Home

Rechtbank Oost-Brabant, 09-02-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:542, 21/321 en 22/3121

Rechtbank Oost-Brabant, 09-02-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:542, 21/321 en 22/3121

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
9 februari 2023
Datum publicatie
1 maart 2023
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2023:542
Zaaknummer
21/321 en 22/3121

Inhoudsindicatie

WOZ. Hotel in Rosmalen. De heffingsambtenaar maakt met de gecorrigeerde aankoopprijs én de huurwaardekapitalisatiemethode voor de belastingjaren 2019 en 2020, en een controleberekening op grond van de Taxatiewijzer Hotels voor het belastingjaar 2020, de WOZ-waarden van het hotel aannemelijk. Beroep ongegrond. Toekenning van verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met vermelding van relevante jurisprudentie van de HR

Uitspraak

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 21/321 en SHE 22/3121

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),

en

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

en

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ1-waarden van een hotel in Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch voor de kalenderjaren 2019 en 2020.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft deze WOZ-waarden met de afzonderlijke beschikkingen van 29 februari 2020 voor [adres] te [plaats] vastgesteld op € 4.648.000 voor kalenderjaar 2019 en op € 4.694.000 voor kalenderjaar 2020. De waarden zijn vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2018 respectievelijk 1 januari 2019. De WOZ-beschikkingen zijn opgenomen in afzonderlijke aanslagbiljetten van dezelfde datum. In deze aanslagbiljetten heeft de heffingsambtenaar voor de kalenderjaren 2019 en 2020 ook de aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) gebruiker opgelegd.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft met de in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar van 18 december 2020 (de bestreden uitspraak) de waarden voor beide kalenderjaren en de daarop gebaseerde aanslagen OZB gehandhaafd.

1.4.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Het beroep met betrekking het hotel voor kalenderjaar 2019 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 21/321, en dat met betrekking tot kalenderjaar 2020 onder zaaknummer SHE 22/3121.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.6.

De rechtbank heeft partijen op 22 december 2020 met een aangetekende brief uitgenodigd voor de te houden zitting op 27 januari 2023 in deze zaken.

1.7.

Zowel eiseres als de heffingsambtenaar hebben nadere stukken ingebracht.

1.8.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door zijn taxateur P.H.R.J. Roijmans.

2.1.

Eiseres is gebruikster van de onroerende zaak. Het eigendom van de onroerende zaak berustte tot 1 oktober 2015 bij [naam] BV. Op 1 oktober 2015 heeft de laatstgenoemde BV de onroerende zaak verkocht aan [naam] BV. Eiseres huurt het object van de eigenaar.

2.2.

Het bedrijfsobject betreft een hotel uit 1987 met onder meer twee vergaderruimtes, een zaal (horecaruimte), hotelkamers, een restaurant, twee dagkeukens/pantry’s, drie opslag-/magazijnruimtes, twee sanitaire ruimtes, kantoorruimte, een balie/receptie, een technische installatieruimte en een fitnessruimte. Tot het object behoort een terras en een perceel grond.

Vooraf 3.De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op zitting verzocht om afzonderlijke uitspraken te doen over de belastingjaren 2019 en 2020. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Bij het instellen van het beroep is de gemachtigde van eiseres opgekomen tegen de uitspraken op bezwaar van 18 december 2020 die zijn verenigd in één geschrift. Deze uitspraken op bezwaar hadden betrekking op de WOZ-waarden van het hotel voor de belastingjaren 2019 en 2020. De griffie van de rechtbank heeft, zoals gebruikelijk is op grond van de registratievoorschriften van het door de rechtbank gebruikte administratiesysteem Berber, per afzonderlijk belastingjaar een zaaknummer aangelegd. Bij brief van 16 december 2022 heeft de griffie van de rechtbank de gemachtigde van eiseres daarom laten weten dat het beroep met betrekking tot belastingjaar 2019 bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 21/321 en dat voor belastingjaar 2020 onder zaaknummer SHE 22/3121. Ook is meegedeeld dat slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd en dat verder voor beide zaaknummers zal worden gecorrespondeerd in het dossier met zaaknummer SHE 21/321, en dat dit dossier als hoofddossier zal worden gebruikt door de rechtbank. Uit de gedingstukken blijkt dat de gemachtigde van eiseres gelijkluidende gronden heeft aangevoerd ten aanzien van de waarden voor beide belastingjaren. Bij de behandeling van beide zaken op zitting is niet gebleken dat er specifieke beroepsgronden zijn die aanleiding geven dat de rechtbank afzonderlijk uitspraken doet per belastingjaar. De enkele opmerking van de gemachtigde op zitting dat eiseres van hem afzonderlijke uitspraken verlangt is niet gestaafd met verklaringen van vertegenwoordigers van eiseres die dat verduidelijken en is ook onvoldoende daarvoor. De rechtbank wijst het verzoek af.

Conclusie en gevolgen

17.1.

Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk in haar mening dat de WOZ-waarden voor de belastingjaren 2019 en 2020 lager moeten zijn. Wel wordt het verzoek van eiseres om immateriële schadevergoeding toegewezen.

17.2.

De rechtbank ziet in de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wel reden te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

17.3.

De rechtbank ziet aanleiding een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van eiseres. Die kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 83719 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). Ten aanzien van de wegingsfactor ziet de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad20, in de omstandigheid dat de proceskostenveroordeling enkel wordt uitgesproken omdat aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn, aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,5 (licht). Er bestaat geen recht op vergoeding van de proceskosten voor de bezwaarfase.

17.4.

Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het bestuursorgaan als aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten deels moeten plaatsvinden door het bestuursorgaan en deels door de Staat, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt21. De heffingsambtenaar en de Staat worden ieder veroordeeld in de helft van het griffierecht (€ 354 : 2 = € 177) en in de helft van de proceskosten (€ 837 : 2 = € 418,50).

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 272,72;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 727,28;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht tot een bedrag van € 177 moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) het griffierecht tot een bedrag van € 177 moet vergoeden;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiseres.

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 9 februari 2023.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep