Home

Rechtbank Oost-Brabant, 29-08-2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6626, C-01-405703 - EX RK 24-101

Rechtbank Oost-Brabant, 29-08-2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6626, C-01-405703 - EX RK 24-101

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29 augustus 2025
Datum publicatie
4 november 2025
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2025:6626
Zaaknummer
C-01-405703 - EX RK 24-101

Inhoudsindicatie

Beschikking civiele raadkamer. Verzoek ontslagbesluit bestuurder STAK nietig te verklaren, statutenwijziging te vernietigen, huidige bestuurder te ontslaan en nieuwe bestuurder(s) te benoemen.

Uitspraak

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/405703 / EX RK 24/101

Beschikking van 29 augustus 2025

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaten: mr. M.J.W. van Ingen en mr. E.A.M. Janssen (van Watsonlaw),

tegen

1 [verweerder 1] ,

wonende te [woonplaats] ( [land] ),

verder te noemen: [verweerder 1] ,

2 [verweerder 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder te noemen: [verweerder 2] ,

verweerders,

advocaat: mr. G.C. Vergouwen (van Lindenbaum).

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met producties 1 tot en met 44, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 21 juni 2024 en de nagezonden productie 45;

-

het verweerschrift met producties 1 tot en met 24, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 3 december 2024;

-

de mondelinge behandeling op 10 december 2024, waarbij de gemachtigden van partijen pleitnota’s hebben overgelegd aan de hand waarvan zij de zaak hebben toegelicht. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt dat naar partijen is toegestuurd.

1.2.

Na overleg met partijen heeft de rechtbank de zaak verwezen naar mediation. Op 19 mei 2025 heeft mevrouw [A] (van Watsonlaw) namens [verzoeker] de rechtbank bericht dat partijen door middel van mediation geen overeenstemming hebben bereikt. Dit is door mr. Vergouwen namens [verweerder 1] en [verweerder 2] bevestigd. Partijen hebben de rechtbank verzocht om een beschikking af te geven.

1.3.

Daarop is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1.

Tussen partijen staat het volgende vast, voor zover voor de beoordeling van belang.

2.2.

[B] is een familiebedrijf in de metaalindustrie dat ongeveer 50 jaar geleden is opgericht door [verweerder 1] . In Europa vormde [verweerder 1] een Nederlandse staak ( [N] ) en een Belgische staak ( [C] ). De topholding van de Nederlandse staak van vennootschappen is [N] S.A., een naar het recht van Luxemburg opgerichte vennootschap (hierna: [N] ).

2.3.

In 1996 is [verweerder 1] een inkoopkantoor in Maleisië gestart, Ma-ln Maleisië (hierna: Ma-In). Deze investeringsvennootschap kocht zeer specifieke machines in. Ma-In verhuurde deze machines aan een werkmaatschappij van [N] , [D] B.V. Uit deze inkomsten financierde [verweerder 1] de Nederlandse staak.

2.4.

Door de jaren heen is [B] uitgegroeid tot een internationaal georiënteerde groep van bedrijven in Europa en Azië. De zogenoemde " [E] " betreft een omvangrijk bedrijf met circa 250 werknemers. Daarvan werken er ongeveer 150 in Nederland. De [E] beschikt over een Raad van Advies, bestaande uit vier leden. De heren [F] en [G] zijn twee van de vier leden.

2.5.

[verweerder 1] en zijn echtgenote, mevrouw [H] (hierna: moeder) hebben drie kinderen: [I] , [verzoeker] en [J] .

2.6.

In 2010 zijn [verweerder 1] en zijn kinderen gaan voorsorteren op de overdracht van de eigendom en zeggenschap van [verweerder 1] in [B] . Vanaf 2011/2012 zijn er afspraken gemaakt over de bedrijfsopvolging en zijn er schenkingen aan de kinderen gedaan.

2.7.

In het kader daarvan heeft [verweerder 1] op 20 december 2011 twee stichtingen opgericht: [verweerder 2] (als stak van de Nederlandse tak) en Stichting Administratiekantoor [K] (als stak van de Belgische tak). [verweerder 1] was enig bestuurder in beide stichtingen. De aandelen van [N] zijn in [verweerder 2] geplaatst. [verzoeker] kreeg in iedere stak 56,5% van de certificaten van aandelen en [J] kreeg 43,5% van de certificaten van aandelen. Zij kreeg daarnaast vastgoed geschonken. Zoon [I] kreeg uitsluitend vastgoed geschonken.

2.8.

Vanaf februari 2012 is [verweerder 1] voor 58,5% aandeelhouder van Ma-In, [verzoeker] voor 23,1% en [J] voor 17,8%. Sinds februari 2012 hebben [verzoeker] en [J] een koopoptie op de aandelen van [verweerder 1] in Ma-In met dien verstande dat na het lichten van de koopoptie [verzoeker] 56,5% en [J] 43,5% van de aandelen Ma-In zou gaan houden.

2.9.

Op 28 februari 2012 is een zakelijke leningsovereenkomst gesloten tussen [N] en Ma-In op grond waarvan Ma-In aan [N] een kredietfaciliteit van ruim 5 miljoen euro heeft verstrekt.

2.10.

In 2017 is [verzoeker] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als medebestuurder van [verweerder 2] .

2.11.

In 2017/begin 2018 heeft Ma-In haar zetel verplaatst naar Luxemburg, waar ook [N] kantoor houdt. In die periode zijn [verzoeker] , [J] en twee externe directeuren als bestuurders van Ma-In benoemd. [verweerder 1] , [verzoeker] en [J] waren de aandeelhouders van Ma-In.

2.12.

In 2018 zijn de persoonlijke verhoudingen binnen de familie verstoord geraakt. In het voorjaar van 2018 heeft [J] aangegeven dat zij uit de groep wenste te treden. [verzoeker] , [verweerder 1] en [J] zijn daarover in overleg getreden.

2.13.

Volgens [verzoeker] is er op 1 november 2020 een nieuwe (tweede) overeenkomst van geldlening gesloten tussen [N] en Ma-In. Op grond hiervan is de rente gewijzigd en is er een nieuwe einddatum van de (in 2.9. genoemde) lening overeengekomen, namelijk 31 december 2032. Deze overeenkomst is namens [N] ondertekend door [verzoeker] . [verweerder 1] en [verweerder 2] stellen dat Ma-In nooit heeft besloten tot het verstrekken van deze nieuwe (c.q. gewijzigde) geldlening.

2.14.

Op 25 november 2020 heeft er overleg plaatsgevonden tussen [verweerder 1] , [verzoeker] en [J] over de ontvlechting van [B] .

2.15.

Op 7 december 2020 heeft er een formele aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden van Ma-In waarbij [verweerder 1] en [J] hebben gestemd voor het ontslag van [verzoeker] en tot aanstelling van de heer [L] als nieuwe bestuurder van Ma-In.

2.16.

Op 14 december 2020 hebben [verzoeker] , [verweerder 1] en [J] de voorlopige uitkomst van hun ontvlechtingsoverleg ondertekend. Op 21 december 2020 hebben zij een intentieverklaring ondertekend (hierna: de Intentieverklaring). In de Intentieverklaring is onder meer het volgende opgenomen:

2.17.

Vanaf eind 2020 vormt [verweerder 1] (al dan niet samen met een externe bestuurder) het bestuur van Ma-In.

2.18.

Op 17 februari 2022 heeft [verweerder 1] een nieuwe Luxemburgse vennootschap opgericht: [O] (hierna: [O] ). [verweerder 1] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [O] .

2.19.

Begin maart 2022 heeft [verzoeker] zich teruggetrokken als koper van de certificaten / aandelen die zijn genoemd in de Intentieverklaring.

2.20.

Op 13 mei 2022 (en later) heeft [verzoeker] aan [verweerder 1] gevraagd om in te stemmen met een zetelverplaatsing van [N] naar Nederland.

2.21.

Op 1 december 2022 heeft [O] de aandelen en certificaten die in handen waren van [J] voor € 3.600.000,- gekocht en betaald. [O] heeft deze aankoop gefinancierd met een door Ma-In verstrekte geldlening van € 5.400.000,-. Ook de beleggingsportefeuille van Ma-In, met een waarde van circa € 1.800.000,-, is overgezet naar [O] . Sindsdien houdt [O] 43,5% van de aandeelcertificaten van [N] .

2.22.

Begin 2023 hebben [verzoeker] en [verweerder 1] geprobeerd om tot een algehele schikking te komen, maar dat is niet gelukt.

2.23.

In maart 2023 heeft [verzoeker] om opheldering gevraagd over de lening die Ma-In in 2022 aan [O] heeft verstrekt om [J] te kunnen uitkopen. In reactie daarop heeft Ma-In kenbaar gemaakt dat bij het verstrekken van die lening geen sprake was van tegenstrijdig belang, dat de leningsovereenkomst marktconform is en dat Ma-In niet verplicht is om aan [verzoeker] documenten te verschaffen waarmee een en ander kan worden geverifieerd.

2.24.

Op 28 april 2023 heeft Ma-In de kredietfaciliteit / geldlening opgezegd die zij aan [N] heeft verstrekt (deze geldlening is verstrekt in 2012 en al dan niet op 1 november 2020 gewijzigd, zie r.o. 2.9 en 2.13).

2.25.

Op 22 juni 2023 heeft [verzoeker] [verweerder 1] opgeroepen voor een bestuursvergadering van [verweerder 2] . Op de agenda stonden de zetelverplaatsing van [N] en de benoeming van een derde bestuurder binnen [verweerder 2] . [verweerder 1] heeft bij brief van 6 juli 2023 laten weten dat hij dit verzoek niet honoreert omdat [verzoeker] geen bestuurder van [verweerder 2] zou zijn.

2.26.

Per 27 juni 2023 is [verzoeker] bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder van [verweerder 2] .

2.27.

Bij brief van 12 juli 2023 heeft [verzoeker] [verweerder 1] laten weten dat hij zijn ontslag als bestuurder van [verweerder 2] betwist.

2.28.

Bij brief van 17 juli 2023 schrijft de Raad van Advies van de [E] aan [verweerder 1] :

“Een nieuw dieptepunt werd vorige week bereikt, toen jij [verzoeker] als bestuurder van [verweerder 2] hebt ontslagen. Wij vragen ons allereerst af of deze in onze ogen niet gefundeerde actie niet strijdig is met artikel 3 lid 1e van de statuten van [verweerder 2] , waarin staat dat "alle handelingen moeten bijdragen tot de continuïteit op lange termijn en dat er oog moet zijn voor het evenwicht tussen de belangen van alle betrokkenen waaronder certificaathouders".”

2.29.

Vanaf oktober 2023 hebben [verzoeker] en [verweerder 1] nogmaals geprobeerd hun geschillen in der minne op te lossen.

2.30.

Op 20 november 2023 heeft [verzoeker] van de Kamer van Koophandel de melding ontvangen dat de statuten van [verweerder 2] zijn gewijzigd. De belangrijkste wijziging is de regeling voor het geval [verweerder 1] komt te overlijden. Opvolgend bestuurders zijn dan niet meer [verzoeker] , [J] en de heer [G] , maar moeder en oom [M] .

2.31.

Bij brief van 1 december 2023 heeft Ma-In de geldlening van 28 februari 2012 nogmaals opgeëist bij [N] (‘ultimate formal notice to pay’).

3 Het verzoek

4 De beoordeling

5 De beslissing