Rechtbank Overijssel, 03-04-2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1677, ak_14_3097
Rechtbank Overijssel, 03-04-2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1677, ak_14_3097
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 3 april 2015
- Datum publicatie
- 7 april 2015
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2015:1677
- Zaaknummer
- ak_14_3097
Inhoudsindicatie
Rapport Bureau Interne zaken van het politiekorps Gelderland-Midden van 25 augustus 2004 over het onderzoek naar het functioneren van het zogenaamde Tolteam dat onderzoek heeft gedaan naar de vuurwerkramp bevindt zich niet bij de burgemeester van Enschede; verzoek terecht doorgezonden naar korpschef politie Nederland; beroep ongegrond.
Uitspraak
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/3097
[eiser], te Rijssen, eiser,
gemachtigde: J.P.E. Baakman,
en
de burgemeester van Enschede, verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 5 december 2014 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.
Bij besluit van 12 januari 2015 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep onder toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opgevat als mede te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 12 januari 2015.
Bij brief van 30 januari 2015 heeft eiser beroepsgronden ingediend tegen de beslissing op bezwaar van 12 januari 2015. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. ten Kate.
Overwegingen
1. Bij brief van 28 januari 2014 heeft eiser verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) en de Archiefwet gevraagd om afschrift van het rapport van Bureau Interne zaken van het politiekorps Gelderland Midden van 25 augustus 2004 over het onderzoek naar het functioneren van het zogenaamde Tolteam dat onderzoek heeft gedaan naar de vuurwerkramp in Enschede.
Bij besluit van 18 maart 2014 heeft verweerder meegedeeld dat hij heeft besloten het
verzoek op grond van artikel 4 van de Wob door te zenden aan het bevoegde orgaan,
de korpschef van de politie Nederland.
Bij brief van 21 maart 2014 heeft eiser verweerder op grond van de Wob gevraagd om een
afschrift van de doorzendbrief van verweerder aan de korpschef van de politie Nederland,
zoals geduid in de brief van 18 maart 2014.
Bij brief van 8 april 2014 heeft verweerder op het verzoek van 21 maart 2014 besloten
tot openbaarmaking van de doorzendbrief van 18 maart 2014.
Bij brief van 11 april 2014 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 18 maart
2014 en 8 april 2014.
Bij brief van 14 november 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet
tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 11 april 2014.
Bij brief van 5 december 2014 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op
zijn bezwaar.
Bij besluit van 12 januari 2015 heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het besluit van 18
maart 2014 ongegrond verklaard. Aangegeven is het bezwaar tegen de doorzendbrief van 8 april 2014 namens eiser is ingetrokken tijdens de hoorzitting van de bezwaarcommissie.
Beroep niet tijdig beslissen op bezwaar
2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van
wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met
een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank
open.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend
zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan
schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, beslist het bestuursorgaan binnen zes
weken of- indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld - binnen
twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het
bezwaarschrift is verstreken.
De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van 18 maart 2014. De bezwaartermijn met betrekking tot het besluit van 18 maart 2014 is aangevangen op 19 maart 2014 en geëindigd op 29 april 2014. Omdat sprake is van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb had verweerder uiterlijk op 22 juli 2014 dienen te beslissen.
De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank constateert voorts dat eiser verweerder bij brief van 14 november 2014 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een beslissing op bezwaar te nemen. Ten tijde van het instellen van beroep waren twee weken verstreken na de ingebrekestelling en had verweerder nog geen besluit genomen.
Het beroep is dan ook gegrond, voor zover het is aan te merken als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.
Op grond van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge artikel 4:17 verbeurde dwangsom vast.
In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op
laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
In het tweede lid is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag
bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per
dag.
Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag
waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de
beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke
ingebrekestelling heeft ontvangen.
Het zesde lid bepaalt dat geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een van de situaties als genoemd in
De rechtbank zal, gelet op het verzoek ter zitting, de hoogte van de dwangsom vaststellen. Uitgaande van de ontvangst van de ingebrekestelling van 14 november 2014 op 15 november 2014 is 30 november 2014 de eerste dag waarover verweerder een dwangsom is verschuldigd. Nu het besluit op bezwaar, naar wordt aangenomen, op 12 januari 2015 is verzonden, is verweerder de maximale dwangsom van € 1260,- verschuldigd.