Rechtbank Overijssel, 13-06-2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2489, 08/994540-16 (P)
Rechtbank Overijssel, 13-06-2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2489, 08/994540-16 (P)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 13 juni 2017
- Datum publicatie
- 16 juni 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2017:2489
- Zaaknummer
- 08/994540-16 (P)
Inhoudsindicatie
Een energiebedrijf en haar bestuurder zijn veroordeeld voor de illegale aanvoer van mest voor een mestvergister bij een melkveehouderij in Coevorden. Volgens de vergunning mocht dat alleen mest van het eigen bedrijf zijn. Het bedrijf voerde ruim 5000 ton mest van buiten de inrichting in. De bestuurder is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van 2 jaar. Het bedrijf krijgt een boete van 25.000 euro, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Uitspraak
Afdeling Strafrecht
Meervoudige economische strafkamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08/994540-16 (P)
Datum vonnis: 13 juni 2017
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]
[woonplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 mei 2017.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Buist en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er zakelijk weergegeven, op neer dat:
[bedrijf] B.V. ( [bedrijf] B.V.) in de periode van 6 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015, al dan niet opzettelijk, in strijd met een op 10 januari 2013 door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden verleende (gewijzigde) omgevingsvergunning, meermalen mest van buiten de inrichting heeft aangevoerd, terwijl slechts was toegestaan dat eigen geproduceerde mest werd verwerkt. terwijl verdachte aan deze verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
[bedrijf] B.V. in of omstreeks de periode van 6 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015, althans in of omstreeks de periode van januari 2015 tot en met augustus 2015, althans in 2015, in de gemeente Coevorden, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden op 10 januari 2013 verleende (gewijzigde) omgevingsvergunning,
welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd aan het [adres] , immers werd toen aldaar in strijd met voorschrift I1 van de hiervoor genoemde (gewijzigde) omgevingsvergunning binnen de inrichting niet uitsluitend eigen geproduceerde mest verwerkt, zulks terwijl verdachte aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven.
3 De voorvragen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in de tenlastelegging het verkeerde voorschrift van de omgevingsvergunning, namelijk “I1” in plaats van “I2” ten laste is gelegd en dat om die reden geen veroordeling kan volgen. De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging als een beroep op nietige dagvaarding.
De rechtbank is van oordeel dat uit de wijze waarop het dossier is samengesteld en de inhoud van het dossier voldoende duidelijk valt af te leiden waar de verdachte van wordt beschuldigd en dat ook voor de verdediging voldoende duidelijk is waartegen zij verweer zou moeten voeren. De rechtbank zal derhalve het voorschrift “I1” verbeterd lezen in “I2”. De verdediging wordt daarmee niet in haar belangen geschaad. Het verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding wordt aldus verworpen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.