Home

Rechtbank Oost-Brabant, 20-04-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1781, 20/590

Rechtbank Oost-Brabant, 20-04-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1781, 20/590

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20 april 2021
Datum publicatie
10 mei 2021
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2021:1781
Zaaknummer
20/590

Inhoudsindicatie

Geschil over hoogte proceskosten in bezwaar. De rechtbank komt tot een lagere proceskostenvergoeding dan door de heffingsambtenaar in bezwaar is toegekend. Omdat eiseres door het instellen van beroep niet in een slechtere positie terecht mag komen dan waar zij in zou zitten als ze geen beroep had ingesteld, mag zij de in bezwaar toegekende vergoeding houden. Beroep ongegrond. T.a.v. het ter zitting gedane verzoek om schadevergoeding i.v.m. schending van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat a.g.v. tussen partijen gemaakte afspraken de behandeling van het bezwaar pas ter hand is genomen na het indienen van een aanvullend bezwaarschrift bijna een half jaar na indiening van het bezwaarschrift. De rechtbank ziet daarin aanleiding de redelijke termijn aan te laten vangen op de datum van indiening van het aanvullend bezwaarschrift. Daarvan uitgaande is de redelijke termijn niet verstreken. Verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/590

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2021 in de zaak tussen

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2019, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2018, voor het kalenderjaar 2019, vastgesteld op € 1.171.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het kalenderjaar 2019 bekend gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 januari 2020 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 693.000 en tevens de daarop gebaseerde aanslag dienovereenkomstig verminderd. De heffingsambtenaar heeft daarbij aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend van € 906,78.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , kantoorgenoot van haar gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en taxateur ing. P.H.R.J. Roijmans.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank op 20 april 2021 uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. In beroep is enkel de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar in geschil. Het gaat daarbij om de toegekende vergoeding voor het taxatierapport en de verleende rechtsbijstand.

2. Ten aanzien van het taxatierapport geldt het volgende.

2.1.

De rechtbank kan zich wel verplaatsen in de bedenkingen van de heffingsambtenaar ten aanzien van de deskundigheid van de door eiseres ingeschakelde taxateur en de kwaliteit van het opgemaakte rapport. De rechtbank vindt echter wel dat dit in de beroepsfase een gepasseerd station is, aangezien dit alles er kennelijk in bezwaar niet aan in de weg heeft gestaan om de taxatiekosten te vergoeden.

2.2.

Eiseres verzoekt om een vergoeding van de taxatiekosten van 8 uren tegen een uurtarief van € 110. Beide aspecten zijn niet onderbouwd, al was het maar door een factuur van de taxateur te overleggen. Daarentegen heeft de heffingsambtenaar in het verweerschrift genoegzaam uiteengezet waarom de in bezwaar gehanteerde toekenning van 6 uren redelijk is. Wat het uurtarief betreft ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de “Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties” en het daarin opgenomen uurtarief van € 68 voor taxaties van courante niet-woningen. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan tot de conclusie moet worden gekomen dat van een incourant object sprake is. De enkele omstandigheid dat het om een sportcentrum gaat, brengt niet zonder meer met zich mee dat het een incourant object is en de taxatie ervan complex van aard is.

2.3.

Er is twijfel of eiseres btw-plichtig is. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden teneinde daarover duidelijkheid te krijgen, omdat ook als ervan wordt uitgegaan dat eiseres niet btw-plichtig dit niet tot een andere uitkomst van het beroep leidt. Omwille van de proceseconomie zal de rechtbank eiseres als niet btw-plichtig beschouwen.

2.4.

Dit betekent dat voor het taxatierapport 6 x € 68 = € 408 aan kosten moest worden vergoed. Daarbij komt 21% btw = € 85,68. In totaal is dat € 493,68.

3. Ten aanzien van de in bezwaar verleende rechtsbijstand geldt het volgende.

3.1.

Uitgangspunt is dat de in het Besluit proceskosten bestuursrecht genoemde wegingsfactor 1 wordt toegepast. Wil eiseres meer, dan zal ze dat moeten onderbouwen. Wil de heffingsambtenaar minder, dan zal hij dat moeten onderbouwen. De rechtbank vindt dat beide partijen er niet in zijn geslaagd een afwijking van het gemiddelde aannemelijk te maken. Eiseres voert niets concreets aan waarom een wegingsfactor van 1,5 op zijn plaats is. De enkele verwijzing naar de door haar genoemde uitspraak van het gerechtshof Den Haag1 – die bovendien onjuist wordt uitgelegd – is onvoldoende. De heffingsambtenaar maakt zijn punt in ieder geval concreet, maar de berekening van de tijdsinvestering ook tijdens de hoorzitting is een afgeleid gemiddelde van een flink aantal zaken dat op dezelfde dag op hoorzitting is behandeld. Hoewel dit niet door eiseres is weersproken, kan de rechtbank niet uitsluiten dat de discussie over deze zaak intensiever is geweest dan de heffingsambtenaar aangeeft.

3.2.

Wel vindt de rechtbank van belang dat de werkgever van de gemachtigde van eiseres (Previcus) en de heffingsambtenaar afspraken hebben gemaakt voor de weging per punt die wordt toegepast. Het Besluit proceskosten bestuursrecht gaat van hele punten voor een bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting, maar genoegzaam is gebleken dat een daarvan afwijkende afspraak is gemaakt om 0,5 punt te hanteren voor de hoorzitting. De rechtbank ziet geen aanleiding waarom die afspraak hier niet zou moeten worden gevolgd.

3.3.

Dit betekent dat voor het bezwaarschrift 1 punt, wegingsfactor 1 en tarief € 261 geldt. Voor de hoorzitting geldt 0,5 punt, wegingsfactor 1 en tarief € 261. Het totaalbedrag voor verleende rechtsbijstand in bezwaar is daarmee € 261 + € 130,50 = € 391,50.

4. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het totale bedrag van de proceskostenvergoeding in bezwaar € 493,68 + € 391,50 = € 885,18 bedraagt. Er is aan eiseres een bedrag van € 906,78 aan proceskostenvergoeding toegekend. Dat is meer dan waar zij recht op heeft. Eiseres mag echter van het instellen van beroep niet slechter worden als die verslechtering van haar positie niet mogelijk was zonder dat zij beroep had ingesteld (zgn. reformatio in peius). Ze mag dus houden wat ze heeft.

5. Eiseres heeft dus in bezwaar niet te weinig proceskostenvergoeding in bezwaar gekregen zoals zij stelt. Om die reden is het beroep ongegrond.

6. Eiseres heeft op de zitting om schadevergoeding verzocht vanwege de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Uitgangspunt bij die beoordeling is dat van een dergelijke schending sprake is als meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het maken van bezwaar en het doen van uitspraak door de rechtbank.

6.1.

Eiseres heeft op 3 april 2019 bezwaar gemaakt en de rechtbank doet heden uitspraak. Daarmee zou de redelijke termijn in beginsel zijn geschonden.

6.2.

Bij het bepalen van genoemde schadevergoeding dient echter ook de procesopstelling van eiseres te worden betrokken. De heffingsambtenaar heeft in dit verband op de zitting onweersproken gesteld dat met (het kantoor van) de gemachtigde van eiseres afspraken zijn gemaakt over de indiening van het bezwaar, te weten dat binnen de bezwaartermijn wordt volstaan met een zeer summier bezwaarschrift om de termijn veilig te stellen. Vervolgens is het aan (het kantoor van) de gemachtigde van eiseres om dat bezwaar op enig moment aan te vullen. Vanaf dat moment zal de heffingsambtenaar dan ook de behandeling van het bezwaar ter hand nemen. De genoemde aanvulling van het bezwaar heeft plaatsgevonden bij brief van (het kantoor van) de gemachtigde van eiseres van 24 september 2019.

6.3.

Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om de aanvang van de redelijke termijn te bepalen op 24 september 2019. Gelet op dat aanvangsmoment en de datum waarop de rechtbank uitspraak doet is de onder 6. genoemde redelijke termijn in deze zaak niet verstreken. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen zoals door eiseres is verzocht.

6.4.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 20 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel