Home

Rechtbank Oost-Brabant, 04-11-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:5364, 348419 HA ZA 19-461

Rechtbank Oost-Brabant, 04-11-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:5364, 348419 HA ZA 19-461

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
4 november 2020
Datum publicatie
4 november 2020
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2020:5364
Zaaknummer
348419 HA ZA 19-461

Inhoudsindicatie

BsGW huurde een pand van een (naam bedrijf 2). Omdat deze zelf het pand wilde gebruiken, is de huur opgezegd en moest BsGW op zoek naar nieuwe huisvesting. Uiteindelijk heeft BsGW voor het [C] als nieuwe huisvesting gekozen. [eiser] , eigenaar van de [A] , vindt dat BsGW en haar directeur [gedaagde 2] in het keuzeproces de [A] geen eerlijke kans gegeven hebben, en onder één hoedje met [B] , de nieuwe eigenaar van het [C] , en haar directeur [D] hebben gespeeld. Hij vindt dat ze daardoor onrechtmatig hebben gehandeld, en vordert een schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/348419 / HA ZA 19-461

Vonnis van 4 november 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.G. Horsting te Amsterdam,

tegen

1. het openbaar lichaam conform de Wet gemeenschappelijke regelingen

BSGW BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN WATERSCHAPPEN Limburg,

zetelend te Roermond,

gedaagde,

advocaten mrs. J.D.E. van den Heuvel en M.G.G. van Nisselroij te Venlo,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond.

Partijen zullen hierna [eiser] , BsGW en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 7 augustus 2019;

-

het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2020.

1.2.

De datum van het vonnis was bepaald op 16 december 2020. Het vonnis wordt bij vervroeging uitgesproken op 4 november 2020.

2 Inleiding

BsGW huurde een pand van het [M] . Omdat deze zelf het pand wilde gebruiken, is de huur opgezegd en moest BsGW op zoek naar nieuwe huisvesting. Uiteindelijk heeft BsGW voor het [C] als nieuwe huisvesting gekozen. [eiser] , eigenaar van de [A] , vindt dat BsGW en haar directeur [gedaagde 2] in het keuzeproces de [A] geen eerlijke kans gegeven hebben, en onder één hoedje met [B] , de nieuwe eigenaar van het [C] , en haar directeur [D] hebben gespeeld. Hij vindt dat ze daardoor onrechtmatig hebben gehandeld, en vordert een schadevergoeding.

3 De feiten

Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Deze staan vast omdat ze niet, of onvoldoende gemotiveerd, zijn betwist.

3.1.

BsGW is een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid. Het bestuur bestaat uit een algemeen bestuur, dagelijks bestuur en een voorzitter. Het dagelijks bestuur is het bevoegde bestuursorgaan om een beslissing te nemen over de nieuwe huisvesting. De directeur heeft een uitvoerende taak en bereidt de vergaderingen voor. [E] was voorzitter van BsGW. [gedaagde 2] was tot 7 november 2016 directeur van BsGW.

3.2.

BsGW huurde een pand aan de [adres 1] van het [M] (een dochter van Waterschap Limburg). De huurovereenkomst was aangegaan per 1 april 2011 en zou eindigen per 31 december 2020. Vanwege een fusie van twee Limburgse waterschappen wilden de waterschappen het pand aan de [adres 1] zelf gaan gebruiken per 1 september 2019. Bij brief van 17 november 2015 hebben zij BsGW van dit voornemen in kennis gesteld. Op 19 november 2015 hebben de waterschappen dit in een gesprek met de voorzitter [E] toegelicht. Op diezelfde dag heeft ook een vergadering van het dagelijks bestuur van BsGW plaatsgevonden, waarbij [E] het dagelijks bestuur hierover heeft geïnformeerd. [E] heeft daar meegedeeld “dat hij het bericht voor kennisname heeft aangenomen en verzocht heeft de opzegging per post te bevestigen, waarna overleg gevoerd kan worden over de gevolgen en de voorwaarden”, aldus het verslag van de vergadering.

3.3.

Het dagelijks bestuur heeft aan [gedaagde 2] opdracht gegeven om naar nieuwe huisvesting te zoeken en daarover een voorstel aan het dagelijks bestuur uit te brengen. [gedaagde 2] heeft een werkgroep geformeerd, die zou gaan bestaan uit hemzelf, [F] en [G] .

3.4.

[H] , lid van het dagelijks bestuur, heeft de dag na de bestuursvergadering contact opgenomen met [gedaagde 2] en hem erop attent gemaakt dat het [C] aan de [adres 2] mogelijk geschikt zou zijn voor BsGW. Dit pand was eigendom van de Gemeenschappelijke Regeling het sociale werkbedrijf [I] . Het dagelijks bestuur van [I] , waarvan [H] tevens lid was, had in mei 2015 besloten tot verkoop van dat pand. Op 26 november 2015 hebben [J] , directeur van [I] , en [gedaagde 2] , hierover gesproken en [gedaagde 2] heeft die dag het pand bezichtigd.

3.5.

[gedaagde 2] heeft vervolgens het adviesbureau [X] (hierna: [X] ) opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar de haalbaarheid van onder andere het [C] als huisvestingslocatie voor BsGW. [X] heeft op 23 december 2015 een rapport uitgebracht. Zij kwam tot de conclusie dat het [C] een prima alternatief was voor de huisvesting van BsGW.

3.6.

[eiser] is eigenaar van de [A] , een pand gelegen te [woonplaats] aan de [adres 3] . Dit is een voormalige [A] die tot kantoorgebouw is herbestemd. Een deel van dit pand wordt gehuurd door [K] , het bedrijf waarvan hij eigenaar is. Een ander deel van dit pand wordt gehuurd door Rijkswaterstaat. [eiser] had vernomen dat BsGW zocht naar nieuwe huisvesting en heeft de [A] te huur aangeboden bij brief van 2 december 2015. In die brief (dagvaarding productie 14) staat het volgende:

“Geachte heer [gedaagde 2] ,

Recent heeft ondergetekende met u contact gehad over de huisvesting van BsGW. Vanwege een op handen zijnde samenvoeging van de waterschappen in Limburg en hun voornemen om kantoor te gaan houden [...] aan de [adres 1] [...], heeft BsGW behoefte aan nieuwe huisvesting. Mogelijk dat in dit kader de " [A] " een interessante optie is.

Gaarne wil ik dit monumentale kantoorpand dat geheel is afgestemd op de hedendaagse wensen en eisen [...] in deze brief als mogelijke propositie aan u voorleggen.

[...] De totale verhuurbare oppervlakte bedraagt [...] 2.925 m2. Tot het gehuurde behoren tevens 45 parkeerplaatsen direct bij het gebouw.

Ik heb begrepen dat BsGW mogelijk behoefte heeft aan 3.000 tot 3.300 m2. In ieder geval moeten er 200 werkplekken aanwezig zijn. De [A] blijft juist onder het gevraagde metrage doch het verlangde aantal werkplekken van 200 is (ruim) aanwezig. Op termijn, bij groei van BsGW, zouden zelfs nog 50 tot 70 extra werkplekken gecreëerd kunnen worden in de vorm van een uitbreiding van het gebouw.

De beide [...] huurders [...] kunnen op 1 januari 2017 het gebouw verlaten hebben, waarbij [K] de mogelijkheid heeft het pand reeds eerder te verlaten ten gunste van BsGW. Naar ik heb begrepen zou dat de datum zijn dat nieuwe huisvesting beschikbaar moet zijn. Voorwaarde daarbij is dan wel dat vóór 1 januari 2016 bekend moet zijn bij mij of BsGW van de hier geboden propositie gebruik zal maken. Uitgaande van de veronderstelling dat BsGW geïnteresseerd is in de [A] , kan ik de navolgende voorstellen bij u neerleggen:

Huur van het gehele gebouw inclusief de bijbehorende parkeerplaatsen.

Huur in huidige staat, inclusief inbouwpakket (plafonds, scheidingswanden, vloerbedekking, bekabeling, alarm, installaties en dergelijke doch exclusief de inrichting in de vorm van bureau’s, stoelen, tafels etc); totale huursom op jaarbasis € 395.000,-; geen BTW van toepassing. Additioneel zal huurder zelf de bijkomende kosten dienen te voldoen (gas, water, elektra, keuken/catering, klein onderhoud, schoonmaak etc.).

Huur van het gehele gebouw inclusief de bijbehorende parkeerplaatsen en inclusief alle bijkomende kosten (gas, water, elektra, keuken/catering, klein onderhoud, schoonmaak etc.). Huursom "all-in" op jaarbasis € 540.000,-; over de huur is geen BTW verschuldigd, over de bijkomende kosten zal BTW in rekening gebracht worden.

Koop van het gebouw behoort ook tot de mogelijkheden, inclusief bijbehorende gronden en parkeerplaatsen en inclusief alle vaste voorzieningen, inrichtingen [...] Indien dit uw interesse heeft kunnen wij u een aanbod doen.

