Rechtbank Oost-Brabant, 12-06-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2900, 393208 FT RK 23/264
Rechtbank Oost-Brabant, 12-06-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2900, 393208 FT RK 23/264
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 12 juni 2023
- Datum publicatie
- 14 juni 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2023:2900
- Zaaknummer
- 393208 FT RK 23/264
Inhoudsindicatie
WHOA; verzoek afkoelingsperiode ex art. 376 Fw; maatstaf en weging van feiten en omstandigheden; liquiditeitsprognose; (onderhands) akkoord al enige tijd in voorbereiding; voldoende aannemelijk dat plan, indien succesvol uitgevoerd, leidt tot beter resultaat voor de schuldeisers dan een faillissement.
Uitspraak
Team toezicht – Insolventies - meervoudige kamer
rekestnummer: 393208 FT RK 23/264
uitspraakdatum: 12 juni 2023
Beschikking op het ingekomen verzoek ex artikel 376 Fw van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] B.V.,
statutair gevestigd te gemeente [plaats] ,
kantoorhoudende te [plaats] aan de [adres] ,
hierna: verzoekster,
advocaat: mr. M.J.W. van Ingen.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 23 mei 2023 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd.
Bij verzoek van 23 mei 2023 heeft verzoekster verzocht een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw te gelasten voor een periode van vier maanden.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
Op 2 juni 2023 is het verzoek aangevuld met de gedeponeerde jaarrekening 2019, de enkelvoudige cijfers over 2020, 2021 en 2022 (concept) en een liquiditeitsbegroting over de maanden mei tot en met september 2023.
Op 2 juni 2023 heeft mr. A.E.M. Bierens, advocaat te Veghel, namens [B] B.V. (hierna: [B] ) een zienswijze ingediend, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld.
Het verzoek is op 7 juni 2023 via een digitale beeldverbinding in raadkamer behandeld in aanwezigheid van verzoekster, vertegenwoordigd door de heer [X] en bijgestaan door mr. M.J.W. van Ingen.
Ter zitting is het verzoek nader toegelicht en zijn vragen van de rechtbank beantwoord.
2 Het standpunt van verzoekster
Ter onderbouwing van het verzoek heeft verzoekster – verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
Verzoekster exploiteert een aannemingsbedrijf en is met name werkzaam op het gebied van grond- weg- en waterbouw. Zij werkt veelal via aanbestedingen van (semi-)overheden aan multidisciplinaire projecten op het gebied van bouw en infra. Verzoekster verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schuldeisers niet zal kunnen voortgaan. De financiële problemen zijn in belangrijke mate veroorzaakt doordat een opdrachtgever, ondanks diverse gevoerde procedures, diens verplichtingen uit hoofde van een omvangrijk project niet nakomt. Daarmee is een verlies gemoeid van ongeveer € 4.700.000,--.Daarnaast zijn de financiële problemen ontstaan door Covid en de verkramping in bouwprojecten.
In 2019 is de toenmalige boekhouder van verzoekster vertrokken. Na zijn vertrek bleek dat de administratie niet op orde was en dat calculaties verkeerd waren uitgevoerd. Dit heeft ertoe geleid dat de accountant een onthoudende verklaring heeft afgegeven. Na 2019 zijn enkele interim boekhouders aangetrokken maar die waren [A] niet waardig, aldus verzoekster ter zitting en konden de problemen niet oplossen. Sinds één jaar is een CFO die in het verleden jarenlang voor verzoekster heeft gewerkt, weer in dienst genomen. Hij is nu ruim een jaar doende om de onvolkomenheden uit het verleden te herstellen. De fiscus heeft inmiddels controles uitgevoerd en heeft aangegeven tevreden te zijn met de terugkeer van de oud CFO en geen reden te zien om aan de betrouwbaarheid van de cijfers over 2022 en 2023 te twijfelen.
Verzoekster is al langere tijd bezig met de voorbereiding van een onderhands akkoord. In dat kader hebben er gesprekken plaatsgevonden met crediteuren. De bancaire financier heeft al ingestemd met de voorgestelde sanering en is bereid op het verleende krediet van € 1.500.000,-- een discount te geven van € 1.000.000,--. De Belastingdienst heeft een vordering van € 3.800.000,--en heeft een positieve grondhouding ten opzichte van een akkoord. Er worden gesprekken gevoerd om te komen tot nadere afspraken waarbij het de verwachting is dat aan de Belastingdienst een aanbod van 30% zal worden gedaan. Aan handelscrediteuren staat in totaal een bedrag van € 2.755.083,29 open. Aan hen wordt gestaffeld gemiddeld 25% aangeboden. De meeste handelscrediteuren stemmen in met het aanbod. Enkele crediteuren hebben nadere informatie gevraagd en met een tweetal crediteuren vinden nog gesprekken plaats. Er is één crediteur, zijnde [B] , die het faillissement van verzoekster heeft aangevraagd. De behandeling van het faillissementsverzoek heeft plaatsgevonden op 23 mei 2023, waarbij de zaak vier weken is aangehouden. Ook met [B] wordt nog nader overleg gevoerd. Tenslotte zullen de intercompany vordering worden gesaldeerd en gekweten. Met het aan te bieden akkoord zal naar verwachting een bedrag van € 2.500.000,-- gemoeid zijn. Twee externe partijen zijn bereid tot financiering van het akkoord.
De afkondiging van een afkoelingsperiode is volgens verzoekster noodzakelijk om de onderneming tijdens het akkoordtraject voort te kunnen blijven zetten. De belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden hiermee dan ook gediend. Een eventueel faillissement zal ertoe leiden dat de onderneming en de lopende projecten gestaakt worden. Alle activa zijn verpand of vallen onder het bodemvoorrecht van de Belastingdienst. Er is sprake van een aanzienlijke debiteurenportefeuille. Echter, uit een rapport van Ceres Legal volgt dat de inbaarheid van de openstaande vorderingen in geval van faillissement nagenoeg nihil is omdat sprake is van lopende projecten in de bouw. In geval van faillissement zullen zowel de bancaire financier als de Belastingdienst minder krijgen terwijl de concurrente schuldeisers vermoedelijk niets ontvangen..
Verzoekster heeft een liquiditeitsprognose overgelegd over de periode april tot en met september 2023. Er is op dit moment (nog) geen reorganisatiewaarde vastgesteld. Dat heeft te maken met het feit dat het aanvankelijk de bedoeling was om buiten de WHOA om een onderhands akkoord met de schuldeisers tot stand te brengen. Doordat [B] het faillissement heeft aangevraagd, is verzoekster genoodzaakt geweest om in het kader van de WHOA een afkoelingsperiode te vragen.
Tenslotte heeft verzoekster gesteld dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat [B] niet wezenlijk in haar belangen zal worden geschaad nu reeds een bedrag van € 12.303,- overgemaakt is op de derdengeldenrekening van de advocaat van [B] . Voornoemd bedrag betreft het bedrag dat bij het slagen van het crediteurenakkoord aan [B] zou worden uitbetaald.
3 Het standpunt van [B]
stelt dat verzoekster niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek, althans dat het verzoek dient te worden afgewezen. Daartoe heeft zij - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
[B] is een [type bedrijf] dat zich bezighoudt met het aanleggen,
onderhouden en verduurzamen van (openbare) buitenruimten. Dat doet [B] in
opdracht van overheden, bedrijven en instellingen. [B] heeft in juli 2022 werkzaamheden verricht in opdracht van verzoekster, waarvoor [B] verzoekster heeft gefactureerd voor een bedrag van € 40.812,- in hoofdsom. Doordat betaling van de facturen is uitgebleven, is er een faillissementsaanvraag aanhangig gemaakt.
[B] stelt dat verzoekster niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek, omdat er niet reeds een akkoord in de zin van artikel 370 lid 1 Fw is aangeboden en er ook niet is toegezegd dat een akkoord binnen twee maanden zal worden aangeboden. Het voorstel dat gedaan werd - namelijk om 25% van de hoofdsom te betalen zonder dit verder op enige manier te onderbouwen - voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen, waaronder de eisen van artikel 375 Fw. Zo is er bijvoorbeeld geen enkel inzicht gegeven in de vooruitzichten voor de crediteuren bij vereffening in faillissement. Tevens is op geen enkele wijze onderbouwd waarom een betaling van 25% van de vordering het maximaal haalbare zou zijn en wordt er in het voorstel geen rekening gehouden met de rente en incassokosten die inmiddels verschuldigd zijn geworden.
Daarnaast is gesteld noch gebleken is dat de crediteuren van verzoekster beter af zijn met een afkoelingsperiode dan met een faillissement. Het enkele feit dat er met het faillissement kosten zijn gemoeid, is onvoldoende om aan te nemen dat met een afwikkeling buiten faillissement een beter resultaat kan worden behaald dan met een afwikkeling in faillissement.
Voorts is gesteld noch gebleken dat verzoekster tijdens de afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen kan blijven voldoen. [B] vreest dan ook dat de schuldenlast alleen maar verder zal oplopen ten nadele van de crediteuren, waaronder zij zelf.
Verzoekster heeft niet voldaan aan de publicatieplicht. De laatste jaarrekening die verzoekster heeft gepubliceerd, is de jaarrekening over 2019 en die is te laat gedeponeerd. [B] heeft er belang bij dat er zo spoedig mogelijk een curator wordt aangesteld die een rechtmatigheidsonderzoek verricht en zo nodig maatregelen treft jegens de (indirect) bestuurder van verzoekster.