Rechtbank Oost-Brabant, 21-09-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5059, 372312 / KG ZA 21-386
Rechtbank Oost-Brabant, 21-09-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5059, 372312 / KG ZA 21-386
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 21 september 2021
- Datum publicatie
- 27 september 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2021:5059
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2022:14
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2022:1355
- Zaaknummer
- 372312 / KG ZA 21-386
Inhoudsindicatie
Kort geding. Niet kan worden uitgesloten dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat gedaagde is tekortgeschoten in de uitoefening van de hem opgedragen taak als bedoeld in artikel 2:9 BW. Uit de door eiseres overgelegde producties kan genoegzaam worden afgeleid dat gedaagde tijdens zijn bestuurderschap van eiseres, een concurrent van eiseres in het leven heeft geroepen, daarbij gebruikmakend van de know how en het e-mailadres, logo en format van eiseres, alsmede van het octrooi waarvan eiseres het exclusieve gebruiksrecht heeft en dat zij ten behoeve van deze concurrerende onderneming investeringen hebben aangetrokken zonder de aandeelhouders en bestuurders van eiseres daarvan op de hoogte te stellen.
Uitspraak
vonnis
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/372312 / KG ZA 21-386
Vonnis in kort geding van 21 september 2021
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BRAND SOCIAL GROUP B.V.,
gevestigd te Helmond,
eiseres,
advocaat mr. M.J.G. Pennings te Eindhoven,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
gevestigd te Eindhoven,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
bijgestaan door mr. P.J.P.J. van Riet te Geldrop.
Partijen zullen hierna Brandit en [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden. Waar nodig worden gedaagde afzonderlijk aangeduid als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 27 augustus 2021 met 32 producties
- -
-
de brief van mr. Pennings van 1 september 2021 met aanvullende producties 33 tot en met 36
- -
-
de brief van mr. Van Riet van 3 september 2021 met 30 producties
- -
-
de mondelinge behandeling op 6 september 2021
- -
-
de pleitnota van Brandit
- -
-
de pleitnota van [gedaagde sub 1] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De heren [A] (hierna: [A] ) en [gedaagde sub 2] (hierna: [gedaagde sub 2] ) hebben vanaf 2017 samengewerkt aan de ontwikkeling van een foto/video app - Brandit - die bedrijven en particulieren in staat stelt om klanten, medewerkers en fans te activeren als influencers en omzet te genereren uit persoonlijke netwerken die tot dan toe onbereikbaar waren.
Op 19 april 2017 hebben [A] en [gedaagde sub 2] daartoe een octrooiaanvraag ingediend voor het “systeem en toestel voor persoonlijke berichtenuitwisseling”. Het octrooi is op 4 september 2018 verleend, waarbij [A] en [gedaagde sub 2] gezamenlijke octrooihouders zijn en gezamenlijk als uitvinders worden aangemerkt.
Op 18 december 2018 hebben [A] en [gedaagde sub 2] via hun persoonlijke Holdings ( [Holding A] en [gedaagde sub 1] ) samen met een tweetal investeerders, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een besloten vennootschap opgericht, Brand Social Group B.V., tevens handelend onder de naam Brandit.
Sinds de oprichting van Brandit zijn [Holding A] en [gedaagde sub 1] gezamenlijk bevoegd bestuurder van Brandit. Brandit heeft het exclusieve gebruiksrecht van het gezamenlijke octrooi van [A] en [gedaagde sub 2] .
Op 16 oktober 2019 zijn een tweetal Chinese investeerders, mevrouw [B] en de heer [C] , aandeelhouder geworden van Brandit. Zij hebben in totaal € 250.000,00 ingebracht in de vorm van een geldlening en 17 % van het aandelenkapitaal. Na toetreding van mevrouw [B] en de heer [C] houden [Holding A] en [gedaagde sub 1] elk 37,5 % van de aandelen in Brandit, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ieder 4,5 % en mevrouw [B] en de heer [C] elk 8,5 % van het aandelenkapitaal van Brandit.
Na deze investeringen heeft een externe ontwikkelaar [D] de app verder ontwikkeld en verbeterd. [D] heeft de app medio 2019 opgeleverd. De kosten daarvan beliepen in totaal € 130.000,00.
De uitrol van de Brandit app verliep niet zoals gehoopt. De kosten van de appontwikkeling bleken fors hoger uit te vallen en de omzet bleef achter bij de verwachtingen.
Vanaf medio 2020 is de relatie tussen [A] en [gedaagde sub 2] bekoeld. Tijdens een gesprek op 10 december 2020 heeft [gedaagde sub 2] aan [A] aangegeven dat hij geen verdere toekomst meer zag in de samenwerking met [A] en dat hij die zou willen beëindigen. Daarbij heeft hij ondermeer de optie geschetst om Brandit te liquideren, waarna ieder afzonderlijk van elkaar met (een kopie van) het product de eigen visie zou kunnen volgen. [A] is op het voorstel van [gedaagde sub 2] niet ingegaan.
Op 12 april 2021 heeft een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden, waarbij het ontslag van [gedaagde sub 1] als bestuurder van Brandit was geagendeerd. Alle vergadergerechtigden zijn op de vergadering verschenen, met uitzondering van [gedaagde sub 1] . Tijdens de vergadering is unaniem besloten tot het ontslag van [gedaagde sub 1] als bestuurder van Brandit.
[gedaagde sub 1] heeft de rechtsgeldigheid van het ontslag betwist, omdat zij de uitnodiging voor de algemene aandeelhoudersvergadering niet had ontvangen en dus geen geldige oproeping heeft plaatsgevonden.
[A] heeft, naar aanleiding van de ontkenning door [gedaagde sub 1] van de ontvangst van de e-mail met de oproeping voor de algemene aandeelhoudersvergadering op 12 april 2021 een onderzoek ingesteld naar het zakelijke e-mailadres [emailadres] dat door [gedaagde sub 2] ten behoeve van Brandit werd gebruikt.
Bij brief van 11 mei 2021 heeft de advocaat van Brandit een aantal constateringen op basis van dit onderzoek met [gedaagde sub 1] c.s. gedeeld. Dit betreft - onder andere - de volgende zaken:
Op 23 april 2020 heeft [gedaagde sub 2] een e-mailbericht met presentatie gestuurd aan Label A, een app producent waarmee Brandit contact heeft gehad. Hij maakt daarin melding dat hij wil kijken hoe en of de volgende stap met Brandit te maken is, BRANDIT NEXT. In de mail geeft [gedaagde sub 2] aan dat hij de samenwerking zelfstandig zal doen onder een andere naam.
Op 8 december 2020 heeft de heer [E] een e-mail gestuurd naar [F] (een potentiële investeerder) met de mededeling dat hij graag Brandit wil pitchen.
Naar aanleiding van de presentatie van [gedaagde sub 2] op 21 december 2020 (vergelijk prod. 17A van Brandit) heeft de heer [F] bij e-mailbericht van 24 december 2020 meerdere vragen gesteld die betrekking hebben op Brandit.
Bij e-mailbericht van 21 februari 2021 heeft de heer [F] aan [gedaagde sub 2] bevestigd dat hij samen met andere investeerders € 275.000,00 wil investeren in Emoki .
Op 4 februari 2021 is [gedaagde sub 2] in contact gekomen met een potentiële Indiase investeerder, de heer [G] . [gedaagde sub 2] heeft de heer [G] op 16 februari 2021 een link gestuurd die verwijst naar het octrooi van [A] en [gedaagde sub 2] .
De advocaat van Brandit heeft [gedaagde sub 2] in de gelegenheid gesteld op de constateringen te reageren en [gedaagde sub 2] aansprakelijk gesteld voor alle schade die Brandit lijdt ten gevolge van de in de brief geschetste gedragingen.
Op 19 maart 2021 is Stickers License B.V. opgericht. Deze vennootschap is ingeschreven op hetzelfde adres als waar tot voor kort Brandit was gevestigd en kantoor hield. [gedaagde sub 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van Stickers License B.V.
Op 11 juni 2021 is Menoki B.V. opgericht met als omschrijving van de bedrijfsactiviteit: het exploiteren van de menoki stickerboard app en het designen van digitale stickers voor afnemers (personen en instellingen met een aanzienlijke fanbase).