Rechtbank Oost-Brabant, 28-04-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2032, 21/2591
Rechtbank Oost-Brabant, 28-04-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2032, 21/2591
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 28 april 2023
- Datum publicatie
- 16 mei 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2023:2032
- Zaaknummer
- 21/2591
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. Waardering woning. Bezwaar tegen aanslag niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Eiser erkent dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt en dat hij de aanslag via MijnOverheid heeft ontvangen, maar zegt niet regelmatig zijn daaraan gekoppelde berichtenbox te raadplegen. Ook had hij de aanslag niet later in het jaar verwacht en wil hij in de toekomst de aanslag niet meer via MijnOverheid ontvangen. Geen omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim was. Beroep ongegrond. Voor zover eiser ook in beroep komt tegen de beslissing van de heffingsambtenaar om de waarde niet ambtshalve te verminderen, is de rechtbank onbevoegd om van dat beroep kennis te nemen.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 21/2591
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch
(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ1-waarde van de woning [adres] in ’ [woonplaats] met de beschikking van 30 juni 2021 vastgesteld op € 443.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2020 en voor het kalenderjaar 2021. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 17 september 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser dat betrekking heeft op het kalenderjaar 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning gehandhaafd op € 443.000.
Eiser heeft beroep ingesteld en een aanvullend beroepschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de zaak aangehouden om die met drie andere beroepen van eiser (SHE 21/800, SHE 21/1381 en SHE 21/1382) op dezelfde zitting te kunnen behandelen.
Eiser heeft in de periode na ontvangst van het verweerschrift tot en met 23 maart 2023 een viertal aanvullende beroepschriften ingediend.
De rechtbank heeft het beroep (samen met de beroepen tegen de kalenderjaren 2018, 2019 en 2020) op 5 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de adviseur van eiser [naam] , gemachtigde van de heffingsambtenaar en namens de heffingsambtenaar taxateur ing. P.H.R.J. Roijmans.