Home

Rechtbank Oost-Brabant, 29-06-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2660, 369702 / HA ZA 21-256

Rechtbank Oost-Brabant, 29-06-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2660, 369702 / HA ZA 21-256

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29 juni 2022
Datum publicatie
5 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2022:2660
Zaaknummer
369702 / HA ZA 21-256

Inhoudsindicatie

Pandhouder verkoopt de vuistloos verpande zaken en de meeropbrengst aan de boedel voldaan. 57 lid 3 FW, afwikkeling vordering fiscus in verhouding pandhouder.

Uitspraak

vonnis

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/369702 / HA ZA 21-256

Vonnis van 29 juni 2022

in de zaak van

JAN EVERT STADIG, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gefailleerde] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.J.A.M. van Haandel te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te ' [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. N.T.M. Verhoeven te Oss.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 14 juli 2021;

-

de akte inbreng producties 4 en 5 van [gedaagde] ;

-

de akte inbreng producties 18 en 20 van de curator;

-

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 februari 2022.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft in maart 2012 machines en bedrijfsvoertuigen aan [gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ) verkocht.

2.2.

De vordering tot betaling van de koopsom door [gefailleerde] is daarbij omgezet in een geldlening (hierna: de geldlening). Tot zekerheid van terugbetaling daarvan heeft [gedaagde] een vuistloos pandrecht bedongen op de machines en bedrijfsvoertuigen.

2.3.

[gefailleerde] is op 13 november 2013 gefailleerd.

2.4.

Ten tijde van het faillissement had [gedaagde] uit hoofde van de geldlening een vordering van € 178.500,-- op [gefailleerde] .

2.5.

De curator heeft op 23 december 2013 een overeenkomst gesloten met [gedaagde] betreffende de koop van activa van [gefailleerde] door [gedaagde] . Het betrof voorraden, inventaris en goodwill. De inventaris omvat de aan [gedaagde] vuistloos verpande zaken. De overeengekomen koopsom bedroeg € 295.235,00.

2.6.

Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen (art. 2):

b. De koopprijs voor de in artikel 1 genoemde activa is als volgt opgesteld:

1. Voorraden: € 27.500,00

2. Inventaris (artikel 1 sub a t/m c) € 240.235,00

3. Goodwill € 27.500,00+

Totaal: € 295.235,00

[...]

1. Koper zal haar vordering van € 178.500,00 uit hoofde van geldlening middels ondertekening van de onderhavige overeenkomst verrekenen met de hierboven in de artikelen 2 a en b omschreven koopsom, zulks uit hoofde van haar aanspraken als pandhouder op de verkochte inventaris ten belope van dit bedrag. Koper is bekend met het feit dat de Belastingdienst ingevolge artikel 21 lid 2 Invorderingswet een hoger pandrecht heeft op de opbrengst van de inventaris dan de pandhouder, en de curator indien de fiscale schulden in het faillissement niet uit het vrij actief zouden kunnen worden voldaan in een later stadium namens de Belastingdienst mogelijk nog afdracht van koper zal moeten vragen uit hoofde van dit hogere pandrecht van de Belastingdienst, zulks tot maximaal ten belope van het door koper krachtens de onderhavige overeenkomst ontvangen gedeelte van de koopsom ad € 178.500,00, welke koopsom volledig betrekking heeft op bodemzaken.

2.7.

[gedaagde] heeft het restant van de koopsom (€ 116.735,--) door betaling aan de boedel voldaan.

2.8.

In het faillissement is door de Ontvanger een ingevolge art. 21 lid 1 Iw 1990 preferente vordering wegens loonheffing en omzetbelasting ingediend, die in totaal € 44.866,-- beloopt. Voor deze vordering geldt tevens het in art. 21 lid 2, tweede volzin, Iw 1990,-- beloopt. Voor deze vordering geldt tevens het in art. 21 lid 2, tweede volzin, geregelde bodemvoorrecht.

2.9.

In het faillissement resteert vanwege de omvang van de boedelschulden geen actief meer om de faillissementscrediteuren te voldoen.

2.10.

De curator heeft [gedaagde] op 8 januari 2019 verzocht om op de voet van artikel 57 lid 3 Fw en de koopovereenkomst een bedrag van € 46.441,-- aan de boedel te voldoen.

2.11.

[gedaagde] heeft dit geweigerd waarna de curator en de (toenmalige) advocaat van [gedaagde] hierover uitvoerig hebben gecorrespondeerd.

2.12.

De curator heeft de rechter-commissaris om machtiging verzocht onderhavige procedure te starten. De verzochte machtiging is bij beschikking van 15 november 2019 door de betrokken rechter-commissaris gegeven.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk volledig uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt:

 tot betaling van het bedrag van € 44.866,00 althans tot afgifte van de opbrengst van de verpande bodemzaken tot de hoogte van € 44.866,00 aan de curator;

 tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.223,66;

 tot betaling van de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis alsmede te vermeerderen met de nakosten van € 163,-- zonder betekening en verhoogd met € 85,-- in geval van betekening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing