Rechtbank Oost-Brabant, 06-04-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1247, C/01/366917 / HA ZA 21-47
Rechtbank Oost-Brabant, 06-04-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1247, C/01/366917 / HA ZA 21-47
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 6 april 2022
- Datum publicatie
- 12 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1247
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2023:2819
- Zaaknummer
- C/01/366917 / HA ZA 21-47
Inhoudsindicatie
Het gaat in deze zaak om de vraag of Rabobank in de periode vanaf 18 maart 2015 tot en met 8 april 2015 op de door Rabobank ontvangen pinbetalingen verband houdende met de aan haar verpande winkelvoorraad met voorrang mag verhalen doordat zij haar vordering op Geddes Retail heeft verrekend met die bijschrijvingen. Volgens de curator staat artikel 54 Fw daaraan in de weg. Rabobank bepleit dat ze daar wel toe bevoegd was. De rechtbank verwerpt het betoog van Rabobank.
Uitspraak
vonnis
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/366917 / HA ZA 21-47
Vonnis van 6 april 2022
in de zaak van
ROBBERT GERARD ROEFFEN
woonplaats gekozen in ‘s-Hertogenbosch,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEDDES & GILMORE RETAIL B.V., gevestigd te 'sHertogenbosch,
eiser,
advocaat mr. M.J. Blommaert te Eindhoven,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. T.H.D. Struycken te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de curator en Rabobank genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 7 januari 2021 met 11 producties;
- -
-
de conclusie van antwoord met 3 producties;
- -
-
de conclusie van repliek tevens akte vermeerdering van eis (art. 130 Rv) met producties 12 t/m 17;
- -
-
de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Wat is de kern van het geschil?
Geddes & Gilmore Retail B.V. (hierna: Geddes Retail) werd op 14 april 2015 in staat van faillissement verklaard.
Geddes Retail had een positief saldo op een bankrekening bij haar financier Rabobank. Dat positieve saldo was afkomstig van pinbetalingen van klanten voor door hen van Geddes Retail gekochte kleding (voorraad) die aan Rabobank was verpand. Na het faillissement van Geddes Retail verrekende Rabobank dat saldo met haar vordering op Geddes Retail.
Dit geschil betreft de juridische vraag of financier Rabobank bevoegd was tot deze verrekening. Volgens de curator is die verrekening in strijd met artikel 54 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw). Volgens Rabobank moet een uitzondering op die bepaling worden gemaakt, omdat dat redelijk en doelmatig is.
3 De feiten
Rabobank (en/of haar rechtsvoorganger) had kredieten verleend aan Geddes Retail en andere vennootschappen van het concern waarvan Geddes Retail deel uitmaakte. Rabobank had in verband met die kredieten zekerheden verlangd, waaronder een pandrecht op voorraden en een pandrecht op de vorderingen van Geddes Retail op derden. In verband met het pandrecht op de vorderingen liet Rabobank dagelijks verzamelakten bij de Belastingdienst registreren, waarvoor zij door Geddes Retail was gemachtigd.
Geddes Retail hield zich bezig met de verkoop van kleding in haar winkels. Rabobank had een pandrecht op de kledingvoorraad van Geddes Retail, maar zij had Geddes Retail toestemming gegeven om de kleding aan haar klanten te verkopen mits de opbrengst op de bankrekening van Geddes Retail bij Rabobank werd gestort. De meeste klanten gebruikten pinbetalingen voor de aankoop van kleding uit de winkelvoorraad die Geddes Retail aan Rabobank had verpand. Die pinbetalingen werden bijgeschreven op een bankrekening van Geddes Retail bij Rabobank door middel van crediteringen, die Rabobank elke dag om 09:00 uur uitvoert (ook in het weekend).
Partijen hebben afgesproken dat er in deze procedure van kan worden uitgegaan dat Rabobank op 18 maart 2015 een faillissement van Geddes Retail kon verwachten en daarom vanaf die datum niet meer te goeder trouw was in de zin van artikel 54 lid 1 Fw (hierna ook: het peilmoment, nader uitgewerkt in dit vonnis onder “De beoordeling”).
Op 8 april 2015 zegde Rabobank de kredieten op die zij aan Geddes Retail en andere vennootschappen uit het concern had verleend.
In de periode van 18 maart 2015 tot en met 8 april 2015 werd totaal € 130.000, aan pinbetalingen van klanten op de bankrekening van Geddes Retail bij Rabobank gestort.
Op 9 april 2015 sloten Rabobank en Geddes Retail een overeenkomst tot afwijkende wijze van verkoop in de zin van artikel 3:251 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW, zie bijlage 8 curator). Die overeenkomst hield in dat de executie door Rabobank van haar pandrecht op de winkelvoorraad van Geddes Retail zou plaatsvinden door middel van verkoop van de winkelvoorraad door Geddes Retail in haar winkels, waarna de opbrengst op de bankrekening van Geddes Retail bij Rabobank zou worden gestort.
Op 13 april 2015 diende Geddes Retail haar eigen aangifte tot faillietverklaring in. Het faillissement werd op 14 april 2015 uitgesproken.
De bankrekening van Geddes Retail bij Rabobank had per 17 april 2015 een positief saldo van € 242.634,26. Dat positieve saldo was ontstaan door de pinbetalingen van de klanten voor de kleding die zij van Geddes Retail hadden gekocht en die aan Rabobank was verpand.
Bij brief van 17 april 2015 verzocht de curator aan Rabobank om het positieve saldo van alle bankrekeningen van Geddes Retail over te maken. Rabobank voldeed niet aan dat verzoek, maar deelde bij brief van 17 april 2015 mee dat zij het positieve saldo van € 242.634,26 verrekende met de vordering van € 6.846.327,82 die Rabobank op Geddes Retail had in verband met de kredietverstrekking aan het Geddes-concern (bijlage 10 curator).