Home

Rechtbank Oost-Brabant, 10-07-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6056, 393967 FT RK 23/311

Rechtbank Oost-Brabant, 10-07-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6056, 393967 FT RK 23/311

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10 juli 2023
Datum publicatie
28 december 2023
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2023:6056
Zaaknummer
393967 FT RK 23/311

Inhoudsindicatie

WHOA; verzoek ex artikel 371 Fw (aanwijzing herstructureringsdeskundige); eerder verzoek om afkoelingsperiode afgewezen; geen misbruik van recht; afwijzing verzoek.

Uitspraak

Team toezicht – Insolventies – meervoudige kamer

Rekestnummer: 393662 FT RK 23/311

Uitspraakdatum: 10 juli 2023

Beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 371 Faillissementswet (Fw) van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] ,

statutair gevestigd te gemeente [plaats] ,

kantoorhoudende te [plaats] , aan de [adres] ,

hierna: [verzoekster] ,

advocaten: mrs. W.J.B. Berendsen en J.M.M. Roefs.

Belanghebbenden:

1. de stichting

[belanghebbende 1] ,

statutair gevestigd te [plaats] ,

2. de heer [belanghebbende 2],

3. de heer [belanghebbende 3],

hierna te noemen: [belanghebbenden] ,

advocaat: mr. R.M. Vermaire

1 1.De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft op 6 juni 2023 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd.

1.2.

Bij verzoekschrift met vijf bijlagen van 16 juni 2023 heeft [verzoekster] verzocht om aanwijzing van mr. M. van Ingen, gevestigd in ’s Hertogenbosch aan de Hugo de Grootlaan 33, als herstructureringsdeskundige (hierna: HSD) in de door [verzoekster] geïnitieerde procedure als bedoeld in titel IV tweede afdelingvan de Faillissementswet.

1.3.

Bij brief van 21 juni 2023 heeft [verzoekster] als bijlage 6 een offerte herstructureringsdeskundige van mr. drs. F.P.G. Dix, advocaat te Best, in het geding gebracht.

1.4.

Bij email van 23 juni 2023 heeft [verzoekster] bijlage 7 met toelichting in het geding gebracht.

1.5.

Op 23 juni 2023 is per email de zienswijze van [belanghebbenden] ontvangen.

1.6.

Het verzoek is op 26 juni 2023 via een digitale beeldverbinding in raadkamer behandeld. Daarbij zijn verschenen:

-

de heer. [A] , middellijk bestuurder van [verzoekster] ;

-

mevrouw [A] ;

-

de heer [B] , middellijk bestuurder van [verzoekster] ;

-

mr. W.J.B. Berendsen, voornoemd;

-

mr. J.M.M. Roefs, voornoemd;

-

mr. L.J.W. Godding, kantoorgenoot van mrs. Berendsen en Roefs;

-

mr. R.M. Vermaire, voornoemd;

-

de heer. [C] , in dienst van [X] B.V. (waarvan de heer [belanghebbende 2] bestuurder is).

2 Het standpunt van [verzoekster]

2.1.

heeft een verzoek gedaan tot het aanwijzen van een HSD en stelt dat, nu twee faillissementsrekesten aanhangig zijn, de rechtbank bij toewijzing van het verzoek benoeming HSD op grond van artikel 3d Fw tevens een afkoelingsperiode moet afkondigen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft [verzoekster] het volgende aangevoerd.

2.2.

[verzoekster] heeft verwezen naar het eerder door haar ingediende verzoek afkoelingsperiode, welk verzoek zij als bijlage 1 bij het onderhavige verzoek heeft gevoegd en waarin het volgende wordt gesteld. [verzoekster] maakt onderdeel uit van het [naam] -concern. Dit concern bestaat uit een topholding genaamd [naam] B.V. (hierna: [topholding] ) met daaronder 6 subholdings, te weten [naam] B.V. (hierna: [subholding 1] ), [naam] B.V. (hierna: [subholding 2] ), [verzoekster] , [subholding 4] B.V., [subholding 5] B.V. en [subholding 6] B.V.. Onder iedere subholding hangt een “staak” van werkmaatschappijen waarvan de aandelen door de respectieve subholdings gehouden worden. Het bestuur van [verzoekster] wordt gevormd door [Y] B.V. en [Z] B.V., waarvan de heer [A] respectievelijk de heer [B] (middellijk) bestuurder zijn.

2.3.

[verzoekster] drijft een onderneming die zich bezighoudt met het ontwikkelen en beheren van vastgoed. [verzoekster] wordt gefinancierd door met name particuliere investeerders. De aangetrokken gelden zijn doorgeleend aan [topholding] en aan werkmaatschappijen al dan niet van andere staken binnen het [naam] concern hetgeen tot aanzienlijke intercompany vorderingen heeft geleid. De gelden zijn geïnvesteerd in diverse vastgoedontwikkelingen. De vastgoedprojecten zijn ondergebracht in de werkmaatschappijen in de staak van [verzoekster] en de die van de staak van [subholding 1] . De projectontwikkeling vindt plaats vanuit de vennootschappen die zijn ondergebracht in de staak [subholding 2] . Er is geen personeel actief in [verzoekster] .

2.4.

De vastgoedprojecten zijn gefinancierd middels geldleningen van particuliere investeerders aan [verzoekster] . De schuldenlast aan deze particuliere investeerders ziet er per 19 mei 2023 als volgt uit:

Converteerbare leningen € 12 mln

Ongesecureerde leningen € 71 mln Leningen met hypotheekrecht € 32 mln Obligatieleningen € 10 mln

Totaal leningen € 125 mln

2.5.

Door de stijgende rente, stijgende bouwkosten, hoge inflatie, maximering van de huurprijzen en de stikstofcrisis is [verzoekster] in financieel zwaar weer terecht gekomen. De vastgoedprojecten die [verzoekster] en [subholding 1] (althans de staken waarvan zij de topholding zijn) in ontwikkeling hebben alsmede de verkoop van de vastgoedprojecten is daardoor stilgevallen. De inkomsten zijn onvoldoende om de huidige en toekomstige schulden te voldoen. [verzoekster] verkeert in de toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden, te weten aflossings- en renteverplichtingen, niet zal kunnen voortgaan. Uit de overgelegde liquiditeitsprognose die betrekking heeft op het gehele concern blijkt dat zonder additionele financiering het gehele concern komt te verkeren in een situatie van te hebben opgehouden te betalen. Men heeft in de prognose geen rekening gehouden met rentebetalings- en aflossingsverplichtingen op de aan [verzoekster] verstrekte leningen, aangezien deze in de voorgenomen herstructurering worden meegenomen.

2.6.

[verzoekster] is voornemens om haar schuldenlast te saneren door middel van het aanbieden van een onderhands akkoord. [verzoekster] kan worden voortgezet als de huidige aflossings- en renteverplichtingen jegens gesecureerde schuldeisers in onderling overleg worden teruggebracht, waarbij op langere termijn gezocht wordt naar herfinanciering van de gesecureerde vorderingen. De schulden aan de ongesecureerde schuldeisers worden omgezet in (certificaten van) aandelen middels een debt-for-equity swap. Ongesecureerde schuldeisers ontvangen (certificaten van) aandelen in [topholding] in ruil voor het afstand doen van hun vorderingsrechten. Een derde is bereid gevonden om de lopende kosten van [verzoekster] te voldoen gedurende de voorbereiding van het akkoord. [verzoekster] zegt toe om binnen twee maanden een akkoord aan te bieden.

2.7.

De afkondiging van een afkoelingsperiode is noodzakelijk omdat daarmee de behandeling van de aanhangige verzoeken tot faillietverklaring worden geschorst. De belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden met het afkondigen van de afkoelingsperiode gediend omdat [verzoekster] anders niet in staat zal zijn om het onder 2.6. genoemde akkoord aan te bieden. Alle klassen van schuldeisers zullen bij een onderhands akkoord niet in een slechtere financiële positie verkeren dan in geval van faillissement. De herstructureringswaarde wordt op dit moment door een advieskantoor in beeld gebracht. In het geval van faillissement zullen de schuldeisers een veel lager percentage ontvangen, gelet op de aanzienlijk lagere liquidatiewaarde en de te verwachten uitkeringspercentages. De afkoelingsperiode is noodzakelijk om op een goede en ordentelijke wijze het onderhands akkoord aan te kunnen bieden.

2.8.

In aanvulling op het vorenstaande heeft [verzoekster] het volgende gesteld. Het is belangrijk dat een herstructureringsdeskundige wordt benoemd, opdat er een derde is die toezicht houdt. [verzoekster] is een besloten vennootschap die een onderneming drijft waarmee zij beoogt winst te behalen. De activiteiten van de onderneming zijn in haar statuten als volgt beschreven:

Doel

De vennootschap heeft ten doel:

a. het beleggen in, het verwerven van, het administreren van en het beheren en exploiteren van effecten, (hypothecaire) vorderingen, registergoederen en andere vermogensbestanddelen, voorts het deelnemen in, het voeren van bestuur over, het financieren en mede-financieren van andere ondernemingen en vennootschappen, van welke aard ook;

b. het aangaan en uitvoeren van lijfrenteovereenkomsten, alsmede het uitvoeren van pensioenregelingen in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, zulks buiten de werkingssfeer van de Wet op het financieel toezicht;

c. het verstrekken van geldleningen, het zich als hoofdelijk medeschuldenares verbinden voor de schulden van derden, het verbinden van de vennootschap als borg en/of haar op enige wijze doen garant staan voor schulden of persoonlijke verplichtingen van derden, alsmede het vestigen van zekerheidsrechten op goederen van de vennootschap voor gelijke schulden of verplichtingen van derden;

d. het verrichten van al datgene wat met het voorgaande verband houdt of daaruit zou kunnen voortvloeien.

2.9.

[verzoekster] stelt dat zij dit doel heeft verwezenlijkt door gelden aan te trekken en deze gelden weer uit te lenen aan de andere vennootschappen van het [naam] en in die vennootschappen deel te nemen. Het is de bedoeling dat de ontwikkelvennootschappen winst maken door de ontwikkeling en verkoop van vastgoedprojecten. Het ontwikkelen van vastgoedprojecten door [verzoekster] is dus niet een doel op zich. De instandhouding van de voornoemde vennootschappelijke doelen is dat wel. Door een faillissement zal er een einde komen aan de door [verzoekster] gedreven onderneming waardoor het vennootschappelijk doel niet meer gerealiseerd kan worden. Vooropgesteld, in artikel 371 Fw wordt niet de eis gesteld dat sprake is van een onderneming, maar voor zover van belang: in – en uitlenen van geld is ook een activiteit. [verzoekster] houdt zich in de praktijk ook nog bezig met het beheren en managen van financieringsactiviteiten en geldleningen. Het bestuur van [verzoekster] is bezig om de lopende leningen te herfinancieren. Dat zijn de activiteiten waar het bestuur van [verzoekster] zich nu mee bezig houdt.

2.10.

[verzoekster] verkeert in de toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan omdat zij de op haar rustende aflossingen- en renteverplichtingen niet kan voldoen. Daartoe wordt verwezen naar de als bijlage 7 overgelegde liquiditeitsprognose van [verzoekster] . De aflossings- en renteverplichtingen worden in het WHOA akkoord opgerold en aldus in het akkoord betrokken en worden in principe niet voldaan.

2.11.

Uit de liquiditeitsprognose blijkt wat de omvang is van de lopende kosten. Deze kosten worden voldaan door [topholding] . [topholding] is de moedervennootschap van [verzoekster] en staat garant voor de lopende verplichtingen van [verzoekster] gedurende het WHOA akkoord. De kosten van de HSD zijn niet in de liquiditeitsbegroting opgenomen omdat niet duidelijk is of de rechtbank het verzoek tot benoeming van een HSD toe- of afwijst of misschien zelfs twee herstructureringsdeskundigen benoemt. Het is nog niet duidelijk onder welke noemer [topholding] de dekking beschikbaar stelt: dat kan zijn door aflossing op de schuld van [topholding] aan [verzoekster] , door een schenking van [topholding] of door een agiostorting. Onderzocht wordt wat de fiscale gevolgen van de ene of andere oplossing zijn. In ieder geval zullen de schuldeisers door de gekozen oplossing niet benadeeld worden. De lopende renteverplichtingen zijn geen lopende verplichtingen, althans deze renteverplichtingen zullen “opgerold” worden in het akkoord en omgezet worden in certificaten of aandelen. Indien de rechtbank oordeelt dat de lopende renteverplichtingen voldaan moeten worden, dan kunnen deze betaald worden. Als de rechtbank dat verlangt dan kan het bedrag ook op een derdengeldenrekening gestort worden. Dat zou echter betekenen dat “gekannibaliseerd” moet worden aangezien in dat geval onroerend goed verkocht moet worden om geld te genereren en dat zorgt ervoor dat er aan het eind van de rit niets meer over is. Aangeboden wordt om de kosten van de HSD in depot te storten zodat zeker is dat deze kosten voldaan kunnen worden.

2.12.

Mr. M. van Ingen heeft zich bereid verklaard om op te treden als herstructureringsdeskundige en heeft daartoe op 16 juni 2023 een offerte uitgebracht. Daarnaast heeft mr. F.P.G. Dix op 21 juni 2023 een offerte uitgebracht.

2.13.

Artikel 3d Fw is helder: indien een HSD wordt benoemd dan moet ook automatisch een afkoelingsperiode gelast worden. Een afweging van de belangen vindt in deze situatie niet plaats. De belangen van de gezamenlijke crediteuren zijn overigens gediend bij een afkoelingsperiode, nu een sanering in het belang van de gezamenlijke schuldeisers is. De rentebetalingen en leningen kunnen geconverteerd worden in participaties. Met nieuwe financiering kunnen projecten voltooid worden. De herfinanciering is in een ver stadium, maar de nieuwe financiers eisen dat de schulden worden geherstructureerd.

2.14.

De gang van zaken vormt geen misbruik van recht. [verzoekster] heeft eerder een afkoelingsperiode verzocht en ter gelegenheid van de behandeling van dat verzoek al aangegeven dat een verzoek aanwijzing herstructureringsdeskundige zou worden ingediend.

3 De zienswijze van [belanghebbenden]

3.1.

hebben in hun zienswijze en ter zitting het volgende – verkort weergegeven – aangevoerd.

3.2.

De rechtbank heeft bij beschikking van 6 juni 2023 het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode afgewezen. [verzoekster] maakt misbruik van recht door via een “loophole” in de wet te bewerkstelligen dat de afkoelingsperiode er alsnog komt.

3.3.

Anders dan [verzoekster] stelt, dient de rechtbank, ook indien het verzoek door de schuldenaar zelf is gedaan, na te gaan of de belangen van de gezamenlijke schuldeisers gediend zijn bij aanwijzing van een HSD. De aanwijzing van een HSD is niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. De in de wet verankerde “veronderstelling” dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers gediend zijn bij de aanwijzing van een HSD gaat niet op. De enige reden waarom [verzoekster] om benoeming van een HSD verzoekt is om de behandeling van de ingediende faillissementsrekesten op de lange baan te schuiven.

3.4.

De rechtbank dient te toetsen of een akkoord meerwaarde zou kunnen realiseren ten opzicht van een faillissementsscenario. Van een meerwaarde op het niveau van [verzoekster] is niet gebleken. Slechts zeer algemeen en “hoog over” is gesteld dat voor het hele [naam] -concern een meerwaarde zou kunnen worden gecreëerd. Maar hoe dit alles concreet zijn beslag zou krijgen en wie bereid zou zijn de aanzienlijke investering van de verdere projectontwikkeling te doen, is niet duidelijk.

3.5.

Deze kwestie leent zich niet voor een WHOA-traject nu er meerdere zaken aan de orde zijn die schreeuwen om een onafhankelijk onderzoek door een ervaren curator.

3.6.

Uit de kasstroom prognose blijkt dat [verzoekster] geen enkele operationele inkomende kasstroom heeft. De operationele kasstroom is dan ook negatief. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt wat de juridische duiding is van de bijdrage van [topholding] . Er is geen rekening gehouden met de kosten van de HSD. Het voortzetten van een onderneming met een negatieve operationele kasstroom is evident niet in het belang van de schuldeisers.

3.7.

De rechtbank dient te onderzoeken of aan de voorwaarden voor toewijzing van een afkoelingsperiode is voldaan. Het is onbestaanbaar dat een schuldenaar van wie een eerste afkoelingsverzoek is afgewezen over de band van de afstemmingsbepaling van artikel 3d Fw zou kunnen bewerkstelligen dat alsnog een afkoelingsperiode wordt gelast zonder dat daar een inhoudelijke toets zou hoeven plaats te vinden. In de onderhavige situatie, waarin een eerder verzoek van [verzoekster] om een afkoelingsperiode te gelasten is afgewezen, is het beroep van [verzoekster] op artikel 3d lid 2 Fw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4 De beoordeling

5 De beslissing