G. Gieben),

en

(gemachtigde: S. Ploegmakers).

Procesverloop

Bij beschikkingen van 28 februari 2018 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) onder meer de waarden van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] , beide gelegen te [vestigingsplaats 2] , en [adres 3] te [vestigingsplaats 3] (hierna: de onroerende zaken) op 1 januari 2017 (hierna: de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op respectievelijk € 2.021.000,

€ 1.266.000 en € 26.809.000 (hierna: de beschikking(en)). Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekend gemaakt en verenigd de voor het belastingjaar 2018 ter zake van de onroerende zaken opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van respectievelijk de gemeente [gemeente 1] en de gemeente [gemeente 2] .

Verweerder heeft in één geschrift met dagtekening 21 december 2018 uitspraak gedaan op de tegen de beschikkingen en aanslagen gemaakte bezwaren (de bestreden uitspraak). Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Abbe, een kantoorgenoot van haar gemachtigde, en

[naam 1] (taxateur). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] (taxateur).

De rechtbank heeft de beroepen betreffende de onroerende zaken geregistreerd onder de zaaknummers: SHE 19/552, SHE 19/484 en SHE 19/483.

Overwegingen

Geschil en beoordeling

[adres 1]

Feiten

Eiseres, een stichting, is gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een perceel grond met een oppervlakte van 2.612 m2 en de daarop gelegen gebouwde eigendommen, te weten drie gebouwen, gebouwd in 2005, die in gebruik zijn als dagverblijf voor verstandelijk gehandicapten, met een bruto-vloeroppervlak (bvo) van in totaal 1.779 m2 (hierna tezamen: het dagverblijf), een bijgebouw met een bvo van 80 m2 en een luifel met een oppervlak van 35 m2 .

Geschil en standpunten van partijen

1. In geschil is de waarde van de onroerende zaak [adres 1] op de waardepeildatum. Het geschil spitst zich toe op de vragen of verweerder bij de waardebepaling is uitgegaan van:

a. een te hoge vervangingswaarde van de tot de onroerende zaak behorende gebouwde eigendommen vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering (de bruto-vervangingswaarde);

b. te hoge restwaarden van de ruwbouw, de afbouw/vaste inrichting en de installaties van de tot de onroerende zaak behorende gebouwde eigendommen.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij instemt met de door verweerder voorgestane deelwaarde van de grond van € 248.140 (2.612 m2 à € 95 per m2), dus dit is niet langer in geschil.

2. Eiseres beantwoordt de beide vragen bevestigend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij in de bezwaarfase een taxatierapport overgelegd dat op 4 september 2018 is uitgebracht door [naam 1] , taxateur bij Phydias B.V. In dit taxatierapport, waarin de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum is bepaald op € 1.509.000, heeft de taxateur de bruto-vervangingswaarde (bvw) van het dagverblijf als volgt berekend:

m2

€/m2

Bvw in €

Dagverblijf ruwbouw

1.799

533

948.207

Dagverblijf afbouw

1.799

384

683.136

Dagverblijf installaties

1.799

323

574.617

Bvw dagverblijf

2.205.960

De taxateur heeft de bruto- en tevens de gecorrigeerde vervangingswaarde van het bijgebouw en de luifel tezamen zonder specificatie gesteld op € 50.663.

Naar de opvatting van eiseres dienen de bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering van het dagverblijf in aanmerking te nemen restwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties gesteld te worden op respectievelijk 15%, 10% en 5% van de bruto-vervangingswaarden van deze componenten van het dagverblijf.

3. Verweerder beantwoordt de vragen onder 1. ontkennend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij in de beroepsfase een taxatierapport overgelegd dat op 1 juli 2019 is uitgebracht door [naam 2] , taxateur bij de Belastingsamenwerking Oost-Brabant. In dit taxatierapport, waarin de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum is bepaald op € 2.151.000, heeft de taxateur de bruto-vervangingswaarde van het dagverblijf samengevat als volgt berekend:

m2

€/m2

Bvw in €

Dagverblijf ruwbouw

1.799

506,76

911.611

Dagverblijf afbouw

1,799

358,44

644.834

Dagverblijf installaties

1.799

379,80

683.260

Dagverblijf totaal

1.799

1.236,00

2.239.755

Luifel ruwbouw

35

213,00

7.455

Luifel afbouw

35

0,00

0

Luifel installaties

35

0,00

0

Luifel totaal

35

213,00

7.455

Berging ruwbouw

80

447,56

35.805

Berging afbouw

80

153,64

12.291

Berging installaties

80

66,80

5.344

Berging totaal

80

668,00

53.440

Naar de opvatting van verweerder dienen de bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering van het dagverblijf in aanmerking te nemen restwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties gesteld te worden op respectievelijk 30%, 27% en 17% van de bruto-vervangingswaarden van deze componenten van het dagverblijf.

Beoordeling van het geschil

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak geen woning is, dat de onroerende zaak incourant is en dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde. De rechtbank sluit zich aan bij deze gemeenschappelijke, naar haar oordeel juiste, opvattingen van partijen.

5. In artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling), dat een hulpmiddel (en niet meer dan dat) is bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde in de zin van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ, is bepaald dat de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak gebruik kan worden gemaakt van de Taxatiewijzer en kengetallen, deel 9, Verzorging, waardepeildatum 1 januari 2017 (de Taxatiewijzer Verzorging) en de Taxatiewijzer en kengetallen, deel 26, Algemene kengetallen (bijgebouwen en infrastructuur), waardepeildatum 1 januari 2017 (de Taxatiewijzer Algemene kengetallen). Ook bij dit gemeenschappelijk standpunt van partijen sluit de rechtbank zich aan.

De bruto-vervangingswaarde

7. Op verweerder rust de last te bewijzen dat de door hem in beroep verdedigde vervangingswaarde van de onroerende zaak vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering (de bruto-vervangingswaarde) niet te hoog is, mede gelet op hetgeen eiseres over de bruto-vervangingswaarde van de onroerende zaak heeft aangevoerd.

8. Partijen verschillen van mening over de vraag welk in de Taxatiewijzer Verzorging opgenomen archetype, met bijbehorende kengetallen, bij de bepaling van de bruto-vervangingswaarde van de tot de onroerende zaak behorende gebouwde eigendommen tot uitgangspunt moet worden genomen. Diengaande overweegt de rechtbank het volgende.

9. De taxateur van verweerder heeft het dagverblijf inpandig opgenomen en op grond daarvan geconcludeerd dat het, gelet op het gebruik (intensieve begeleiding van cliënten) en de standaardgrootte van deze eigendommen, het best te vergelijken is met het in de Taxatiewijzer Verzorging opgenomen archetype N3800000 (dagverblijf voor bezigheidstherapie en lichte werkzaamheden). Dit archetype geeft volgens verweerder een realistisch beeld van de stichtingskosten van het dagverblijf. Bij de bepaling van de rekenprijs per m2 van het dagverblijf is de taxateur uitgegaan van een gemiddelde onderhoudstoestand. Uitgaande van archetype N380000 heeft hij de rekenprijs per m2 gesteld op € 1.248 per m2, zijnde de gemiddelde vervangingswaarde per m2 in de bandbreedte van het archetype N3800000. Omdat de bvo van het dagverblijf groter is dan bij dagverblijven als dit gebruikelijk is, heeft de taxateur de rekenprijs per m2 van het dagverblijf verminderd tot € 1.236 per m2. Wat betreft de luifel en de berging is de taxateur eveneens uitgegaan van een gemiddelde onderhoudstoestand en heeft hij de rekenprijs per m2 gesteld op de gemiddelde m2-prijs van de bandbreedte van de in de Taxatiewijzer Algemene kengetallen opgenomen archetypen B5101600 (Carport (bijgebouw)) en archetype B5101500 (Garage aangebouwd/vrijstaand (bijgebouw)) van € 128 en € 668 per m2.

10. De rechtbank kan verweerder niet volgen in diens standpunt dat, hoewel de onroerende zaak wordt gebruikt als dagverblijf voor verstandelijk gehandicapten, bij de bepaling van de bvw ervan moet worden uitgegaan van het archetype N380000 (een dagverblijf voor bezigheidstherapie en lichte werkzaamheden). Ook de grootte van het dagverblijf van 1.779 m2 is geen reden om het archetype N380000 (standaardgrootte 1.500 m2) beter bruikbaar te achten dan N180000 (dagverblijf voor ouderen of verstandelijk gehandicapten; standaardgrootte 2.000 m2). De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat, nu het gaat om een dagverblijf voor verstandelijk gehandicapten, het archetype N180000 beter aansluit bij de onroerende zaak dan het archetype N3800000. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts de enkele verwijzing door verweerder naar de in een taxatiewijzer voor een archetype vermelde gemiddelde prijs per m2, of dit nu het archetype N3800000 dan wel het archetype N180000 is, onvoldoende om de in aanmerking genomen rekenprijs per m2 van de gebouwen (het dagverblijf) te onderbouwen. Verweerder had moeten zorgdragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de aannames en gegevens die aan de in het archetype N3800000 vermelde (bandbreedte van) prijzen per m2 ten grondslag liggen (vergelijk HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316). Het op pagina 143 van de Taxatiewijzer Verzorging vermelde “Analyseresultaat van een marktgegeven voor de kengetallen van de taxatiewijzer” biedt deze inzichtelijkheid en controleerbaarheid niet, reeds omdat de informatie die inzichtelijk en controleerbaar hadden kúnnen maken dat en hoe de door verweerder in aanmerking genomen rekenprijs per m2 is afgeleid uit de in het analyseresultaat genoemde (delen van de) bouwkosten, niet in de in het geding gebrachte publieke versie van de taxatiewijzer is opgenomen. Ook de omstandigheid dat de vermelde bouwkosten niet rond waardepeildatum, maar reeds in 2013 zijn gemaakt en daarna zijn geïndexeerd, staat aan de bruikbaarheid van het analyseresultaat als onderbouwing van de rekenprijs per m2 van de tot de onroerende zaak behorende gebouwen (het dagverblijf) in de weg.

11. Uit hetgeen onder 10. is overwogen volgt dat verweerder er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de vervangingswaarde vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering (de bruto-vervangingswaarde), waarvan hij bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak is uitgegaan, niet te hoog is.

12. Dan komt de vraag aan de orde of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar voorgestane de bruto-vervangingswaarde van de onroerende zaak niet te laag is. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

13. Zoals onder 10. is overwogen is de enkele verwijzing naar de in een taxatiewijzer voor een archetype vermelde gemiddelde prijs per m2 onvoldoende om de in aanmerking genomen rekenprijs per m2 van de gebouwen (het dagverblijf) te onderbouwen. Dat geldt onverkort voor de verwijzing van eiseres naar de in de Taxatiewijzer Verzorging vermelde gemiddelde prijs per m2 van het archetype N180000 (dagverblijf voor ouderen of verstandelijk gehandicapten). Ook hiervoor geldt dat de op de bladzijden 69 tot en met 72 van de Taxatiewijzer Verzorging opgenomen analyseresultaten van vier marktgegevens niet de vereiste inzichtelijkheid en controleerbaarheid (zie onder 10.) bieden, om dezelfde reden als hiervoor genoemd. Ook de omstandigheid dat de vermelde bouwkosten niet rond de waardepeildatum, maar reeds in 2011 en 2013 zijn gemaakt en daarna zijn geïndexeerd, staat aan de bruikbaarheid van de analyseresultaten als onderbouwing van de rekenprijs per m2 van de tot de onroerende zaak behorende gebouwen (het dagverblijf) in de weg.

De restwaarden

14. Op verweerder rust de last te bewijzen dat de door hem bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering in aanmerking genomen restwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties van vervangingswaarde van de tot de onroerende zaak behorende gebouwen vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering (de bruto-vervangingswaarde) niet te hoog zijn, mede gelet op hetgeen eiseres dienaangaande heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hier niet in geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

15. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de door hem gebruikte restwaarden naar het archetype N3800000 (dagverblijf voor bezigheidstherapie en lichte werkzaamheden) waarin voor ruwbouw, afbouw en installaties bandbreedten van respectievelijk 25%-35%, 20%-35% en 15%-20% zijn vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele verwijzing naar de in een taxatiewijzer voor een bepaald archetype opgenomen bandbreedten voor restwaarden, onvoldoende om de door verweerder in aanmerking genomen restwaarden te onderbouwen. Verweerder had moeten zorgdragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de aannames en gegevens die aan de in het archetype N3800000 vermelde bandbreedten van restwaarden ten grondslag liggen (vergelijk HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316). Dit heeft hij echter nagelaten.

16. Aangezien verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat de door hem bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering in aanmerking genomen restwaarden niet te hoog zijn, komt de vraag aan de orde of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar voorgestane restwaarden niet te laag zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

17. Eiseres stelt dat uit recente jurisprudentie zou volgen dat bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering moet worden uitgegaan van lagere restwaarden dan die, welke in de taxatiewijzers zijn vermeld. Wat er ook zij van de juistheid van deze stelling – de rechtbank laat dit uitdrukkelijk in het midden - , zonder onderbouwing met voor de bepaling van de waarde van het dagverblijf relevante marktgegevens of andere voor de rechtbank toetsbare, objectieve gegevens, ziet de rechtbank daarin geen reden om te oordelen dat de door eiseres voorgestane restwaarden voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties van het dagverblijf niet te laag zijn. Een onderbouwing als hiervoor bedoeld heeft eiseres echter niet gegeven.

Conclusie

18. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen van beide partijen in het van haar verlangde bewijs is geslaagd. Daarom bepaalt de rechtbank de waarde van de onroerende zaak, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, schattenderwijs op € 1.900.000. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, de bestreden uitspraak in zoverre vernietigen, de bij beschikking vastgestelde waarde verminderen tot € 1.900.000, de aanslag in de van gebruikers geheven onroerendezaakbelasting (hierna: OZBG) dienovereenkomstig verminderen en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak.

[adres 2]

[adres 3]

Beslissing

Rechtsmiddel