(...) Indien op termijn extra huisvesting nodig mocht zijn, kan op eigen terrein en zonder dat de parkeercapaciteit daaronder te lijden heeft, nog ruimte worden bijgebouwd waarmee maximaal ongeveer 90 extra werkplekken kunnen worden gerealiseerd.”

3.7.

Bij brief van 14 december 2015 aan BsGW hebben de waterschappen de huur van het pand aan de [adres 1] opgezegd per 1 september 2016. In deze brief staat het volgende (dagvaarding productie 16):

“Geachte heer [gedaagde 2] ,

Door de [...] besturen van de waterschappen Roer en Overmaas en Peel en Maasvallei is onlangs schriftelijk aan u kenbaar gemaakt dat de keuze voor huisvesting van het nieuwe waterschap Limburg is gevallen op het kantoor van het [M] te [woonplaats] . Deze [...] keuze [...] heeft tot gevolg dat het huurcontract van BsGW terzake de huisvesting van BsGW in het kantoor van het [M] wordt beëindigd.

Uwerzijds is kenbaar gemaakt dat u ernaar streeft om per 1 september 2016 naar een andere locatie te verhuizen.

Op grond van artikel 2.3 van de huurovereenkomst van 6 juli 2011 deel ik u hierbij mede dat het huurcontract per 1 september 2016 wordt beëindigd. Deze datum is enerzijds bepaald omdat u hebt aangegeven deze datum uitvoerbaar te achten, anderzijds omdat het nieuwe WSL nog intern wenst te verbouwen en per 1 januari 2017 zich op dit nieuwe adres wil vestigen. Mochten zich met betrekking tot de termijn onoverkomelijke problemen voordoen dan stel ik voor daar tijdig met alle betrokken partijen over te overleggen”.

3.8.

[gedaagde 2] heeft in een bestuursvoorstel voor de vergadering van 30 december 2015 voorgesteld het [C] te huren. In de bestuursvergadering is besloten dat het dagelijks bestuur meer informatie nodig had, en dat er onder andere een vergelijkingsmatrix met andere mogelijke locaties in [woonplaats] en de voor- en nadelen daarvan moest worden opgesteld.

3.9.

Op 13 januari 2016 hebben [F] , [gedaagde 2] en [G] een aantal panden bezichtigd, waaronder de [A] .

3.10.

Per e-mail van 14 januari 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] onder meer geschreven: “Indien de door u gewenste totaaloppervlakte van 3.300 m2 noodzakelijk is, kunnen wij u garanderen dat wij een uitbreiding van 400 m2 daadwerkelijk vóór 31 dec. 2016 kunnen realiseren (2.900 + 400 m2).”

3.11.

Op 22 januari 2016 heeft [X] de locatiematrix uitgebracht. Er zijn zeven locaties in de vergelijking betrokken, waaronder de [A] . Vier locaties, waaronder de [A] , vielen af. De [A] was als optie ‘knock-out gegaan’ op grond van het aantal m2. Van de overgebleven drie locaties scoorde het [C] de meeste punten. De locatiematrix was bedoeld voor de interne besluitvorming van het dagelijks bestuur. Zij is niet gepubliceerd of kenbaar gemaakt aan derden.

3.12.

Daarna heeft [gedaagde 2] een bestuursvoorstel voor de bestuursvergadering van

30 januari 2016 opgesteld waarin hij opnieuw het [C] voorstelde.

3.13.

Op 26 januari 2016 heeft [G] aan [gedaagde 2] en [F] een e-mail gestuurd waarin hij de [A] als mogelijke koopoptie voorstelde.

3.14.

In de vergadering van 30 januari 2016 heeft het dagelijks bestuur [gedaagde 2] onder meer opgedragen om het [C] af te zetten tegen een andere optie om de kostenvergelijking compleet te maken.

3.15.

Per brief van 1 maart 2016 hebben de waterschappen het dagelijks bestuur van BsGW erop gewezen dat zij nog geen formele reactie op hun opzegging per 1 september 2016 hebben ontvangen en vroegen zij hen zo snel mogelijk, doch uiterlijk 1 april 2016, op de hoogte te stellen van het definitieve besluit. Verder gaven zij aan vast te houden aan het uitgangspunt van huuropzegging per 1 september 2016.

3.16.

In de vergadering van 3 maart 2016 deelde het dagelijks bestuur [gedaagde 2] mee dat er slechts één andere variant behoefde te worden uitgewerkt voor de vergelijking.

3.17.

[gedaagde 2] koos voor de [A] als vergelijkingspand. [G] heeft in opdracht van [gedaagde 2] nadere informatie ingewonnen bij [eiser] over zijn aanbieding van 2 december 2015. Deze heeft [eiser] verstrekt bij e-mail van 16 maart 2016. In zijn reactie bij e-mail van 20 maart 2016 heeft [G] om meer informatie verzocht en daarbij [eiser] erop gewezen dat vanwege de bedrijfsvoering van BsGW verhuizen in de maanden december 2016 tot en met maart 2017 geen optie was en dat van belang was dat BsGW uiterlijk op 1 november 2016 daadwerkelijk zou zijn verhuisd. Voorts vroeg [G] om nadere informatie over het aantal parkeerplaatsen en de gevolgen voor de huursom als de [A] met 400 m2 zou worden uitgebreid.

3.18.

Op 15 maart 2016 hebben Gemeenschappelijke Regeling [I] , als verkoper, en [B] B.V., vertegenwoordigd door haar directeur dhr. [D] , als koper, een “intentieovereenkomst inzake de vervreemding van het pand [adres 2] ” gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer het volgende in (dagvaarding productie 34):

“Verkoper is eigenaar van het kantoorpand [adres 2]

Op dit moment is het kantoorpand gedeeltelijk in gebruik bij [I] en gedeeltelijk verhuurd [...].

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verkoop en aankoop van het object en willen de gemaakte afspraken en nadere voorwaarden waaronder vervreemding plaats vindt in deze intentieovereenkomst [...] vastleggen.

[...]

Partijen verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

1. Verkoper verkoopt aan koper en koper koopt van verkoper het kantoorpand met ondergrond [...] [adres 2] [...] voor [...] € 1.700.000,—, kosten koper.

2. De koop vindt plaats onder de ontbindende voorwaarde dat koper voor het ob-ject met BsGW een huurovereenkomst kan afsluiten voor [...] tenminste 10 jaar (...)”

3.19.

Bij brief van 21 maart 2016 heeft [B] aan [gedaagde 2] haar definitieve aanbieding gedaan. Daarbij zegde zij toe dat het [C] voor eigen rekening voorafgaande aan de huur volledig gestript en gerenoveerd zou worden en dat de huur zou kunnen ingaan op 1 januari 2017 of zoveel eerder of later als gewenst.

3.20.

Op 22 maart 2016 heeft [F] aan het managementteam en de ondernemingsraad een presentatie gegeven over het [C] en de [A] .

3.21.

Bij brief van 23 maart 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] onder meer geschreven dat hij vanwege het krappe tijdsbestek nog geen overleg heeft kunnen voeren met huurder Rijkswaterstaat over de mogelijkheid om voor 1 maart 2017 over een of meerdere gebouwdelen te kunnen beschikken. Verder deelde hij mee dat de parkeerplaatsen geen probleem zouden zijn omdat de gemeente zich sterk zou willen maken bij [Y] om een deel van het aan [Y] toebehorende stationsgebied dat grenst aan de [A] als parkeerplaats ter beschikking te stellen.

3.22.

Op 23 maart 2016 werden de [A] en het [C] bezocht door een delegatie van het MT en de OR. De OR heeft vervolgens een advies uitgebracht waarin zij voorstelde te kiezen voor de [A] .

3.23.

Op 23 maart 2016 heeft [G] aan [gedaagde 2] en [L] , coördinator van de afdeling Finance & Control bij BsGW, een huisvestingskostenvergelijking (versie 0.3.) gezonden. Deze is daarna door [L] en [gedaagde 2] op een aantal punten gewijzigd (versies 0.4 en 0.4.a).

3.24.

[G] heeft zich op 24 maart 2016 ziek gemeld en is daarna op vakantie gegaan.

3.25.

Op 25 maart 2016 (deze dag viel op Goede Vrijdag) vond een afrondend overleg tussen [gedaagde 2] en [F] namens BsGW, en twee leden van het dagelijks bestuur en de adjunct-directeur van de waterschappen plaats. Er werd een onderhandelingsakkoord bereikt. Daarin werd uitgegaan van zowel de [A] als het [C] als mogelijke huisvesting voor BsGW. Als gekozen zou worden voor de [A] zouden de waterschappen het pand aan de [adres 1] beschikbaar krijgen tussen 1 januari en 1 april 2017; als gekozen werd voor het [C] zouden de waterschappen vanaf 1 november 2016 over het pand beschikken.

3.26.

Bij e-mail van 25 maart 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] het volgende bericht:

“(...) 1. De volledige vloeroppervlakte (zijnde verdieping 3, ca. 382 m2 ) welke nu door

Kernarchitecten wordt gebruikt zal op 01 sept. 2016 beschikbaar zijn.

Noot: Gezien een mogelijke gesplitste ingebruikname, stel ik deze ruimte gedurende 4

maanden (01-09-2016 t/m 31-12-2016) gratis beschikbaar.

2. De overige ruimten van de [A] zullen op 01 jan. 2017 beschikbaar zijn.

Noot: Voor een eventuele eerdere beschikbaarheid dan 01-01-2017 zal ik in overleg

moeten treden met de huidige huurder, hetgeen ik na de Paasdagen per omgaande zal

doen.”

3.27.

Daarop heeft [gedaagde 2] per e-mail van diezelfde datum als volgt gereageerd:

“Dank voor uw snelle en duidelijke reactie. Ik heb deze uitkomst vanmiddag in de verdere afronding van de stukken meegenomen. Ik neem dinsdag contact met u op en zou daar dan graag even met u verder over willen praten.”

3.28.

[gedaagde 2] heeft op 25 maart 2016 zijn bestuursvoorstel voor de vergadering van

30 maart 2016 opgesteld. Hij heeft daarin voorgesteld te kiezen voor de [A] .

3.29.

Bij brief van 29 maart 2016 hebben de dagelijkse besturen van de waterschappen aan het dagelijks bestuur van BsGW onder meer het volgende meegedeeld (dagvaarding productie 54):

“Afgelopen vrijdag heeft een delegatie van ons bestuur met een delegatie van BSGW onderhandeld over de frictiekosten samenhangend met de verhuizing en huisvesting van uw bedrijf en enkele andere condities. Wij hebben ons vandaag beraden over het bereikte onderhandelaarsakkoord. Wij vinden dat het bereikte resultaat niet voldoet aan de eerder door ons gestelde voorwaarden zoals verwoord in onze brief van 1 maart 2016. Wij houden vast aan de eerder gestelde voorwaarden en doen het volgende voorstel.

Tijd

Uwerzijds is indertijd aangegeven het pand van [M] per 1 september 2016 te kunnen verlaten. In uw brief van 3 maart geeft u aan het [M] pand per 1 november te willen verlaten. Nu lijkt deze datum te schuiven: in het voorstel dat nu in uw bestuur voorligt wordt uitgegaan van het beschikbaar komen van het pand per 1 januari 2017. Rekening houdend met het productieproces van uw bedrijf is vertrek van uw bedrijf niet eerder te verwachten dan 1 april 2017, zo werd uwerzijds aangegeven. Wij willen dan ook onverkort vasthouden aan uw voorstel om het pand [M] per 1 november 2016 te verlaten.

Parkeerplaatsen

De huurovereenkomst van de parkeerplaatsen die BSGW nu beschikbaar heeft (156

plaatsen bij [Y] en [Z] ) is aangegaan door [M] . Wij vinden dat de parkeerplaatsen bij het gebouw van [M] horen en niet deels ter beschikking van uw bedrijf blijven ingeval u naar een ander gebouw verhuist. Wij willen er dan ook aan vasthouden dat alle parkeerplaatsen (156) bij [M] blijven. (...)”

3.30.

Op 30 maart 2016 heeft de vergadering van het dagelijks bestuur plaatsgevonden. Deze werd geschorst en voortgezet op 1 april 2016. Op de eerste dag van de vergadering had het dagelijks bestuur aan [gedaagde 2] gevraagd of er een kans bestond dat [G] zijn persoonlijke contacten had aangewend ter beïnvloeding van de aanbieding van [eiser] (prijzen en dergelijke). [gedaagde 2] had daarop geantwoord dat hij ervan overtuigd was dat dat niet was gebeurd. Om uit te sluiten dat een mogelijke beïnvloeding had plaatsgevonden, heeft de voorzitter aan [gedaagde 2] verzocht om een second opinion te laten uitvoeren voor wat betreft de marktconformiteit van de huurprijzen en in dat verband de vergadering geschorst. [gedaagde 2] heeft vervolgens [N] ingeschakeld, dat daags daarop rapport uitbracht. De vergadering is toen voortgezet op 1 april. Het dagelijks bestuur heeft op die vergaderdag zeven criteria vastgesteld die bepalend waren voor de keuze van het pand. Zij heeft vervolgens aan de hand van die criteria gekozen voor het [C] en niet voor de [A] .

