Rechtbank Oost-Brabant, 02-03-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:810, 22/226
Rechtbank Oost-Brabant, 02-03-2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:810, 22/226
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 2 maart 2023
- Datum publicatie
- 26 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2023:810
- Zaaknummer
- 22/226
Inhoudsindicatie
Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de WOZ-waarde van zijn appartement ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gerechtigdheid tot de algemene delen van het totale appartementencomplex. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het appartement is een zelfstandige woning. Het is een afzonderlijk te waarderen object. Bij de waarderingsmethode die eiser voor ogen heeft, wordt de objectafbakening van artikel 16 van de Wet WOZ niet tot uitgangspunt genomen. Daarnaast wordt met deze methode niet de waarde van de onroerende zaak verkregen zoals die in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ is bepaald.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 22/226
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigden: [naam] en [naam] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Vught (de heffingsambtenaar)
(gemachtigde: P. Sijben).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ1-waarde van zijn woning aan de [adres] in [plaats] .
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde met de beschikking van 28 februari 2021 vastgesteld op € 580.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2020 en geldt voor het belastingjaar 2021. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Vught opgelegd.
Met het bestreden besluit van 20 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 560.000.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser en de heffingsambtenaar hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.