Rechtbank Oost-Brabant, 15-12-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6460, 20/3276
Rechtbank Oost-Brabant, 15-12-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6460, 20/3276
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 15 december 2021
- Datum publicatie
- 18 juli 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2021:6460
- Zaaknummer
- 20/3276
Inhoudsindicatie
Partijen hebben een compromis gesloten over de WOZ-waarde, maar geen overeenstemming bereikt over de te vergoeden proceskosten. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar op basis van door eiser verschafte info uit 2014 een redelijke inschatting heeft gemaakt op basis van het kwaliteit- en onderhoudsniveau. Hem kan niet verweten worden dat al bij het nemen van de beschikking de waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld, te meer omdat eiser zelf de verstrekte informatie had kunnen corrigeren Eiser heeft in de bezwaarfase geen gehoor gegeven aan de informatiebeschikking. De heffingsambtenaar heeft de normale zorgvuldigheid betracht. Geen sprake van herroeping wegens aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Eiser komt niet in aanmerking voor vergoeding van de proceskosten.
Uitspraak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 20/3276
(gemachtigde: [naam] ),
en
(gemachtigden: [naam] en [naam] .
Procesverloop
Bij beschikking van 29 februari 2020, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder op grond van o.a. de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het kalenderjaar 2020, vastgesteld op € 291.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het kalenderjaar 2020 bekend gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2020 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft deels via een (Skype)beeldverbinding plaatsgevonden op 12 augustus 2021. De zitting vond - na overleg met partijen - plaats op twee verschillende momenten in verband met een verbindingsprobleem. Eiser heeft zich digitaal laten vertegenwoordigen door [naam] , kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerders gemachtigden waren fysiek aanwezig op de rechtbank. Met partijen is afgesproken dat zij schriftelijk mogen reageren op het standpunt van de tegenpartij zoals weergegeven in het proces-verbaal van de zitting.
Op de zitting is het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te bieden het inlichtingenformulier over 2014 en het compromis toe te zenden en partijen te laten reageren op het proces-verbaal van de zitting.
Verweerder heeft bij brief van 13 augustus 2021 de stukken toegezonden en bij brief van 25 augustus 2021 inhoudelijk gereageerd op het proces-verbaal van de zitting.
Eiser heeft op 8 september 2021 schriftelijk gereageerd.
Verweerder heeft op 22 september 2021 nog een schriftelijke reactie ingediend.
De rechtbank heeft een nadere zitting niet nodig gevonden. Omdat geen van beide partijen desgevraagd aangaf daar anders over te denken, is het onderzoek op 3 november 2021 gesloten.
Overwegingen
Partijen hebben ten aanzien van de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2020 een compromis van € 271.000 gesloten, zo volgt uit de verklaringen van partijen en de overgelegde stukken. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de te vergoeden proceskosten. Partijen hebben de rechtbank daarom verzocht over dit geschilpunt uitspraak te doen.
Geschil en beoordeling
-
De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2020. De waarde van de woning is volgens partijen € 271.000. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken en sluit zich hierbij aan. Nu de WOZ-waarde op een andere hoogte wordt vastgesteld dan in de bestreden uitspraak, is het beroep gegrond voor zover dit de WOZ-waarde van de woning betreft. Dat is ook zo besproken op zitting met partijen. Het is in feit ook de enige optie om het geschil rond de proceskosten aan de bestuursrechter voor te leggen. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
-
Eiser heeft aangevoerd dat hij recht heeft op toekenning van een proceskostenvergoeding wegens de herroeping van het bestreden besluit in de fase van beroep.
-
Verweerder is van mening aan die toekenning door het verloop van de procedure niet kan worden toegekomen en licht dit onder andere als volgt toe.In 2014 is door eiser na aandringen van verweerder (weliswaar telefonisch) een reactie gegeven en informatie verstrekt ten aanzien van de kwaliteit en het onderhoud van de woning, maar is, naar nu is gebleken, door eiser onjuiste informatie verstrekt. Verweerder weet bijvoorbeeld inmiddels sinds 2 december 2020 dat de badkamer helemaal niet is vervangen in 2014. Dit in tegenstelling tot de afgegeven verklaring door eiser in 2014. Dit is ook in 2020 in de bezwaarfase niet aan het licht gekomen. Eerst in de beroepsfase werd dit duidelijk. Specifiek deze nieuwe informatie heeft tot het nu gesloten compromis over de waarde voor 2020 geleid.
-
Verweerder is van mening dat hij ruimschoots aan de op hem rustende inspanningsverplichtingen heeft voldaan, zowel in 2014 als in 2020, én dat verweerder in 2014 onjuiste informatie heeft ontvangen van eiser. Op basis daarvan zijn voor 2015 tot en met 2019 WOZ-waarden bepaald en vastgesteld zonder dat daartegen bezwaar is gemaakt door eiser. Bovendien is in 2020 eerst in de beroepsfase de reeds in de bezwaarfase (middels een informatiebeschikking en herinnering) opgevraagde informatie ontvangen van eiser.
-
De rechtbank stelt vast dat door verweerder is verklaard dat het taxatieverslag, altijd met de ontvangstbevestiging in de bezwaarfase wordt meegestuurd. Dit is niet door eiser weersproken. Op het taxatieverslag over het belastingjaar 2020 staat bij kwaliteit en onderhoud van de woning een 4 (goed) vermeld. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser erkend dat de bovengemiddelde staat van de woning niet door hem is gesignaleerd voor de hoorzitting. Dit komt volgens de gemachtigde in feite door de bedrijfsvoering van gemachtigde: ze komen er niet aan toe om binnen de zes weken termijn goed te kijken naar de stukken. De rechtbank is van oordeel dat dit voor rekening en risico van de gemachtigde en dus ook van eiser dient te blijven. Dat eiser op het inlichtingenformulier na de aankoop van de woning in 2014 weliswaar heeft aangekruist dat de woning goed tot uitstekend was, maar dat dit slechts een intentie was, had de heffingsambtenaar niet duidelijk hoeven zijn. Van druk -zoals eiser stelt te hebben ervaren- om maar iets aan gegevens te leveren, is de rechtbank niet gebleken.
-
Verweerder heeft een aantekening telefonisch contact en een afschrift van het ingevulde inlichtingenformulier woningen uit 2014 overgelegd. Er was toen sprake van een eigen aankoopcijfer. De volledige tekst analyse luidt:‘Kenmerken zijn gecontroleerd, ook geen bijzonderheden mbt de verkoop. Ik heb de belanghebbende zojuist telefonisch gesproken. Na aankoop nieuwe vloeren in diverse ruimten en volledig gesaust en een nieuwe badkamer. Daarom kw en oh op 4 gezet. Voor 2015, zeker gelet op eigen aankoopcijfer. PMA formulier wordt nog ingestuurd. Is overigens niet verkocht in verhuurde staat.’
-
De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat deze interne aantekening van de heer [naam] onzorgvuldig lijkt te zijn vastgelegd en dat het zijn interpretatie is van het telefoongesprek. De rechtbank is van oordeel dat eventuele onzorgvuldigheden ook naar aanleiding van het taxatieverslag in de bezwaarfase aan de orde gesteld hadden kunnen en moeten worden. De rechtbank merkt bovendien op dat dit ook in eerdere belastingjaren opgemerkt had kunnen worden.
-
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het woord ‘herroepen’ impliceert dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest. Indien de onjuistheid van het besluit te wijten is aan de belanghebbende, bijvoorbeeld omdat hij niet tijdig de juiste gegevens heeft verschaft, bestaat geen recht op vergoeding (Kamerstukken II 2000-2001, 27024, nr. 14, blz. 2).
-
Bij het nemen van beschikkingen in het kader van de Wet WOZ behoort de heffingsambtenaar de normale zorgvuldigheid te betrachten en de geautomatiseerd verzamelde gegevens van onroerende zaken in zijn gemeente te vergelijken met alle relevante informatie die hij tot zijn beschikking heeft. Deze onderzoeksplicht vloeit ook voort uit de eis van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten, die is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Indien de heffingsambtenaar de bedoelde normale zorgvuldigheid niet betracht en als gevolg daarvan een te hoge beschikking oplegt, is sprake van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
-
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder een redelijke inschatting heeft gemaakt op basis van het kwaliteit- en onderhoudsniveau, zoals dat bij hem bekend was. Die inschatting is gebaseerd op de informatie zoals eiser in 2014 heeft verstrekt. Verweerder kan in deze situatie niet verweten worden dat al bij het nemen van de beschikking de waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld, vanwege de beoordeling van kwaliteit en onderhoud goed (4) in plaats van de door eiser beoogde beoordeling van gemiddelde of zelfs ondergemiddelde kwaliteit en onderhoud.
-
Naar aanleiding van de gronden in bezwaar heeft verweerder getracht informatie bij (de gemachtigde van) eiser te vergaren. Eiser heeft daaraan in de bezwaarfase geen gehoor gegeven. Uit de informatiebeschikking volgt de verplichting dat eiser in de bewaarfase de gevraagde stukken moest overleggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hiervoor bedoelde normale zorgvuldigheid heeft betracht en hem niet kan worden gezegd dat de onderhavige WOZ-beschikking is herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Om deze reden komt eiser niet in aanmerking voor vergoeding van de proceskosten. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan niet tot een andere uitkomst leiden.