3.31.

Van de vergadering is een verslag opgemaakt, dat is vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van BSGW op 9 juni 2016. Hieronder wordt het verslag met betrekking tot het onderwerp herhuisvesting BsGW integraal weergegeven.

“4. Herhuisvesting BsGW

De voorzitter geeft aan dat de bestuursleden behoefte hadden aan een nadere onderbouwing en objectivering van de huurprijzen van de twee gebouwen in het voorstel. Daarom is gevraagd om een second opinion betreffende de marktconformiteit van de onderliggende huurprijzen. Deze opdracht is aan de directeur verstrekt. [...] [gedaagde 2] overhandigt de bestuursleden [...] de offerte c.q. ’schriftelijke overeenkomst voor inschatten van een marktconforme huurwaarde (31 maart 2016)' en de 'memo van bevindingen aangaande markthuurwaarde [adres 2] en [adres 3] (1 april 2016)'. Uitvoerende is [N] te [woonplaats] . Na een korte leespauze licht [...] [gedaagde 2] de memo toe. De termijn voor het onderzoek was heel kort. De second opinion stond onder grote tijdsdruk, maar er ligt vers van de pers een uitkomst. Het DB is van mening dat het bureau in de opdracht is geslaagd. De second opinion geeft een goede benadering van de marktconformiteit van de in het bestuursvoorstel vermelde huurprijzen van de beide objecten. Er bestaat geen twijfel over de marktconformiteit van de huurprijzen. De vermelde huurprijzen (per vierkante meter verhuurbaar vloeroppervlak) zijn inclusief servicekosten en parkeerplaatsen. De voorzitter geeft aan dat de memo is opgesteld door een beëdigd taxateur. De voorzitter vraagt de vergadering of er door deze memo is voldaan aan de wens van het bestuur betreffende de second opinion aangaande de marktconformiteit. De heer [O] is van mening dat er voldoende duidelijkheid is over de marktconformiteit van de huurprijzen en dat voldaan wordt aan de vraag van het DB. Het DB heeft om een second opinion gevraagd en er ligt nu een duidelijke indicatie voor. Zowel de heer [P] als de voorzitter kunnen zich vinden in het antwoord van de heer [O] . De voorzitter concludeert dat er nu voldoende duidelijkheid is betreffende de marktconformiteit van de huurprijzen.

Het [DB] gaat nu over tot de inhoudelijke behandeling van het bestuursvoorstel.

De heer [H] geeft aan dat, gezien de norm die er geldt voor parkeerplaatsen, de huurprijzen uit de second opinion dicht bij de huurprijs liggen die in het DB-voorstel (blz. 2) van de directeur genoemd zijn. Volgens de heer [O] kan men het geheel nu objectiveren. Door nieuwe inzichten en informatie is een andere vergelijkbare situatie ontstaan. De brief van de Limburgse waterschappen van 29 maart jl. is daarbij zeer van belang. Deze geeft iets aan over de parkeerplaatsen en de mogelijke verhuisdatum. De heer [H] vraagt hoe er met de BTW-compensatie om wordt gegaan. Volgens de heer [Q] kan een verhuurder opteren voor een belaste huur. [...] [gedaagde 2] geeft aan dat er volgens het advies van de huidige accountant van BsGW voor de voorliggende casus geen keuzemogelijkheid bestaat. De heer [O] noemt een aantal criteria aan de hand waarvan een afweging kan plaatsvinden.

Mogelijke criteria zijn: blijven binnen de huidige huisvestingskosten; bereikbaarheid en parkeerplaatsen; mogelijke verhuisdatum; huursom en huurtermijn (10/15/20 jaar) en frictiekosten. De heer de [R] geeft aan geen voorstander te zijn van een lange huurtermijn.

Na beraadslaging door het DB stelt de voorzitter vast dat de bestuurlijke afweging c.q. vergelijking gemaakt zal worden op basis van de volgende primaire afwegingscriteria:

1. Huurtermijn (uitgaan van 10 jaar)

2. Huursom (huur en huisvestingskosten dienen binnen de huidige huisvestings-

kosten te blijven)

3. Parkeervoorzieningen (120 plaatsen)

4. Frictie(kosten) waterschappen

a. Brief Waterschap Limburg

b. Ingangsdatum

c. Parkeren

d. Frictievergoeding

5. Aard/kwaliteit van het gebouw

6. Advies OR

7. Eventuele andere bestuurlijke aspecten”.

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing