Home

Rechtbank Oost-Brabant, 24-07-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3735, 22/1752 en 22/1753

Rechtbank Oost-Brabant, 24-07-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3735, 22/1752 en 22/1753

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2023
Datum publicatie
26 november 2024
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2023:3735
Zaaknummer
22/1752 en 22/1753

Inhoudsindicatie

De heffingsambtenaar vindt dat naast eiseres ook een groot aantal andere partijen verplicht is om in de jaren 2016 en 2018 toeristenbelasting te betalen voor verblijf met overnachtingen door arbeidsmigranten op een vakantiepark in de gemeente Asten. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar in strijd met de toepasselijke verordeningen geen keuze heeft gemaakt wie belastingplichtig is en hiernaar onvoldoende onderzoek heeft gedaan. De rechtbank oordeelt daarom dat de heffingsambtenaar dit onderzoek opnieuw moet doen en vervolgens moet beslissen welke partij volgens hem de toeristenbelasting moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 22/1752 en SHE 22/1753

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Peeters),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (tot 1 januari 2018 de heffingsambtenaar van de gemeente Asten), de heffingsambtenaar

(gemachtigde: S. Ploegmakers.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen twee uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 juli 2022 waarbij aan haar opgelegde aanslagen toeristenbelasting zijn gehandhaafd over de belastingjaren 2016 en 2018 in verband met overnachtingen op vakantiepark [naam] . Daaraan zijn de volgende procedurele stappen voorafgegaan.

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan eiseres op 19 december 2021 en 31 december 2021 voor de belastingjaren 2016 en 2018 afzonderlijke navorderingsaanslagen toeristenbelasting (aanslagnummers [aanslagnummer] en [aanslagnummer] ) opgelegd tot een bedrag van € 107.884,40 respectievelijk € 143.753,40.

1.2.

Met de afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 2 juli 2022 zijn de bezwaren tegen de hiervoor genoemde aanslagen ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag voor het belastingjaar 2016 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 22/1752, en dat met betrekking tot de aanslag voor het belastingjaar 2018 onder zaaknummer SHE 22/1753.

1.4.

Bij brief van 18 april 2023 heeft de rechtbank partijen er op gewezen dat deze zaken gerelateerd zijn aan de beroepszaken onder nummer SHE 21/2926 en SHE 21/2927, die zij op 15 november 2022 op zitting heeft behandeld en die hebben geleid tot de uitspraak van 7 februari 2023 van de meervoudige kamer van de rechtbank. In die brief heeft de rechtbank de heffingsambtenaar verzocht een verweerschrift uit te brengen in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van 7 februari 2023 en eiseres verzocht om na ontvangst van dat verweerschrift te reageren. Daarbij heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevraagd of partijen het noodzakelijk vinden dat een behandeling op zitting zal plaatsvinden.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met één verweerschrift voor beide zaken. De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat een behandeling op zitting voor hem niet nodig is.

1.6.

Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd en heeft aan de rechtbank verzocht uitspraak te doen zonder zitting.

1.7.

De rechtbank heeft daarna bepaald dat er geen zitting zal plaatsvinden. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

[bedrijf 1] is de eigenaar van het vakantiepark [naam] , gelegen te [vestigingsplaats] , gemeente Asten. Deze vennootschap maakt deel uit van [bedrijf 2] en houdt zich volgens het uittreksel uit het handelsregister (onder meer) bezig met het beheer van kampeerterreinen en verhuur van vakantiehuisjes en appartementen. [bedrijf 3] maakt ook onderdeel uit van [bedrijf 2] en houdt zich volgens het uittreksel uit het handelsregister bezig met verhuur van woonruimte. [bedrijf 3] verstuurt onder andere facturen voor de verhuur van accommodaties aan uitzendbureaus, huisvestingsondernemingen en werkgevers van arbeidsmigranten voor het huisvesten van arbeidsmigranten of ander personeel. Eiseres houdt zich volgens het uittreksel uit het handelsregister als uitzendbureau bezig met (onder meer) het selecteren en werven van personeel.

2.2.

Op het terrein van het park bevinden zich accommodaties die geheel gemeubileerd en voorzien van nutsvoorzieningen worden verhuurd. De accommodaties betreffen stacaravans, chalets of andere eenvoudige woningen die worden gehuurd. Eiseres heeft langere tijd meerdere accommodaties gehuurd voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Voor overnachtingen van arbeidsmigranten (in deze accommodaties) is eiseres aangeslagen voor toeristenbelasting over de belastingjaren 2016 en 2018. Voor deze overnachtingen heeft de heffingsambtenaar over diezelfde jaren telkens ook [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aangeslagen voor de toeristenbelasting. Over de aan eiseres opgelegde aanslagen, die zijn gehandhaafd bij de genoemde uitspraken op bezwaar, gaat deze uitspraak.

2.3.

De rechtbank heeft in de zaken SHE 21/2926 en SHE 21/2927, die betrekking hadden op de belastingjaren 2015 en 2017, op 15 februari 2022 op een comparitiezitting met eiseres, de heffingsambtenaar en een aantal andere partijen die aanslagen toeristenbelasting zijn opgelegd in verband met belastbare overnachtingen op vakantiepark [naam] voor een aantal belastingjaren (voor)besproken. Op die zitting is de verdere behandeling van alle bij de rechtbank aanhangige beroepen besproken, die aanslagen toeristenbelasting in verband met overnachtingen op vakantiepark [naam] betroffen. Het proces-verbaal van die zitting is aan de daarbij betrokken partijen in die zaken toegezonden.

2.4.

De rechtbank heeft met een brief van 12 oktober 2022 in de beroepszaken met nummers SHE 21/2926 en SHE 21/2927 aan eiseres en de heffingsambtenaar laten weten dat de rechtbank op een nog te plannen zitting drie (verderop in deze uitspraak te noemen) onderwerpen aan de orde zal stellen. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor de zitting van 15 november 2022.

2.5.

De rechtbank heeft de zaken SHE 21/2926 en SHE 21/2927 behandeld op zitting van 15 november 2022. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft op 7 februari 2023 uitspraak gedaan1.

2.6.

Partijen hebben op 14 mei 2023 en op 5 juni 2023 verzocht om een inhoudelijke beoordeling van de nu aanhangige beroepen op een wijze die vergelijkbaar is met de hiervoor genoemde uitspraak van 7 februari 2023.

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep