Home

Rechtbank Oost-Brabant, 24-07-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3692, C/01/359236 / KG ZA 20-306

Rechtbank Oost-Brabant, 24-07-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3692, C/01/359236 / KG ZA 20-306

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2020
Datum publicatie
29 juli 2020
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2020:3692
Zaaknummer
C/01/359236 / KG ZA 20-306

Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering curator tot meewerken aan bindend advies. Gedaagde is bevoegd tot opschorting. Beroep op afstand van recht, . Rechtsverwerking en verjaring slagen niet.

Uitspraak

vonnis

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/359236 / KG ZA 20-306

Vonnis in kort geding van 24 juli 2020

in de zaak van

MR. BART FLORIS LOUWERIER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap IMPACT RETAIL B.V.,

domicilie kiezende te Breda,

eiser,

advocaat mr. F.F.J. Froger te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QANDER CONSUMER FINANCE B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaten mr. F.E.C. Koopman en mr. H.H. van Steijn te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna de curator en Qander genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 7 juli 2020 met 14 producties

-

de brief van mr. Koopman van 1 juli 2020 met 20 producties

-

de conclusie van antwoord

-

de mondelinge behandeling via Skype op 15 juli 2020

-

de spreekaantekeningen van mr. Froger

-

de spreekaantekeningen deel II van mr. Froger

-

de spreekaantekeningen van mr. Koopman en mr. Van Steijn

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 31 januari 2011 is de besloten vennootschap Impact Retail B.V. gevestigd te Tilburg (hierna te noemen: Impact) in staat van faillissement verklaard. Mr. B.L. Louwerier en mr. M.J.M. Franken zijn samen benoemd tot curatoren in het faillissement.

2.2.

Impact hield zich kort gezegd bezig met detailhandel in onder meer consumentenelektronica, huishoudelijke artikelen en computerapparatuur.

2.3.

Impact is met Qander (voorheen genaamd LaSer Nederland B.V. en daarvoor, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Impact genaamd Primeline Services B.V.) een samenwerking aangegaan waarbij Qander kort gezegd de financiering van de aankoop voor klanten van Impact verzorgde. In dat kader is tussen Impact en Qander een samenwerkingsovereenkomst gesloten met als ingangsdatum 1 januari 2006 en een looptijd van 7 jaar (hierna te noemen: de samenwerkingsovereenkomst).

2.4.

In de samenwerkingsovereenkomst is in onder meer het volgende bepaald:

Artikel 16 Overige bepalingen

(...)

16.8

Indien na beëindiging van deze overeenkomst geen onderlinge regeling met betrekking tot de financiële afwikkeling is bereikt, zullen Partijen een onafhankelijke derde aanwijzen, die vervolgens voor beide Partijen een bindend advies zal uitbrengen. Partijen accepteren nu voor alsdan het bindende advies van de derde partij.

(...)

16.11

Alle geschillen die naar aanleiding van deze Overeenkomst of de daaruit voortvloeiende overeenkomsten mochten ontstaan, zullen worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te ’s‐Hertogenbosch.

2.5.

De curator stelt zich op het standpunt dat de boedel nog een vordering heeft van in hoofdsom ruim € 260.000,-- op Qander uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst.

2.6.

Partijen hebben tot medio 2012 tevergeefs onderhandeld over een regeling.

2.7.

Op 1 juni 2012 heeft mr. Roeffen, de toenmalige advocaat van curatoren een brief gestuurd aan mr. Koopman, de advocaat van Qander. In de brief kondigt mr. Roeffen een procedure aan. Daarbij geeft hij aan dat de curatoren geen behoefte hebben aan bindend advies. Hij verzoekt mr. Koopman voor het geval hij wel behoefte heeft aan een bindend advies, drie namen te noemen van onafhankelijke derden die als bindend adviseur zouden kunnen worden benoemd. Indien binnen tien dagen geen namen zijn ontvangen, dan gaat mr. Roeffen ervan uit dat ook mr. Koopman geen behoefte heeft aan bindend advies. Daarnaast geeft mr. Roeffen in de brief aan dat het onduidelijk is hoe artikel 16.11 van de overeenkomst zich verhoudt tot artikel 16.8. Hij verzoekt mr. Koopman daarop een antwoord te geven indien hij kiest voor een bindend adviseur.

2.8.

Van de zijde van Qander is niet inhoudelijk gereageerd op de brief van 1 juni 2012.

2.9.

Curatoren zijn vervolgens een bodemprocedure gestart bij de rechtbank Oost-Brabant waarin zij van Qander betaling hebben gevorderd van de beweerdelijke vordering van ruim € 260.000,00.

2.10.

Qander heeft in de procedure een beroep gedaan op de niet ontvankelijkheid van curatoren (dat door de rechtbank is opgevat als een bevoegdheidsverweer) in verband met het bepaalde in artikel 16.8 van de samenwerkingsovereenkomst. Qander stelt in dat verband dat de vordering had moeten worden voorgelegd aan een bindend adviseur.

2.11.

De rechtbank heeft het beroep van Qander op de niet ontvankelijkheid (c.q. onbevoegdheid) in een tussenvonnis van 21 mei 2014 verworpen.

2.12.

Bij eindvonnis van 17 december 2014 heeft de rechtbank de vorderingen van curatoren afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten van in totaal € 9.3621,00.

2.13.

Bij brief van 29 januari 2015 heeft Qander de rechter-commissaris op grond van artikel 69 Faillissementswet verzocht om curatoren te verplichten over te gaan tot betaling van de proceskostenveroordeling en hen te verbieden tegen het vonnis hoger beroep in te stellen.

2.14.

Bij beschikking van 14 maart 2015 heeft de rechter-commissaris Qander niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Ten overvloede overweegt de rechter-commissaris in de beschikking dat de proceskostenveroordeling kwalificeert als een concurrente boedelschuld die nu niet kan worden betaald omdat voorzienbaar is dat sprake is van een negatieve boedel.

2.15.

Curatoren hebben vervolgens hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank van 17 december 2014.

2.16.

Qander heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de verwerping van haar niet-ontvankelijkheidsverweer in het tussenvonnis van 21 mei 2014.

2.17.

Het Hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat curatoren gehouden zijn hun vordering voor te leggen aan een bindend adviseur. Bij arrest van 20 november 2018 heeft het Hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd, het door de curatoren in hoger beroep gevorderde afgewezen en de curatoren veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, begroot op € 5.160,00 aan verschotten en € 13.716,50 aan salaris advocaat.

2.18.

Bij brief van hun advocaat van 5 februari 2019 hebben curatoren het Hof verzocht om herstel van een kennelijke fout in het arrest. Volgens curatoren had het Hof de vonnissen van de rechtbank niet moeten bekrachtigen, maar moeten vernietigen.

2.19.

Bij arrest van 26 maart 2019 heeft het Hof het verzoek van de curatoren tot herstel afgewezen.

2.20.

Curatoren hebben vervolgens cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

2.21.

Mr. Franken is op 27 januari 2020 op eigen verzoek ontslagen als curator. Sindsdien is mr. Louwerier enig curator.

2.22.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 maart 2020 geoordeeld dat aan de beslissingen in het vonnis van de rechtbank van 17 december 2014 geen gezag van gewijsde toekomt. Het principale beroep van de curatoren is door de Hoge Raad verworpen onder compensatie van kosten. In het incidentele beroep is het arrest van het Hof vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin de vordering van Qander tot veroordeling van de curatoren in de kosten van het incidentele hoger beroep is afgewezen. De Hoge Raad heeft de curatoren veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep en het incidentele cassatieberoep, begroot op respectievelijk € 2.939,25 en € 868,07.

2.23.

De curator heeft bij e-mail van 13 maart 2020 aan de advocaten van Qander verzocht om in overleg te treden over het opstarten van een bindend-adviesprocedure. In de e-mail geeft de curator aan dat de vordering van Qander ter zake de proceskosten geldt als een concurrente boedelvordering en daarom niet meteen door de curator kan worden voldaan.

2.24.

Bij e-mail van 18 maart 2020 heeft mr. Koopmans aan de advocaat van de curator bericht dat Qander bereid is tot medewerking aan het verkrijgen van bindend advies, maar dat zij haar medewerking opschort zolang de proceskostenveroordelingen door de curator onbetaald worden gelaten.

2.25.

Bij e-mail van 20 mei 2020 heeft mr. Froger namens de curator aan de advocaten van Qander bericht dat de opschorting in strijd is met de paritas creditorum. Hij verzoekt Qander nogmaals om in overleg te treden over de bindend-adviesprocedure. Indien Qander daaraan niet meewerkt dat zal de curator en kort geding aanhangig maken.

2.26.

Bij e-mail van 25 mei 2020 heeft mr. Koopman aan mr Froger geantwoord dat Qander haar beroep op opschorting handhaaft.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Qander te veroordelen medewerking te verlenen aan het opstarten van een bindend adviesprocedure, zodanig dat binnen twee weken na betekening van dit vonnis:

a. een onafhankelijke derde als bindend adviseur door beide partijen wordt aangesteld, en

b. tussen partijen overeenstemming bestaat over de te volgen procedure ten aanzien van het bindend-adviestraject;

2. de curator te machtigen ex artikel 3:299 lid 1 BW om indien niet binnen zes weken na betekening van dit vonnis een onafhankelijke derde als bindend adviseur door beide partijen is aangesteld en/of geen overeenstemming bestaat over de te volgen procedure ten aanzien van het bindend adviestraject, voor beide partijen gezamenlijk één bindend adviseur te laten benoemen door het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) conform artikel 13 van het “NAI Reglement voor het benoemen van een bindend adviseur in ad hoc procedures” teneinde deze te laten beoordelen over de financiële afwikkeling tussen de curator/Impact enerzijds en Primeline/Qander anderzijds, als bedoeld in artikel 16.8 van de samenwerkingsovereenkomst;

3. Qander te veroordelen tot betaling aan de curator van 50% van de kosten die het NAI aan de curator in rekening brengt, betrekking hebbend op de benoeming van de bindend adviseur (thans begroot op € 1.500,00 te vermeerderen met BTW), zonder dat Qander daarbij een beroep op verrekening of opschorting toekomt;

4. te verklaren dat indien niet binnen zes weken na betekening van dit vonnis tussen partijen overeenstemming bestaat over de te volgen procedure ten aanzien van het bindend adviestraject, het bindend advies reglement van het NAI van toepassing is op de te volgen procedure;

5. Qander te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De curator legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Qander is op grond van artikel 16.8 van de samenwerkingsovereenkomst verplicht om mee te werken aan het opstarten van een binden-adviesprocedure. Qander is niet bevoegd OM haar verplichting tot medewerking op te schorten. Opschorting is namelijk in strijd met de het beginsel van de paritas creditorum. De vordering van Qander ter zake de proceskosten betreft een concurrente boedelvordering. Omdat sprake is van een negatieve boedel mag de curator niet tot uitbetaling overgaan.

Het beroep op opschorting is ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Qander probeert daarmee in feite te voorkomen dat zij verantwoording moet afleggen aan de boedel over het nog door haar verschuldigde bedrag.

De curator heeft belang bij de gevorderde machtiging voor het geval partijen geen overeenstemming bereiken. Door benoeming via het NAI te laten verlopen is de aanstelling van een onafhankelijke en deskundige adviseur gewaarborgd.

De bindend adviseur handelt in het belang van beide partijen zodat de kosten daarvan tussen partijen moeten worden gedeeld.

De curator heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vorderingen omdat hij dan verder kan met de afwikkeling van het faillissement.

3.3.

Qander voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Het ontbreekt de curator aan voldoende spoedeisend belang. De kwestie speelt al jaren en is niet het enige dat nog moet worden opgelost voordat het faillissement kan worden afgewikkeld.

Het geschil is ook niet geschikt om in kort geding te worden beslist. Het zal leiden tot onomkeerbare gevolgen en schade voor Qander. Die gevolgen zijn onvoldoende te overzien.

De curator kan niet van Qander vorderen dat zij meewerkt aan een bindend adviestraject. De curator heeft namelijk met de brief van 1 juni 2012 afstand gedaan van zijn recht om een beroep te doen op artikel 16.8 van de samenwerkingsovereenkomst.

Voor zover de curator geen afstand heeft gedaan van dat recht, dan heeft hij dat recht verwerkt. De curator heeft bij Qander het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij zijn aanspraak op financiële afwikkeling van de samenwerkingsovereenkomst door bindend advies niet meer geldend zal maken.

Daarnaast geldt dat een eventuele vordering van de curator tot medewerking door Qander aan een bindend-adviestraject inmiddels is verjaard op als gevolg van het tijdsverloop tussen 2012 en het aanhangig maken van dit kort geding.

Indien de curator toch bevoegd zou zijn om met een beroep op artikel 16.8 van Qander te vorderen dat zij meewerkt aan de benoeming van een bindend adviseur, dan geldt dat een dergelijke vordering onder de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid oplevert.

Er is namelijk geen reële kans dat de geldvordering van de curator zal worden toegewezen terwijl Qander aanzienlijke kosten zal moeten maken en haar kosten uit de vorige procedures nog niet door de curator zijn vergoed.

Voor zover Qander verplicht zou zijn om mee te werken aan de benoeming van een bindend adviseur, dan is Qander bevoegd om de nakoming van die verplichting op te schorten. Zij heeft een aanzienlijke geldvordering op de curator uit hoofde van de proceskostenveroordelingen. De curator weigert ten onrechte om tot betaling daarvan over te gaan met een beroep op de paritas creditorum.

De door de curator gevorderde machtiging is in strijd met artikel 16.8 van de samenwerkingsovereenkomst. Partijen dienen er samen in onderling overleg uit te komen.

Qander is ook niet gehouden om de rechtshandelingen te verrichten waar de curator toe gemachtigd wil worden.

Qander kan ook niet worden verplicht om het geschil te laten beslechten via het NAI of onder toepassing van de regelementen van het NAI.

De administratiekosten zouden in dat geval volledig voor rekening van de curator komen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing