Home

Rechtbank Oost-Brabant, 30-09-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4103, 20/3713

Rechtbank Oost-Brabant, 30-09-2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4103, 20/3713

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30 september 2022
Datum publicatie
18 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2022:4103
Zaaknummer
20/3713

Inhoudsindicatie

Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De redelijke termijn is weliswaar met meer dan zes maanden overschreden, maar uit de inhoud van een e-mailbericht van eiser aan de heffingsambtenaar blijkt dat van enige onzekerheid over een op eiser rustende belastingdruk geen sprake is geweest. Hij schrijft namelijk dat hij geen stress heeft ondervonden van de procedure. Dit brengt mee dat niet wordt verondersteld dat eiser hangende de procedure immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/3713

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ1-waarde van zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning).

1.2.

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde met de beschikking van 29 februari 2020 vastgesteld op € 546.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2019, geldend voor het kalenderjaar 2020. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2020 opgelegd.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 13 november 2020 (de bestreden uitspraak) de waarde van de woning gehandhaafd.

1.4.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadien de gronden van beroep aangevuld.

1.6.

De heffingsambtenaar heeft een aanvulling op het verweerschrift overgelegd. Eiser heeft een aanvulling op zijn beroep gegeven.

1.7.

De heffingsambtenaar heeft een brief ingezonden met als bijlage een e-mailbericht.

1.8.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als derde-partij aangemerkt.

1.9.

De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (via een digitale beeldverbinding) en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur [naam] .

Feiten en geschil

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Informatie over hoger beroep