Home

Rechtbank Oost-Brabant, 10-12-2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:6256, C/01/409730 / KG ZA 24-595

Rechtbank Oost-Brabant, 10-12-2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:6256, C/01/409730 / KG ZA 24-595

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10 december 2024
Datum publicatie
16 december 2024
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2024:6256
Zaaknummer
C/01/409730 / KG ZA 24-595

Inhoudsindicatie

Het betreft een executiegeschil in de afwikkeling van een faillissement. De eisende partij maakt bezwaar tegen het indienen van vorderingen tegen de failliet door de Belastingdienst. Deze vorderingen zijn tijdens de Verificatievergadering op de lijst gezet als erkende vorderingen maar de eisende partij stelt zich op het standpunt dat dit onterecht is.

De vorderingen van eiser worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/409730 / KG ZA 24-595

Vonnis in kort geding van 10 december 2024

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. F. Jagersma te Amstelveen,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST,

kantoorhoudend te Eindhoven,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 november 2024 met 29 producties

- de brief van 21 november 2024 van de Ontvanger met producties 1 t/m 7- de mondelinge behandeling die plaats heeft gevonden op 26 november 2024- de pleitnota van de Ontvanger.

1.2.

Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op termijn van twee weken.

1.3.

Op 3 december 2024 heeft mr. Jagersma een brief met producties ingediend in het digitaal dossier. Aangezien deze stukken zijn ontvangen nadat het onderzoek is gesloten en uitspraak is bepaald en niet is gebleken dat mr. Schipper met het indienen van deze stukken heeft ingestemd, worden deze buiten beschouwing gelaten (artikel 12.5 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken).

2 De feiten

2.1.

Op 23 februari 2005 is het faillissement van Kooilust Investments N.V. (hierna: Kooilust) uitgesproken met benoeming van mr. S.M.M. van Dooren en mr. J.J. Dingemans als curatoren. Het faillissement is tot op heden nog niet afgewikkeld.

2.2.

Tot de schuldeisers in het faillissement van Kooilust behoren [eiser] en de Ontvanger. Beiden hebben vorderingen ter verificatie ingediend bij de curatoren.

2.3.

Op 26 april 2021 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden in het gebouw van deze rechtbank ten overstaan van rechter-commissaris mr. C.A.M. de Bruijn.

Blijkens de lijst van voorlopig erkende preferente schuldvorderingen hebben de curatoren de door de Ontvanger ingediende vorderingen (tot een totaalbedrag van ruim 12,3 miljoen euro) erkend.

Van de verificatievergadering is een proces-verbaal en een aanvullend proces-verbaal opgemaakt (productie 3 bij dagvaarding). Blijkens het aan het aanvullend proces-verbaal gehechte financieel verslag was het voor uitdeling beschikbaar bedrag eind 2020

€ 5.645.116,27.

In het aanvullend proces-verbaal van de verificatievergadering is onder meer – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

‘De rechter-commissaris merkt op dat belastingschulden niet in aanmerking komen voor betwisting en dat de belastingschulden door de curator moeten worden erkend. Erkenning van de belastingschuld houdt niets anders in dan de erkenning van de juistheid van het feit dat de schuld formeel bestaat en invorderbaar is zonder dat de curator door die erkenning iets prijsgeeft van het recht om alsnog langs de daarvoor aangewezen administratiefrechtelijke weg de juistheid of grootte materiaalrechtelijk aan te tasten. De rechter-commissaris bepaalt dat alle op de lijst van de door de curatoren voorlopig erkende preferente schuldvorderingen voorkomende vorderingen, met de daarbij vermelde aantekeningen van voorrang of anderszins, worden overgebracht op de lijst van erkende schuldeisers. De rechter-commissaris deelt mede dat tegen deze beslissing om deze vorderingen over te brengen op de lijst van erkende preferente schuldeisers binnen vijf dagen hoger beroep bij de rechtbank openstaat’

2.4.

Bij brief van 28 april 2021 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld op grond van artikel 67 lid 1 Faillissementswet (Fw) tegen de in het aanvullend proces-verbaal genoemde beschikking van de rechter-commissaris.

Bij beschikking van 4 juni 2021 (C/01/05/129 F) heeft de rechtbank Oost-Brabant het hoger beroep van [eiser] ongegrond verklaard. In de beschikking heeft de rechtbank – voor zover van belang – het volgende overwogen:

‘(...)

2.5. (...)

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1964 (ECLI:NL:HR:1964:96) deelt de rechtbank het daarbij door de rechter-commissaris genomen uitgangspunt dat de erkenning van een belastingschuld niets anders inhoudt dan de erkenning van de juistheid van het feit dat dat de schuld formeel bestaat en invorderbaar is, (...). Bij een geschil omtrent de erkenning van een belastingvordering en een daarop volgende verwijzing naar de renvooiprocedure is de rechtbank, nu de administratiefrechtelijke weg dient te worden gevolgd, immers niet bevoegd om over het geschil te oordelen. (...).

(...).

2.6. (...)

Deze betwisting komt, anders dan [eiser] stelt, neer op betwisting van het invorderbaar zijn van de belastingvorderingen. Gelet op hetgeen in 2.5 is overwogen heeft de rechter-commissaris deze betwisting terecht buiten beschouwing gelaten en terecht de belastingvorderingen op de lijst van erkende preferente vorderingen geplaatst.

(...)

2.8.

Verificatie is overigens niet noodzakelijk voor vorderingen ter zake van rijksbelastingen. (...) Voor zover in dit faillissement, zoals [eiser] in hoger beroep heeft aangevoerd, op de lijst van voorlopig erkende preferente vorderingen bepaalde vorderingen dubbel zijn opgenomen, is dat, zo heeft curator mr. Van Dooren ter zitting verklaard, met de aantekening dat door curatoren bij de uitdeling niet twee keer, maar één keer op desbetreffende vorderingen zal worden uitbetaald. Gelet daarop kan in de gestelde dubbeltellingen ook geen grond voor vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris worden gevonden.

(...)’

2.5.

Op 5 en 27 juni 2023 en 2, 22, en 24 augustus 2023 heeft [eiser] bij de rechter-commissaris meerdere verzoeken ex artikel 69 lid 1 Fw ingediend.

Onder deze verzoeken is – voor zover thans van belang – het verzoek om aan de curatoren te bevelen om binnen twee weken ‘het overzicht van ingediende en geverifieerde preferente schuldvorderingen van 28 april 2021 op te schonen, in die zin dat de daarop vermelde vorderingen met de nummers 1 en 46 tot en met 60 van het overzicht verwijderd worden, althans in ieder geval de dubbeltellingen, zijnde de vorderingen met nummers 47, 48, 51, en 56.

Bij beschikking van 7 september 2023 (C/01/05/129 F) heeft de rechter-commissaris op de verzoeken beslist en bovengenoemd verzoek afgewezen onder – voor zover van belang – de volgende overwegingen:

‘(...)

Verzoek 1: Het verzoek curatoren te bevelen het overzicht van geverifieerde preferente schuldvorderingen van de Belastingdienst op te schonen.

3.1.

De rechter-commissaris stelt vast dat onderhavig verzoek dezelfde strekking en, voor zover relevant (nagenoeg), dezelfde onderbouwing heeft als de betwisting door [eiser] ter verificatievergadering van 26 april 2021 van de in het verzoek genoemde preferente schuldvorderingen evenals het daarop gevolgde namens hem ingesteld hoger beroep tegen de RC-beschikking. Het verzoek, de betwisting en het hoger beroep betreffen hetzelfde geschilpunt en strekken er immers allen toe de door de Ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Belastingdienst) ter verificatie ingediende vorderingen te verwijderen van de lijst van ingediende en geverifieerde preferente schuldvorderingen.

Het hoger beroep tegen de erkenning van de door de Belastingdienst ingediende preferente vorderingen, is bij beschikking van de rechtbank van 4 juni 2021 ongegrond verklaard. [eiser] heeft tegen deze beschikking geen cassatie ingesteld en daarmee heeft de beschikking kracht van gewijsde. Deze beschikking kan niet met onderhavig verzoek ex artikel 69 Fw worden aangetast, zodat niet via die weg op voormelde erkenning kan worden teruggekomen.

3.2.

De in een proces-verbaal van de verificatievergadering opgetekende erkenning van een vordering heeft, anders dan namens [eiser] ter zitting is bepleit, ook voor zover dit een vordering van de Belastingdienst betreft kracht van gewijsde zaak. Het recht van de Belastingdienst staat tegenover de curator, de overige schuldeisers en de gefailleerde onherroepelijk vast. (...). De kracht van gewijsde verhindert niet dat een vordering na erkenning geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan en dan ook dienovereenkomstig geschrapt dient te worden.

3.3.

Niet uitgesloten is dat één of meer fiscale schuldvorderingen die op de lijst van erkende schuldvorderingen staan materiaal dezelfde vorderingen betreffen. Echter, niet is gebleken dat thans een administratiefrechtelijke [weg] tegen de betreffende aanslagen nog openstaat. Hoewel dat niet op voorhand valt uit te sluiten, heeft de Belastingdienst op dit moment niet (ten dele) op enigerlei wijze gehoor gegeven aan de sommaties van mr. Jagersma namens [eiser] bij brief van 31 juli 2023 aan de Belastingdienst. (...). Vooralsnog is daarom niet gebleken van een grond om het bevel tot schrapping op te leggen.

(...)’.

2.6.

Bij brief van 31 juli 2023 aan de Ontvanger heeft mr. Jagersma namens [eiser] de Ontvanger gesommeerd om de vorderingen met nummers 1, en 46 tot en met 60 (zoals die zijn vermeld op het overzicht van ingediende en geverifieerde schuldvorderingen) terug te trekken uit het faillissement van Kooilust.

2.7.

Bij brief van 4 september 2023 gericht aan mr. Jagersma heeft de Ontvanger afwijzend gereageerd met de mededeling (kort samengevat) dat de sommatie bestuursrechtelijk geen rechtskracht heeft, en dat [eiser] zich in het faillissement slechts kan wenden tot de curatoren en niet tot de bestuursorganen Ontvanger of inspecteur.

2.8.

Tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 7 september 2023 heeft [eiser] bij brief van 11 september 2023 hoger beroep aangetekend. Bij beschikking van 28 november 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant het hoger beroep ongegrond verklaard.

2.9.

Op 28 maart 2024 heeft [eiser] met de curatoren – tijdens een mediation-traject – een schikking getroffen ter beslechting van geschillen die zien op schadevergoedingsvorderingen van [eiser] in het faillissement van Kooilust. In het kader van deze schikking is – onder meer – afgesproken dat uit de boedel een bedrag van

€ 350.000,- aan [eiser] wordt betaald.

2.10.

Bij brief van 9 augustus 2024 heeft mr. Jagersma de Ontvanger nogmaals gesommeerd om af te zien van de vorderingen in het faillissement van Kooilust met nummers 1, 2 en 46 tot en met 60, waarbij [eiser] onder meer een kort geding heeft aangekondigd indien de Ontvanger binnen vijftien dagen na ontvangst van de sommatie daaraan geen gevolg geeft. De Ontvanger heeft niet op deze sommatie gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, het volgende:

1. De Ontvanger te verbieden tot executie over te gaan van het proces-verbaal van de op 26 april 2021 gehouden verificatievergadering in het faillissement van Kooilust, voor zover de executie strekt tot het verkrijgen van betalingen op de vorderingen met nummers 1, 2 en 46 tot en met 60 op het overzicht met preferente schuldvorderingen van 28 april 2021;

2. De Ontvanger te bevelen om binnen 15 dagen na de datum van dit vonnis de vorderingen met nummers 1, 2 en 46 tot en met 60 op het overzicht met preferente schuldvorderingen van 28 april 2021 terug te trekken uit het faillissement van Kooilust, althans om af te zien van elke aanspraak op enige uitbetaling ten laste van het vermogen van Kooilust, en om de curatoren in het faillissement van Kooilust binnen de gestelde termijn te berichten dat de Ontvanger deze vorderingen terugtrekt uit het faillissement en/of dat hij afziet van elke aanspraak op enige uitbetaling ten laste van het vermogen van Kooilust ter zake van deze vorderingen;

3. De Ontvanger te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de Ontvanger in gebreke blijft te voldoen aan het gevorderde onder sub 2, met een maximum van € 750.000,-;

4. De Ontvanger te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan bovenstaande vorderingen – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat de Ontvanger onrechtmatig jegens hem en andere schuldeisers in het faillissement van Kooilust handelt indien de Ontvanger aanspraak maakt op uitbetaling van de op het overzicht van 28 april 2021 van ingediende en geverifieerde preferente schuldvorderingen vermelde vorderingen met nummers 1, 2 en 46 tot en met 60. Deze vorderingen betreffen naheffingsaanslagen omzetbelasting ten name van een fiscale eenheid waarvan Kooilust deel uit maakte, en daaruit vloeit geen betalingsverplichting voort voor de participanten in die fiscale eenheid dan nadat zij aansprakelijk zijn gesteld. Deze aansprakelijkheidstelling jegens Kooilust heeft niet plaats gevonden en daarom kunnen de naheffingsaanslagen ook niet worden verhaald op Kooilust.

Verder stelt [eiser] dat de vorderingen van de Ontvanger met nummers 1, 2 en 46 tot en met 60 verjaard zijn.

3.3.

De Ontvanger voert verweer. De Ontvanger concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing